In BeeldSpitsbergen

Zes wetenschappers die op Spitsbergen wonen: ‘Het raakt je hoor, het is zo indrukwekkend’

Spitsbergen, dat klinkt naar Noordpool, en dus naar onbewoonbaar. In werkelijkheid wonen en werken in Longyearbyen en Ny-Ålesund wetenschappers van over de hele wereld. Fotograaf Marte Visser ging ernaartoe om een aantal van hen te portretteren.

Maarten Loonen Beeld Marte Visser

Maarten Loonen

Poolvos hier, gletsjer daar, en altijd de mogelijkheid van een naderende ijsbeer: een onherbergzame woestenij waar menselijke voetsporen nog een zeldzaamheid zijn. En daar zit je dan je boterhammen te eten. ‘Dat raakt je, hoor. Dat is zo indrukwekkend, dat is niet te vertellen.’

Natuurlijk, er is de opwarming. In de dertig jaar dat hij hier ’s zomers komt, heeft Maarten Loonen (59) het zien gebeuren. Vraag je hem specifiek dáárnaar, dan krijgt hij tranen in zijn ogen. Maar hoor je hem uit over Spitsbergen zelf, dan spat het enthousiasme eraf. Zelfs een brok gletsjer dat in zee stort, toch zo’n beetje het symbool van de klimaatcrisis: ‘Machtig mooi om te zien.’

Hij is vooral van de brandganzen, deze bioloog van Nederlands enige Arctisch Centrum (Rijksuniversiteit Groningen). Die behoren voorlopig tot de winnaars: hoe warmer het op Spitsbergen is, hoe meer ze te eten hebben tijdens het broedseizoen. Maar ook de poolvospopulatie is groeiende. Met dank aan de kuikentjes, vooral die van de late leg, met de kortste pootjes.

Daarnaast eist ook de mens zijn aandacht op, want hij is voorzitter van alle in Ny-Ålesund vertegenwoordigde instituten. Wat eerst een verlaten mijndorp was, is nu een onderzoekscentrum met wetenschappers van over de hele wereld. Niet alleen voor klimaatstudie, maar ook voor geopolitiek stratego. Loonens eigen jaarlijkse verblijf wordt veelzeggend genoeg door Buitenlandse Zaken gefinancierd.

Iedereen weet dan ook wie hij is, als hij op zijn oer-Hollandse klompen door Ny-Ålesund loopt. En toch is het niet dit mensenwereldje waarvoor hij jaar in jaar uit terugkomt. Het gaat hem om wat daarbuiten ligt, dat wat hij zijn speeltuin noemt. ‘Als jongetje wilde ik cowboy worden, nu loop ik met een geweer over de schouder door de wildernis.’ Inderdaad, zo blij als een kind.

Maarten Loonen .Beeld Marte Visser

Lena Håkansson

Als je al op je 12de de Noorse rotswanden beklom, dan ben je voor rauwe natuur en spannende uitdagingen gemaakt. Geoloog Lena Håkansson , van klimmeisje naar Spitsbergenbewoner. Al vier jaar woont ze permanent in Longyearbyen, het noordelijkste stadje van de planeet.

Het klimaat van toen, nu en straks, daar gaat het haar om. Ze gaat het ijs op om diepe boormonsters te nemen, klautert naar gletsjers om te bestuderen hoe die precies krimpen. ‘Ik kijk in het verre verleden om de toekomst te kunnen zien’, vat ze samen.

’s Zomers neemt ze studenten mee op veldwerk. Komen er ijsberen aan, dan moet ze zo’n hele groep zien te evacueren. Zo kalm mogelijk, want het hangt van haar af of er paniek uitbreekt. Ze houdt dan ook altijd de beste vluchtroute in de gaten.

Tot zover lijkt het Spitsbergense leven op het lijf geschreven van het klimmeisje van toen. Dat is ook zo, beaamt ze volmondig. ‘Maar tegelijkertijd raak ik steeds meer gefrustreerd.’ Want enerzijds ligt hier kennis voor het opscheppen die de mens kan voorbereiden op wat komt, maar anderzijds is diezelfde mens hier een schadelijke invasieve soort. ‘Ik denk dat we alleen moeten blijven als er echt meer kennis nodig is om ieders ogen te openen.’

Daar komt nog bij dat haar bewegingsvrijheid best klein is. Er moet altijd iemand mee als ze eropuit wil, want niemand mag hier in alleen de wildernis in. ‘En wat je allemaal niet moet doen om je te wapenen tegen de ijsberen en de kou!’

Dus hoe deze ruige streek ook bij haar past, eeuwig blijven zal ze niet. Trouwens: ‘Weer eens gewoon op de trein kunnen stappen met een goed boek, dat trekt me inmiddels ook wel weer.’

Lena Håkansson en Alexander Hovland.Beeld Marte Visser
Lena Håkansson: ‘Weer eens gewoon op de trein kunnen stappen met een goed boek, dat trekt me inmiddels ook wel weer.’Beeld Marte Visser

Simon L’orange 

Het leven is goed in het noordpoolgebied – in de jacuzzi met een biertje. Want dat is de favoriete vrijetijdsbesteding van Simon L’orange (26), misschien wel de toevalligste bewoner van Ny-Ålesund. Hij was net afgestudeerd en op zoek naar z’n eerste baan, toen er een vacature op Spitsbergen voorbijkwam. ‘Dat maar doen dan’, besloot hij.

De meest relaxte bewoner is hij wellicht ook. Mist hij de zon niet, tijdens de poolnacht? Nee hoor, hooguit is hij wat futlozer dan normaal. Vindt hij het leven daar niet zwaar? Welnee, de mensen overdrijven te snel, zo koud is het ook weer niet. En er liggen ook geen meters sneeuw, daarvoor waait het te hard.

L’orange, ondanks zijn naam een echte Noor, is niet van de pooldierbiologie of ijskapgeologie. Hij is van de machines. Gróte machines. Als technicus bij het geodetisch observatorium van Kartverket (de Noorse landmeetkundige autoriteit), zorgt hij voor het welbevinden van drie buitenmodel schotelantennes. Die zijn onderdeel van een wereldwijd netwerk dat onder andere de omwenteling van de aarde meet, belangrijk voor het goed functioneren van satellietnavigatie. En de twee nieuwste antennes zijn ook nog eens geschikt om nauwkeurig in kaart te brengen wat de klimaatcrisis met het aardoppervlak doet.

Gelukkig functioneert alle machinerie meestal prima. Dus is ook het werk best wel relaxed. Misschien wel wat té, zegt hij zelfs. ‘Wie weet breekt dat me in mijn verdere carrière op.’

Daartegenover staat dat hij zitting heeft in de jacuzzi-commissie. En per fiets naar zijn werk gaat, als het even kan. En vorige winter was hij de kerstman. Maar jagen, zoals thuis in Noorwegen, dat doet hij hier dan weer niet. ‘Geen lol aan, want je kan de ganzen bij wijze van spreken zó oppakken. Alles hier spaart z’n energie.’ Net als hijzelf, ja.

Simon L’orange: ‘Alles hier spaart z’n energie.’Beeld Marte Visser

Marije Jousma

’s Ochtends landen, ’s middags meteen schietles. Anders kreeg ze niet eens toegang tot dat land waar de ijsberen altijd hongerig zijn. ‘En stel je voor, soms tien uur lopen voor maar een half uurtje veldwerk. En dan ergens diep in de wildernis in een hutje overnachten, met om je heen alleen maar bergen en ijs – wauw.’

De twee maanden die biologiestudent Marije Jousma (24) op Spitsbergen woont, voelt ze zich een nietig mens in het Wilde Westen. Haar uitzicht alleen al, een fjord compleet met een hele reeks gletsjers, een zoetwatermeertje, voorbijkuierende rendieren, poolvossen op een huppeldrafje, en – ietwat dissonant wel – het gebouwtje van de plaatselijke kroeg.

Dat zoetwatermeer staat centraal in haar onderzoek. Ze tapte er afgepaste literpotten water vol microscopisch plankton, en ging vervolgens op zoek naar ganzenpoep. Inderdaad, op 2.864 kilometer benoorden Rijksuniversiteit Groningen liep deze student achter de ganzen aan om hun meest verse uitwerpselen te verzamelen. Daarvan deed ze uiteenlopende hoeveelheden in haar waterpotten, en het geheel zette ze op twee verschillende temperaturen. Het doel: kijken hoe het ecosysteem van zo’n poolmeertje verandert onder invloed van de opwarming en de bijbehorende Spitsbergense ganzenhausse. Want meer ganzen = meer poep = meer voedingsstoffen in het water. Hoe vaart het plankton daarbij?

Inmiddels is Jousma weer thuis, maar haar analyse is nog in volle gang. En, wil ze weer een keer terug naar de pool? ‘Heel graag.’ Is ze verslaafd geraakt, zoals anderen wel overkomt? Nee, dat niet. ‘Het leven daar is best lastig. Dat je alles lopend moet doen, bijvoorbeeld. En bovendien, de rest van de wereld is er ook nog.’

Marije Jousma.Beeld Marte Visser

Åshild Pedersen

Wonen op Spitsbergen is eigenlijk heel gewoon. Althans: ‘Je moet wel tegen de kou kunnen. En veel van de natuur houden. En robuust genoeg zijn voor de fysieke omstandigheden hier.’

Aldus Åshild Pedersen (50), rendierbioloog die haar hele gezin meesleepte naar Longyearbyen, en verbaasd is als mensen daar verbaasd over zijn. Want voor dochters Sigrid (14) en Synne (11) is het er ideaal. Die kunnen eropuit met ski en hondenslee, en dichterbij huis is er voetbal, paardrijden en les in circusacrobatiek. En ze zitten, samen met nog driehonderd andere kinderen, op de meest noordelijke school ter wereld – alwaar ze naast het reguliere curriculum ook nog leren hoe je een rendier moet villen.

Op Spitsbergen heerst op dit moment de poolnacht. Maar ook dat vindt Pedersen geen punt, zolang ze maar elk etmaal naar buiten gaat. ‘Echt, het is een heel conventioneel bestaan’, houdt ze vol, en ze lacht: ‘Ik heb me succesvol aangepast.’

Dat laatste is meteen een knipoog naar haar onderzoeksthema: de aanpassing van rendieren aan de klimaatverandering. Het Spitsbergense rendier is in Pedersens woorden niet meer dan ‘een uit de kluiten gewassen schaap’. En het beent de razendsnelle veranderingen niet bij. De kuddes aan de kust zitten in de knel, want over het ijs van graasland naar graasland trekken gaat niet meer. Die in het binnenland hebben het makkelijker, totdat de sneeuw wegregent, zoals tegenwoordig wel gebeurt. De nattigheid vriest onherroepelijk op, en dan is grazen er niet meer bij.

Afgezien van de opwarming hebben de rendieren geen echte natuurlijke vijanden, waardoor Pedersen heel dichtbij haar onderzoeksobject kan komen. ‘Geweldig, toch?’ Ook daarom zou ze graag altijd willen blijven – zij het dat haar man, die hier een tijdlang schipper was, ander werk in Noorwegen kreeg. In dat ene opzicht is de aanpassing dan toch niet helemaal gelukt.

Åshild Pedersen.Beeld Marte Visser

Geir Wing Gabrielsen

Dat Geir Wing Gabrielsen zijn tweede voornaam daadwerkelijk gebruikt, is geen snobisme. Voor hem is die toevallige verwijzing naar het Engelse ‘vleugel’ een cadeautje, alsof hij voor de vogels in de wieg is gelegd. En dat klopt ook wel, want het Noorse vissersplaatsje waar hij opgroeide stikte ervan. Daar begon de liefde die hem al 33 zomers naar Spitsbergen heeft gevoerd.

Hij is 64 jaar, maar wil nog minstens vijf jaar door. ‘Ik heb nog zoveel te doen!’, roept hij uit. Daar komt bij dat zijn jaarlijkse verblijf in Ny-Ålesund best comfortabel is. ‘Je eten wordt opgediend in de kantine, je bed wordt verschoond door huishoudpersoneel, en elke zaterdagavond is er een goed diner.’ De ontberingen van Spitsbergen-ontdekker Willem Barentsz zijn lang vervlogen.

Als hoofd-toxicoloog van het Noorse Pool Instituut houdt Gabrielsen bij hoeveel industriële rommel de vogels van het Hoge Noorden binnendringt – samengevat: enorm veel – en wat dat fysiologisch met ze doet. Wat betekent dat hij moet onderzoeken hoeveel plastic in hun magen terechtkomt en hoeveel gifstoffen in hun bloed.

Daarvoor stapt hij in een bootje, gaat op weg naar zo’n typisch broedvogeleilandje, vaart daar eerst omheen om te kijken of er geen ijsberen zitten, en gaat aan land voor het wetenschappelijke handwerk. Bijvoorbeeld eiderganzen vangen om bloedmonsters af te nemen. Of stormvogelkadavers opensnijden om ingeslikte plasticdeeltjes te tellen.

‘In dat opzicht is mijn leven als vogelwetenschapper niet zo romantisch, nee.’

Tegelijkertijd is hij nog steeds vol verwondering over wat een prachtbeesten vogels zijn. Neem die tienduizenden broedende kortbekzeekoeten, na een  waanzinnige stormnacht bedolven onder een dik pak sneeuw. Allemaal gecrepeerd, dacht hij. Tot hij een paar smelt-uren later de eerste zwarte kopjes doodgemoedereerd boven het wit uit zag komen steken. ‘Erg grappig ja. Maar ook héél indrukwekkend.’

Geir Wing Gabrielsen: ‘Heel romantisch is mijn leven als vogelwetenschapper niet.’Beeld Marte Visser
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden