Alle kranten uit Indië

'MEN ZOU KUNNEN zeggen', zei Thorbecke, 'dat dagbladen het voertuig zijn voor de omgang van de natie met zichzelf: het middel waardoor zij zich in haar onderscheidende schakeringen, toestanden en stromingen leert kennen en doet kennen.'..

Mooi gesproken.Hij deed het in 1858 in de Tweede Kamer, tijdens het zoveelste debat over de vraag of het dagbladzegel (dat kranten duur, dus ontoegankelijk hield) niet afgeschaft diende te worden. Tot genoegen van de koning, in wiens ogen de pers een subversief gevaar betekende, besliste een Kamermeerderheid dat het zegel nog maar even moest blijven. Rond die tijd was door het conservatieve kabinet speciaal voor de kolonie een 'Drukpersreglement' voorbereid, dat weliswaar lippendienst bewees aan de in 1848 formeel afgekondigde persvrijheid, maar waarin het grondrecht tegelijkertijd aan zoveel banden werd gelegd, dat er in de praktijk weinig van de vrijheid over dreigde te blijven, en dezelfde Thorbecke verontwaardigd sprak van een 'gewrocht der duisternis'.Zijn liberale oppositie tegen de knevelmaatregelen mocht niet baten. Voortaan kon de gouverneur-generaal op eigen gezag repressief ingrijpen bij elke gelegenheid dat een artikel of een geschrift hem niet beviel. En tot in de twintigste eeuw zou het in Indië blijven wemelen van boetes, 'beroepsverboden', sluitingen van drukkerijen, gevangenisstraffen en zelfs uitwijzingen: drukpersvervolgingen in optima forma, kortom.Niettemin zou de Nederlandstalige Indische pers juist in de tweede helft van de negentiende eeuw tot ongekende bloei komen.'Hoe paradoxaal het ook moge klinken', schrijft Gerard Termorshuizen in zijn monumentale geschiedenis van de Indische dagbladpers, 'het was met de totstandkoming van het Drukpersreglement dat de Indische kranten de mogelijkheid kregen aangereikt hun vleugels uit te slaan. Met het reglement kreeg de pers haar kans zich te ontplooien tot een medium waarin nieuws en opinie zich verenigden. Bestond zij voordien uit een klein aantal (vooral) advertentieblaadjes, met het jaar 1857 zien we - naast het ontstaan van nieuwe kranten - dat deze zich ontwikkelden tot dikwijls nu ook in groter formaat uitkomende bladen, waarin de bespreking van politieke, economische en sociale vraagstukken steeds meer op de voorgrond trad. En al verschenen ook de grotere kranten in de eerste jaren niet meer dan tweemaal per week, al snel nam die verschijningsfrequentie toe, totdat zij zich aan het eind van de jaren zestig konden presenteren als echte, zes dagen per week verschijnende dagbladen.'Het ging in alle gevallen om wat we nu dorpskranten zouden noemen: per regio verschijnend op aanvankelijk vooral Java, en aangemaakt voor gemiddeld nooit veel meer dan zo'n duizend abonnees, die geografisch misschien nog ruim gespreid in wijde omtrekken, maar mentaal op een kluitje woonden. Allemaal blanke Europeanen tenslotte, ambtenaren, beroepsmilitairen, planters. Bij mekaar waren het er in die jaren tussen de dertig- en de veertigduizend: het inwonertal van een halfgrote Nederlandse stad, maar dan verstrooid over duizenden en duizenden vierkante kilometer tropen.Voor zulke mensen kon de krant de door Thorbecke aanbevolen functie vervullen: voertuig voor de omgang van de 'natie' met zichzelf. 'Natie' tussen aanhalingstekens uiteraard, want het handjevol blanken vormde niet meer dan een minieme minderheid te midden van miljoenen Indonesiërs.Maar wat hen betreft was het hun land, hun eigendom. Ook al genoten ze als Nederlanders in de archipel niet de rechten die ze thuis zouden hebben gehad, aangenomen dat ze daar de 'census' voor het actief of passief kiesrecht zouden hebben gehaald. In Indië waren ze, hoe dan ook, politiek volstrekt onmondig.En daar lag de andere rol die de krant kon spelen: de stem te zijn van een publieke opinie die geen andere uitlaat kende. De Indische redacteur kon functioneren als tolk van de tamelijk grote hoeveelheid gevoelens van onvrede die in de kolonie leefden. Er was de 'eeuwige' controverse over herendienst of vrije arbeid, de belangentegenstelling tussen gouvernement en bedrijfsleven. de ook in Den Haag telkens weer oplaaiende discussie over de 'Batig Slot'-politiek waarvan vooral het moederland profiteerde, de toenemende zorg over de geldverslindende, maar nauwelijks succesvolle campagnes tegen het rebelse Atjeh en ten slotte, in de jaren tachtig van de eeuw, een hardnekkige, wereldwijde landbouwcrisis die talloze planters op de rand van de financiële afgrond bracht.Termorshuizen schildert in twee breed opgezette hoofdstukken het politieke en maatschappelijke decor van die curieuze kleine koloniale samenleving, alvorens over te gaan tot de afzonderlijke bespreking van meer dan zeventig (!) kranten en krantjes die in de periode na 1850 een langer of korter, rijker of armzaliger, gedenkwaardiger of oninteressanter bestaan hebben geleid.Dat is het unieke aan z'n boek: dat het in feite een reusachtige, vermoedelijk ook volledige, beredeneerde catalogus is. Daar zijn wel een paar bedenkingen bij te maken. De volledigheid lijkt om te beginnen meer een kwestie van auteursambitie dan dat de lezer er werkelijk mee gebaat zou zijn; er hadden best een paar titels alleen maar genoteerd, in plaats van ook nog beschreven kunnen worden.Een tweede punt geldt Termorshuizens selectie als het op die beschrijving aankomt. Begrijpelijkerwijs besteedt hij veel aandacht aan de standpunten waarmee de verschillende dagbladen - lees de (hoofd)redacteuren die het in negen van de tien gevallen vrijwel alleen moesten opknappen - zichzelf politiek profileerden. Maar dat gaat ten koste van wat de kranten verder nog aan hun lezers te bieden hadden: het 'mengelwerk', de verstrooiing, de feuilletons, al datgene, met andere woorden, waarnaar de abonnee voor z'n lange, donkere tropenavonden vermoedelijk ook meer snakte dan naar de gewichtige hoofdartikelen.Termorshuizen maakt wel een aantal keren melding van het 'gezelligheidselement' dat de Indische lezer zo graag in z'n krant aantrof, maar in z'n catalogus komt hij nauwelijks met voorbeelden, terwijl die toch het nodige hadden kunnen verhelderen over de koloniale geest. Pieter Brooshooft, de zeer 'gepolitiseerde' redacteur van De Locomotief publiceerde in z'n krant de vaste rubriek 'Opwekkertjes': daar had ik er graag een paar van meegekregen.Een zwaarwegender ongerief komt voort uit de manier waarop Termorshuizen z'n boedelbeschrijving heeft ingedeeld: per krant (en per regio), en niet per redacteur. Dat heeft tot gevolg dat hun Indische carrières alleen maar verbrokkeld kunnen worden gelezen, ze wisselden tenslotte nogal eens van dagblad, of maakten gedurende een langere afwezigheid (een verlof in patria, bijvoorbeeld) tijdelijk plaats voor een vervanger. Nou is dat voor mindere goden - en die waren er genoeg - niet zo erg, maar als het om interessante figuren gaat (Lion, Tersteeg, Busken Huet, Daum, Brooshooft, om er een paar te noemen), is het nogal storend, en dat wordt er niet minder op door de herhaaldelijke vooruitwijzingen ('daar komen we nog op terug'; 'dat zien we later'; 'zoals nog zal blijken'), waar een mens op den duur enigszins dol van wordt. Met een iets slimmere structuur had Termorshuizen de lectuur van z'n boek aanzienlijk kunnen veraangenamen.Journalisten en heethoofden, noemde hij het. De heethoofdigheid ontleende hij aan een uitspraak die J.H. Tersteeg deed als redacteur van de Java-Bode: 'Het passeren van de linie maakt den meest bezadigden schrijver tot een heethoofd.' Die zachte variant op het begrip tropenkolder is misschien inderdaad van toepassing geweest op veel Indische dagbladschrijvers die de schrijfsels in hun journalistieke eenmanswinkeltjes graag pikant - en gemiddeld waarschijnlijk pikanter dan hun collega's in het moederland - opdienden.Bij het andere woord uit de titel kun je een vraagteken zetten. In hun onvoorstelbare schrijfdrift - hun tropenjaren moeten werkelijk dubbel hebben geteld - waren al die redacteuren opiniemakers, betogers, activisten, predikers, zeepkistredenaars en sowieso mannen met de brandende eerzucht om via hun kranten met Buitenzorg mee te regeren. Maar waren het eigenlijk wel journalisten?Het is jammer dat Termorshuizen zelfs geen poging heeft gedaan het begrip journalistiek - de basis tenslotte van z'n imposante onderzoekswerk - nader te definiëren. Uiteraard had hij alle bijzondere omstandigheden waaronder de Indische redacteuren hun krant moesten maken in aanmerking kunnen nemen: het feit dat ze er vrijwel alleen voorstonden, het vijandige overheidsklimaat, de gigantische afmetingen van het land waarover ze geacht werden te berichten, de fysieke onmogelijkheid om in die onafzienbare archipel werkelijk nieuws te garen.Maar dan nog. Zouden ze, bij iets meer armslag, een deel van hun verkondigersrol hebben willen inruilen voor een speurneuzenrol? Iets te eenvoudig, lijkt het, gaat Termorshuizen ervan uit dat ze journalisten mochten heten omdat ze nou eenmaal in een krant schreven. En op z'n minst zou hij het functioneren van bijvoorbeeld de Brits-Indische pers (waarnaar hij één keer verwijst, zonder nadere uitleg) hebben kunnen vergelijken met wat de Nederlanders deden - zodat een beeld was ontstaan van wat de Nederlandse redacteuren wellicht hadden kunnen doen, en wat ze in hun bespiegelingsvlijt wellicht hebben nagelaten.Maar dat moet op een dag iemand anders nog maar eens onderzoeken. Onder eerbiedige dankzegging aan de door Termorshuizen verrichte, onvolprezen archievenarbeid.