Hoe het recht een nette burger kapot maakte

'Wie nu nog vertrouwen in de rechtspraak heeft, is naïef of zelf rechter', zei Marc Hertogh, hoogleraar rechtssociologie onlangs op een druk bezocht forum in Groningen. Het forum boog zich over de vraag of dit vertrouwen na een reeks gerechtelijke missers was afgenomen. Het antwoord van Hertogh was een volmondig ja - het was bij het publiek gedaald tot 6-, een 'genadezesje'. Hertogh had het verder over een 'institutionele crisis' en 'zelfgenoegzame' rechters, die met hun achterhaalde jargon en rituelen de aansluiting met de moderne tijd hadden gemist. Wetenschapsfilosoof Ton Derksen, die de zaak tegen Lucia de Berk in het goede spoor kreeg, viel hem bij, al leek die 6- hem nog veel te hoog. Derksen sprak de omineuze woorden: 'Hoe meer je je in een zaak verdiept, hoe meer je het vertrouwen in de rechterlijke macht verliest.' De hoogleraren strafrecht Ybo Buruma en Theo de Roos gaven tegengas. Nog steeds behoorden rechters tot de meest gerespecteerde groepen in de samenleving, hield Buruma de zaal voor. De 'missers' noemde hij 'incidenten', waarbij de rechter vaak door 'deskundigen' op het verkeerde been was gezet. Ook in deze discussie richtte de aandacht zich uitsluitend op enkele bekende strafzaken, zoals die tegen Lucia de Berk en Ina Post. Maar ook in civiele zaken gaat er wel eens iets ernstig mis. Ook al verdwijnt een slachtoffer na een gerechtelijke dwaling dan niet achter de tralies, die dwaling kan wel degelijk zijn leven verwoesten. Wij kunnen daar sinds de zaak-Veldhof, die bijna 20 jaar heeft geduurd, over meepraten. In het nu verschenen boek Op zoek naar meneer Johnsson volgt Gerrit Jan Zwier niet alleen het proces op de voet, maar ook alle onlogische redenaties, vreemde argumentaties en slechte dossierkennis van de rechters die daarbij te pas kwamen. Laten we eerst even een paar feiten op een rij zetten. In 1975 erfde Alex Veldhof een aantal schilderijen van zijn vader, waaronder vier (figuratieve) Mondriaans. Zijn familie kwam uit Winterswijk, waar ook de familie Mondriaan begin 1900 woonde. Hij was van plan ze op een juist moment te verkopen. Die gelegenheid kwam in 1983, toen hij een telefoontje kreeg van een zekere Johnsson, een kunstkoper die hij een paar jaar eerder in Amerika had ontmoet. Veldhof was bereid hem één Mondriaan te verkopen. In 1984 keerde Johnsson naar Nederland terug om ook de andere drie Mondriaans te kopen. Hij kreeg er 270.000 dollar voor, ongeveer een miljoen gulden. Het bedrag werd contant in dollars uitbetaald. Waarom? Veldhof had de dollars niet voor zichzelf nodig, maar voor Lieneke Woltjer, die hem had ingehuurd om leiding te geven aan een pro-Arabisch en pro-Palestijns instituut, dat na haar dood in haar villa gevestigd moest worden. Ook mevrouw Woltjer had van haar vader, een arts, vroege Mondriaans geërfd (de jonge Mondriaan betaalde zijn rekeningen geregeld met schilderijen). Te zijner tijd zouden die het financiële fundament van het genoemde instituut moeten vormen. Maar in 1984 had mevrouw Woltjer opeens dringend een miljoen nodig voor een 'goed doel', zoals ze zei. Uit later onderzoek van mr. Yvonne Samuels bleek dat dit verzoek hoogstwaarschijnlijk van Palestijnse kant kwam. Met Veldhof sloot ze een bijzondere deal: met haar eigen Mondriaans als onderpand ontving ze van hem 270.000 dollar. Haar Mondriaans mochten in het huis blijven hangen. Zodra ze het geld voor het 'goede doel' weer terug had - binnen een jaar, verwachtte ze - dan zou ze 'haar' Mondriaans weer van Veldhof terugkopen. Een en ander werd in onderhandse akten geregeld, zonder tussenkomst van een notaris of anderen. De reden: mevrouw Woltjer drong er bij Veldhof op aan de transactie geheim te houden. Verder werd alleen haar man, die eveneens tekende, in vertrouwen genomen. Veldhof heeft zijn geld nooit teruggezien. In 1988 kwam mevrouw Woltjer plotseling te overlijden. In haar testament liet ze haar bezittingen na aan een groep arabisten die het Palestina-instituut van de grond moesten krijgen. Het spreekt vanzelf dat zij zeer onaangenaam verrast waren toen Veldhof met zijn akten op de proppen kwam. Ze beschuldigden hem van fraude en oplichting. Zo werd een slepend conflict geboren. In eerste instantie kreeg Veldhof gelijk, omdat niet aangetoond kon worden dat de akten vervalst waren. Maar later oordeelde het Haagse Hof negatief. Men vond het verhaal zó onwaarschijnlijk dat het wel onwaar moest zijn. Veldhof kon niet anders dan een zwendelaar en bedrieger zijn. Maar ook onwaarschijnlijke verhalen kunnen waar zijn. En dat is naar onze overtuiging hier het geval. Hoe vreemd de verhalen van Veldhof op het eerste gezicht ook mogen klinken, bij nader onderzoek bleek altijd weer dat hij de waarheid had gesproken. Hij heeft Mondriaans bezeten. Mevrouw Woltjer had opeens een miljoen nodig, de akten zijn niet vervalst, Johnsson was geen hersenschim, enzovoort. Beiden zijn wij door de verdedigers van Veldhof bij de zaak betrokken. Politicoloog Lucardie diende een verantwoorde interpretatie van de feiten te geven. Antropoloog Zwier werd in eerste instantie op een spoor in IJsland gezet. In het genoemde boek wordt verslag gedaan van de langdurige procesgang en de moeizame pogingen bewijsmateriaal te verzamelen. De lezer maakt kennis met de agressieve, haast 'Amerikaanse' aanpak van advocaat H. Bouma, wiens pleitstrategie meer met hetze en karaktermoord te maken had dan met bewijsvoering of waarheidsvinding. Van meet af aan schilderde hij Veldhof af als een oplichter, maar in werkelijkheid kon hij nooit iets aantonen. Want de handtekeningen waren echt, er was niet geknoeid met de akten, er was geen spoor van bewijs dat Veldhof blanco handtekeningen van Lieneke Woltjer verzamelde, enzovoort. Toch ging het rechtscollege onder leiding van mevrouw J.C. Fasseur op een gegeven moment met deze visie mee. Men vond dat er een vliesdunne grens was tussen het 'gesloten' karakter van Veldhof en 'stiekem gedoe'. En zo veranderde een gerespecteerd burger met een onopvallende levenswandel in de rechtszaal in een doortrapte schurk die zich van het geld en de Mondriaans van een excentrieke Haagse dame had meester gemaakt. Kafka in de polder. Ton Derksen en ook andere betrokken buitenstaanders hebben veel kritiek geuit op de argumentaties en redenaties in een aantal arresten. Waarop is in een 'moeilijke' zaak de rechterlijke overtuiging eigenlijk gebaseerd? Zo oordeelde het Hof in dit proces dat helemaal niet bewezen was dat Veldhof Mondriaans had bezeten. Hoewel er een stuk of vijf getuigen waren die de Mondriaans op diverse tijdstippen bij Veldhofs ouders of bij Veldhof thuis hadden gezien, leverde dat geen 'dwingend bewijs' op. Waarom niet? Omdat deze herinneringen onderling niet helemaal identiek waren. De een heeft één Mondriaan gezien, een ander drie, terwijl Veldhof er naar eigen zeggen vier had bezeten. Volgens de ene getuige zaten ze in een houten kist, volgens een tweede was de kist van ijzer. Sommigen herinnerden zich schilderijen die waren ingelijst, anderen meenden dat er geen lijst omheen zat. Logische conclusie: alleen in zijn fantasie heeft de geslepen Veldhof Mondriaans bezeten. Zo redeneer je iemand de afgrond in. En zo wordt er wel recht gesproken, maar geen recht gedaan. Na bijna 20 jaar procederen is de hoogbejaarde Alex Veldhof failliet verklaard. Zijn naam is door vrouwe Justitia afgeplakt met het etiket 'gewiekste oplichter'. Hij is zijn Mondriaans kwijt, en daarmee zijn pensioen. Een curator controleert zijn post en roomt zijn AOW af.