Frank Dikötter

Gedegen studie toont de gruwelpraktijken van Mao en zijn kliek.

Frank Dikötter: De tragiek van de bevrijding - De geschiedenis van de Chinese revolutie 1945-1957
****

Uit het Engels vertaald door Ronald Kuil en Margreet de Boer.

Het Spectrum; 496 pagina's; euro 30,-.

Niemand mocht achterblijven. Iedere Chinees moest bijdragen aan de overwinning op de Amerikanen. Arbeiders, onderwijzers, hoogleraren: wie een salaris had, moest 20, 30 procent inleveren. Boeren moesten hun bijdrage leveren in graan. Een paar kilo de man leek partijleider Mao Zedong haalbaar.

De lokale partijkaders wisten wat hen te doen stond. De beloften stroomden binnen. In het zuidwesten, de graanschuur van China, gooide de ambitieuze Deng Xiaoping er een schepje bovenop. Zijn provincies zouden 4 kilo per persoon leveren! Spoedig reden de vrachtwagens af en aan. Gewapende milities kwamen de gift van het volk ophalen.

Mao's opdracht was voor de meeste boeren onmogelijk op te brengen. Dat betekende honger, en geen zaaigoed voor volgend jaar. Boeren verstopten hun graan. Maar ze werden afgeranseld en gemarteld tot ze het afgaven. Die winter heerste in China ongekende hongersnood. De stedelingen bleven redelijk gespaard, maar boeren aten gras, ongedierte, boombast en modder. Ondertussen woedde de oorlog in Korea voort. Mao deed opnieuw een oproep. Deng liet weten dat hij nog veel meer kon leveren. Miljoenen kwamen die winter om. Het jaar daarop werd Deng benoemd tot vicepremier en lid van het Politbureau.

De jaren 1949-1957, van de communistische machtsovername tot de Grote Sprong Voorwaarts, worden vaak beschouwd als een weldadig intermezzo, waarin de Chinese communisten hun krachten wijdden aan de wederopbouw, tot Mao op het idee kwam de Chinese landbouw te collectiviseren en met de opbrengst het land tot staalproducent nummer één te maken.

In De tragiek van de bevrijding maakt Frank Dikötter daar korte metten mee. Hij laat zien dat de communisten vanaf de machtsovername steeds de confrontatie zochten met echte en (vooral) vermeende vijanden van het regime. De aanpak was telkens: groepen werden tot doelwit uitgeroepen, waarna de bevolking tegen hen werd opgestookt.

Vervolgens kon het lokale partijkader zijn gang gaan. Peking formuleerde de doelstellingen: zoveel graan, arrestaties, executies. Partijfunctionarissen die er met de pet naar gooiden, konden een inspectie verwachten; wie het doel voorbij streefde, werd openlijk geprezen. Zo werden de ambtenaren van het vorige regime, straathandelaren, intellectuelen, rijke boeren, industriëlen, winkeliers tot 'vijanden' verklaard.

Toen Mao in 1957 de Grote Sprong Voorwaarts afkondigde (het onderwerp van Dikötters eerdere boek Mao's massamoord), wist iedereen wat er zou gaan gebeuren. Na vele miljoenen zouden er nog eens miljoenen de dood vinden.

Het is geen vrolijke lectuur. Dankzij Dikötters duik in de regionale archieven maken we uitgebreid kennis met de gruwelpraktijken van Mao en zijn kliek. Kritische collega's verwijten Dikötter dat hij vooral uit is op effect, en de schuld te eenzijdig bij Mao legt. Er waren duizenden daders - klein en groot, belust op geld, macht of een carrière in Peking. Duizenden Dengs die het uitgemergelde platteland snel achter zich wilden laten.