essay langs de lijn

Zo werd Sander Donkers een echte voetbalvader

Sander Donkers met zijn dochter Hannah op het veld van de Amsterdamse voetbalclub SDZ. Beeld Eva Roefs

Hij vond het niks, zo’n amateurvoetbalclub. Maar sinds Sander Donkers bij zijn dochter bij SDZ langs de lijn staat raakte hij er langzaam maar zeker aan gehecht. 

Ik mag graag vertellen dat mijn dochter en ik al samen voetbal keken toen ze net een week oud was. Olympique Lyon – Ajax (0-2), op een gehuurde tv in een ziekenhuiskamer, waar ze op mijn borst lag te vechten tegen een onduidelijke infectie die haar gevaarlijk hoge koorts bezorgde. Bange dagen, waarin ik opeens zag gebeuren hoe haar grote blauwe ogen gebiologeerd aan het scherm bleven haken, en heel even de onrust uit haar lijfje verdween.

Voetbal, het allereerste wat op deze wereld haar aandacht greep. Verleidelijk om daar achteraf een verhaal vol symboliek van te bakken. Maar ik weet ook wel: het was gewoon dat fel oplichtende groen. En die snel bewegende poppetjes. Ze kon nog nauwelijks scherp zien. Er stond helemaal niet in de sterren geschreven dat ze een voetbalmeisje zou worden. Zo’n verhaal is dit niet.

Mijn dochter Hannah kan lekker voetballen. Maar ze is geen Messi, en ook geen Lieke Martens. Ze heeft nooit urenlang een bal tegen een muurtje staan trappen om haar techniek te verbeteren. Zeker de laatste jaren kloppen andere verlokkingen des levens nogal nadrukkelijk op de deur. Ik, op mijn beurt, heb haar weliswaar blootgesteld aan honderden uren voetbal op tv, maar ik heb er nooit op aangedrongen dat ze bij een club zou gaan spelen.

Want zelf vond ik daar indertijd geen hol aan. Het heeft vast niet geholpen dat ik in mijn eerste week als speler van de SC Voorland de cruciale fout maakte om in de kleedkamer te vertellen dat mijn inderdaad vrij strakke onderbroekje door mijn moeder was aangeschaft op een markt in Italië, waarna ik op een club waar de grote witte tent nog de heersende mode was, bekend stond als ‘Donkers met z’n Italiaanse slipjes’. Maar ik had het sowieso niet lang uitgehouden in die hanige testosteronsfeer, waarin elkaar afzeiken de hoogste vorm van communicatie was. Toen mijn trainer me tijdens een wedstrijd de opdracht ‘Donkers, verdeel je eigen!’ toebrulde, liep ik in grote existentiële vertwijfeling het veld af, om nooit meer terug te keren.

Dat was mijn referentiekader toen Hannah kort voor haar 9de verjaardag aankondigde dat ze graag op voetbal wilde. Sport is goed, dus natúúrlijk. Maar ik was net zo lief langs het hockey- of atletiekveld gaan staan.

Omdat een aantal vriendinnetjes daar al zat, werd het een proefwedstrijd bij de Amsterdamse voetbalclub SDZ (Samenspel Doet Zegevieren), tegen jongere jongetjes die er wel tien inschopten, mede omdat alle meisjes stopten met rennen om een regenboog te bewonderen. Met meer geluk dan wijsheid frommelde mijn dochter er bij een zeldzame tegenaanval een eretreffer in, waarna ik langs de zijlijn werd besprongen door een dolgelukkige vader die ik helemaal niet kende.

En toen zaten ‘we’ dus op voetbal. Hannah op het veld, ik ernaast met een vlaggetje. Chauffeuren bij uitwedstrijden, broodjes kroket schuiven tijdens de kantinedienst, hand en span met pionnetjes en ballenzak. Het geluid van elf paar noppen op steen, de heerlijk muffe geur van de kleedkamer, trainingsvelden bij kunstlicht, dansende paardenstaartjes en krullenkopjes. Ik vond het allemaal prachtig.

Had SDZ in mijn voetbaltijd de reputatie een rouwdouwersclub te zijn, nu was het er bijna altijd heel gemoedelijk. En dat, zo begreep ik al snel, had weer alles te maken met de grote toestroom van meisjes. Het is een beetje een cliché dat zoiets een vereniging ‘zachter’ maakt, en natuurlijk is dat geen doel op zich, maar tal van trainers en andere clubmensen verzekerden me dat het toch zo is.

Beeld Eva Roefs

De meiden zitten vaak op school met jongens uit andere teams, ze voetballen op het schoolplein. Ze kijken naar elkaars wedstrijden. Mogelijk spelen er verliefdheden. Het lange tijd zo hardnekkige idee dat voetbal een mannenbastion hoort te zijn, is op clubs als SDZ echt wel uitgestorven.

Het is opvallend dat meisjes in de E’tjes en D’tjes vaak stoppen zodra er iemand valt of pijn heeft, en jongens niet. Maar dat onderscheid vervaagt met de jaren. En de jongens kijken wel uit met stoere praat dat meisjes er niks van kunnen, want ze weten dat er een kans bestaat dat ze door de besten van hen gedold worden. Of erger: van ze verliezen. Een genoegen dat mijn dochter één keer mocht smaken, in een onderling trainingspotje met een dramatisch scoreverloop. Het beeld van de verregende ventjes die na de beslissende 4-3 verslagen ineenzakten op het veld, is bij ons thuis nog lang gekoesterd.

Leerzaam was het ook, zowel voor Hannah als voor mij. Ik denk dat je nergens een zuiverder dwarsdoorsnede van de grote stad vindt dan bij een club als SDZ. Zwart en wit, hoog- en laagopgeleid, rijk en arm, man en vrouw; alles loopt er door elkaar. In de kantine strijden de gehaktbal en de frikandel met de broodjes kerriekip, in de stereo achter de bar wedijvert Hazes met R&B en Johnny Cash.

Hoewel ook die diversiteit nooit een doel op zich was, vond ik het een prettige bijkomstigheid. Op school vind je het niet zo snel. In winkelstraten lopen de verschillende groepen langs elkaar heen. Maar op de club ontstonden kruisverbanden die jaren later nog overeind staan.

Het is een broos geheel, en het ging niet altijd makkelijk. Ik ontdekte dat het meisjesvoetbal inmiddels zo’n hoge vlucht heeft genomen dat er vaders bestaan die hun eigen gefnuikte dromen van een profcarrière projecteren op hun dochters, en elke verkeerde pass of balaanname luidkeels becommentariëren. Andere ouders, onder wie ik, vinden ‘wat doe je nou, stomme dóós!’ dan weer niet zo’n fijne manier om een 11-jarige te stimuleren. Omdat je drie keer per week met elkaar langs het veld staat, moeten zulke meningsverschillen met enige diplomatie gemanaged worden. Dus hielden we het er uiteindelijk maar op dat ik een ‘pannekoek’ was.

Toch is het bijzonder om te merken hoe vanzelfsprekend verschillen vervagen als je een gezamenlijk doel hebt. Tijdens toernooien sliep ik in stapelbedden tussen oer-Amsterdamse en Marokkaanse vaders, in de appgroep overlegde ik in innige harmonie met zowel bakfiets- als hoofddoekmoeders. En het Surinaamse meisje dat al jaren tegenover ons woonde stond opeens ’s avonds voor de deur om te vragen of Hannah nog even een balletje kwam trappen.

In haar meest succesvolle seizoenen, waarin ze twee keer kampioen werd, speelde mijn dochter in een team dat voor meer dan de helft bestond uit meiden met een Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Egyptische achtergrond. Een leuk, mondig elftal, met een ambitieuze trainer. Voor Hannah was het in het begin flink aanpoten, en aan openlijke kritiek van trainers of teamgenoten was ze niet echt gewend. Vader in spagaat als er tranen vloeiden: stelde hij zich beschermend op, of moest ze het zelf maar uitzoeken? Gaandeweg koos ik meestal voor het laatste, en ik denk dat ze daar sterker van is geworden.

Het succes smeedde de teamgeest. Hoe hoger het elftal speelde, hoe verder we moesten reizen naar uitwedstrijden. Meestal werden we er vriendelijk onthaald, maar we maakten ook steeds vaker kennis met vijandigheid, waarvan je nooit goed wist of dat nou kwam omdat we Amsterdammers waren, of door de vele kleurtjes op de gezichten.

Beeld Eva Roefs

In Almere zag ik een hysterische trainer die zijn meisjes stond op te hitsen om gehakt te maken van ‘die yuppen’. Toen het al snel 0-3 stond, begon de scheidsrechter penalty’s uit te delen aan de thuisclub. Langs het veld deinsde een moeder er niet voor terug om mijn twaalfjarige oogappel uit te maken voor ‘kankerhoer’ – iets wat Hannah me godzijdank pas later vertelde. We eindigden schreeuwend, neus aan neus op het parkeerterrein, en het liep bijna uit op een massale vechtpartij.

In het oosten van het land speelden we het NK, een toernooi met alle afdelingskampioenen. Vijftien teams met blonde paardenstaartjes, en wij. Nadat we de poule op doelsaldo hadden gewonnen, bleken er andere, ongewone regels te gelden. ‘Fair play’ was opeens de doorslaggevende factor. En niet dat ons team ruw had gespeeld, maar we schreeuwden zo.

Een raar verhaal, waardoor we in de halve finale niet tegen een makkelijke opponent moesten, maar tegen Volendam, dat een aantal meisjes had opgesteld die zo te zien járen ouder waren. Met borsten en zo, en goedgevulde dijen. ‘Komt door de vis,’ zei een moeder toen ik daar een opmerking over maakte. En terwijl ik mijn kind bij elk fysiek contact meters door de lucht zag vliegen, dacht ik daar inwendig briesend het mijne van.

Ach ja: onrecht, ook al zo leerzaam. Je kunt er maar beter aan wennen dat voetbal nu eenmaal vaak het slechtste in de mens naar boven haalt, hoe stom dat ook is. Het was in elk geval heerlijk om op de terugweg met vier prepubers op de achterbank uitgebreid te bitchen over scheidsrechters en tegenstanders.

Nooit staken we daarbij trouwens de hand eens in eigen boezem. Wat best gekund had, want mijn dochter en haar teamgenoten waren soms strontvervelend en opvliegend in het veld, zeurden tegen de scheids, kakelden door de trainer heen of zaten verveeld in de dug-out hun Insta bij te werken. Zelf heb ik me, als de belangen groter werden, ook soms wat minder netjes gedragen. Er zijn dingen uit mijn mond gerold waar ik niet trots op ben. En heel misschien is mijn vlaggetje weleens de lucht ingegaan toen dat niet perse terecht was.

Na acht seizoenen werd de prettige routine van een voetbalzaterdag met mijn dochter doorbroken door een hardnekkige spierblessure. Als Hannah volgend jaar weer kan voetballen, zal dat in een team zijn dat de meeste dingen zelf regelt. Mijn rol is wel zo’n beetje uitgespeeld. Zoals dat hoort, hoe weemoedig het ook stemt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden