Essay Het geheim van vrouwenvoetbal

Waarom vrouwenvoetbal het nieuwe mannenvoetbal is

Beeld Anna Kiosse

Vrouwen voetballen zoals het ooit is bedoeld, ­constateert voetballiefhebber en sportjournalist Bert Wagendorp. Het spelplezier werkt aanstekelijk, maar is de sport niet op weg naar verzakelijking?

Mijn jongere broer Arjen (in zijn tijd een genadeloze voorstopper bij CVVO Lemmer) had jarenlang een ­seizoenkaart bij Vitesse. Tot hij opeens geen zin meer had in het gescheld op de tribunes en het ‘stierlijk vervelende voetbal’ dat hij elke week kreeg voorgeschoteld. ‘Daar kon ik niet meer tegen.’

Tijdens het EK voetbal voor vrouwen van 2017 belde hij me op. Hij was naar de kwartfinale Nederland – Zweden geweest, op de Vijverberg in Doetinchem (‘Fantastisch’) en hij had ook kaartjes voor de halve finale tegen Engeland in Enschede (‘Fantastisch’). De kaartjes voor de finale waren, zei hij, al uitverkocht (‘Jammer’).

Er was iets gebeurd wat ik niet had voorzien: mijn broer was liefhebber geworden van vrouwenvoetbal – als hij zich had bekeerd tot de islam was ik niet verbaasder ­geweest.

Mijn zus Mirjam speelde enige seizoenen als hardwerkende middenvelder in het vrouwenelftal van Floreant in Boskoop. Tegenwoordig kijkt ze weleens naar een ­mannenwedstrijd – althans, het eerste kwartier. Daarna haakt ze af. Maar een wedstrijd van het Nederlands ­vrouwenelftal kijkt ze met gemak en veel plezier uit. En, nog krasser, haar vrouw Crista, die nooit veel met voetbal ophad, kijkt mee en begrijpt buitenspel.

Dus toen het Magazine iemand zocht die een verhaal kon schrijven over het thema ‘Waarom vallen we allemaal voor het vrouwenvoetbal? (Fuck de haters)’ was ik daarvoor de aangewezen persoon. Zelf was ik eerlijk gezegd nog niet voor het vrouwenvoetbal gevallen, al hoorde ik ook niet bij de haters. Het tweede verhaal dat ik als sportjournalist voor de Volkskrant schreef, was een wedstrijdverslag van de vrouweninterland Nederland – Noorwegen, de kwartfinale van het EK voetbal, op 7 november 1988 in Rijsoord (0-3). Ik stond nog laag in de pikorde op de sportredactie en er was niemand anders die zich geroepen voelde. Zo was het toen nog.

Nu is alles anders. Willem Vissers, eerste voetbalman op de Volkskrant-sportredactie, is een vurig pleitbezorger van het vrouwenvoetbal. De KNVB telt vier keer zoveel vrouwen onder haar leden als in 1988, het percentage steeg van 4 naar 16 procent. Vrouwenvoetbal is al jaren de snelst groeiende sport van het land. In 1988 was het ondenkbaar dat een vrouweninterland live op tv kwam, in 2017 trok de ­finale van het EK ruim 4 miljoen kijkers, evenveel als bij de grote Europese wedstrijden van Ajax.

De Nederlandse vrouwen voetballen in 2019 ook ongeveer vier keer zo goed als in 1988 – al zijn zulke dingen moeilijk exact te meten. In 1988 bereikte Nederland door het kansloze verlies tegen Noorwegen de laatste vier van het EK niet, nu geldt Europees kampioen Nederland als een van de favorieten voor het WK in Frankrijk. Je voelt op je klompen dat het wereldkampioenschap hét sportevenement van komende zomer gaat worden. Had ik dat in 1988 voorspeld, dan was ik streng toegesproken door de toenmalige chef-sport Ben de Graaf en vermoedelijk op staande voet ontslagen wegens hallucinaties.

Maar goed, de vraag die hier beantwoord moet worden luidt dus waarom we allemaal vallen voor het vrouwenvoetbal (fuck de haters).

‘Veel meer spel’, vat mijn broer samen. ‘Er is meer ruimte op het veld en dat maakt het leuker.’

‘Ze hebben lol’, zegt mijn zus. ‘Je ziet dat ze plezier hebben. Je voelt de binding die de spelers met elkaar hebben. Het zijn niet allemaal van die egootjes, zoals bij de mannen. Dat maakt het voor mij leuker om naar te kijken.’

Mijn broer: ‘Het is allemaal positiever. Ook op de tribune. Iemand maakt een vreselijke blunder, maar herstelt die zelf: klaterend applaus. Je ziet ook veel minder overtredingen.’ Hij constateert een groot verschil in publiek. ‘Veel ­vaders en moeders met dochters, veel kinderen. Toen ze tegen Mexico moesten was ik er met een vriend, wij voelden ons een beetje als twee vieze oude mannen. Er heerst een heel andere beleving. Er wordt vaak op vreemde ­momenten gejuicht en als ze eenmaal de wave inzetten, houdt het niet meer op. Dat is wel irritant.’

Mijn zus: ‘Het is niet zo gepolijst, zo zakelijk als bij de mannen. En je ziet tenminste ook nog eens een knullige actie, waardoor ineens de hele wedstrijd kantelt. Het is ­onvoorspelbaarder.’

Beeld Anna Kiosse

‘Die grote ernst van het mannenvoetbal, die verbetenheid, die ontbreekt’, zegt Crista. ‘Er wordt veel meer gelachen.’ En, ten teken dat haar inzicht in de voetbalsport fors is toegenomen: ‘Wat je ook ziet bij die jonge jongens van Ajax: het plezier. Dat vindt iedereen toch ook bijzonder?’

Mijn broer: ‘Die wedstrijden van Oranje zijn voetbal­feestjes.’

‘In het vrouwenvoetbal wordt meer gespeeld volgens de oorspronkelijke bedoeling van het spel’, zegt Vera Pauw (‘Ik leef vrouwenvoetbal’), tegenwoordig adviseur van de Thaise voetbalbond, veelvoudig Nederlands international, ooit de eerste Nederlandse vrouwelijke voetbalprof en voormalig bondscoach van Oranje. Je mag haar gerust de grondlegger van de huidige successen noemen.

Pauw snijdt iets essentieels aan: de oorspronkelijke bedoeling van het spel. Die bedoeling zit in het woord ‘spel’ ingebakken. Bij spel hoort plezier, namelijk spelplezier.

Pauws woorden verwijzen naar het boek Homo ludens van Johan Huizinga, de wereldberoemde historicus, filosoof en antropoloog die in 1938 baanbrekend schreef over de spelende mens, wat leidde tot een wereldwijde bestseller die nog altijd de basis vormt voor alle filosofische gedachten over spel en sport die sindsdien zijn geformuleerd. Homo ludens gaat niet alleen over de spelende mens in de sport, Huizinga ziet het spelelement overal terug. Maar de sport komt in het boek ruim aan bod.

Beeld Anna Kiosse

Huizinga constateerde al in 1938 een ‘verernstiging’ van de sport, die het spelelement in gevaar brengt. ‘Nu gaat met de steeds toenemende systematisering en disciplinering van het spel op den duur iets van het zuivere spelgehalte verloren.’ De belangrijkste oorzaak van die ontwikkeling, volgens Huizinga: de professionalisering van de sport. ‘De houding van de professional is niet meer die van het spel, het spontane en zorgeloze gaat niet meer op. Gaandeweg verwijdert zich in de moderne maatschappij de sport uit de zuivere spelsferen.’ Wie van spel zijn beroep heeft gemaakt, is opgehouden speler te zijn, verklaart de geleerde, en niet langer een ‘spelende, vrije mens’.

Dat het voetbalspel tegenwoordig nog veel ernstiger is geworden dan in Huizinga’s tijd, kun je bijna elke avond zien aan de tafels met gewichtig pratende en kijkende mannen op televisie, de ‘analisten’.

Of dat nog steeds is te wijten aan de professionalisering, valt te betwijfelen. Ook in de kleedkamer van een vierdeklasser bij de amateurs staat tegenwoordig een trainer bloedserieus tactisch te oreren en wie lacht staat reserve. Ook junioren worden steeds jonger opgevoed in de ernst van het spel.

Maar de vrouwen van Oranje hebben dus het spelelement en het spelplezier weten te bewaren. Terwijl ze toch allemaal prof zijn – van de selectie van 23 spelers van bondscoach Sarina Wiegman spelen er 16 bij grote buitenlandse profclubs. Niet voor miljoenensalarissen, van Frenkie de Jongs jaarinkomen bij Barcelona (16 miljoen euro, nog ­afgezien van premies) kun je met gemak alle betaald voetbalsters van Nederland een paar seizoenen riant onderhouden. Maar niettemin, geld speelt ook in het vrouwenvoetbal inmiddels een belangrijke rol. Het spelplezier dat Oranje uitstraalt, moet dus nog een andere oorzaak hebben.

In de voetbalfilosofie van Vera Pauw is ‘vrijheid’ een belangrijk woord, overigens wel naast ‘verantwoordelijkheid’. Dat idee is ook onder Wiegman nog leidend.

Wat maakt het Ajax van Erik ten Hag zo leuk om naar te kijken? Ten Hag is een tacticus die beseft dat je spelers vrijheid moet geven binnen de strenge tactische concepten, om het uiterste uit een elftal te halen. Zonder vrijheid geen creativiteit, zonder creativiteit geen kijkplezier. De toeschouwer is sinds 1938 minder veranderd dan het spel zelf: hij ziet graag het spel zoals het oorspronkelijk is bedoeld. Op het veld wil hij de spelende, vrije mens herkennen die ook nog diep verborgen zit in zijn eigen ziel.

Ik vermoed dat daarin de verklaring schuilt voor het succes en de populariteit van de Oranjevrouwen (en van Ajax dus), ook bij de niet-traditionele voetbalkijkers.

Vera Pauw pleit ervoor die kracht te beschermen. Om het spel in vrijheid te kunnen beoefenen, is bijvoorbeeld het respecteren van de spelregels essentieel. Dat is ook wat Pauw haar speelsters altijd op het hart heeft gedrukt. ­Sportiviteit is geen te prijzen ­eigenschap, het is normaal. Pauw: ‘Je ziet in het vrouwenvoetbal minder pogingen tot manipulatie; van de ­tegenstander, de scheidsrechter of het publiek.’

Het is de vraag hoe lang het vrouwenvoetbal haar vrolijke vrije karakter kan behouden. De professionalisering zal doorgaan, en daarmee de nadruk op winnen. Dat zal dan de ‘volwassenwording’ worden genoemd, met ‘nuttige overtredingen’ en al. Pauw: ‘Je zag bij ons eigenlijk nooit dat speelsters tegen de scheidsrechter zeuren, maar in de halve finale van de Champions League, tussen Manchester City en Olympique Lyonnais, zag ik dat laatst wel, bij elke ­beslissing van de scheidsrechter, ook als die correct was. Die geintjes sluipen er toch in, ook de vrouwen worden beïnvloed door het gedrag van veel mannenploegen.’

Niets mannelijks is de vrouwelijke voetballer vreemd. Wanneer het vrouwenvoetbal zijn huidige ontwikkeling voortzet, ook in tactisch opzicht, zal een deel van de vrijheid van de speelsters worden opgeofferd aan het ‘systeem’ en het heilige resultaat, je hoeft geen Johan Derksen te heten om dat veilig te kunnen voorspellen.

Zo beschouwd en met een licht-pessimistische inslag zou je het leuke, spontane en vrolijke spel van de vrouwen als een tussenfase kunnen zien – geniet ervan zo lang het nog kan, straks komt er een Louise van Gaal aan het roer die ‘de poppetjes op hun plaats zet’, iedereen laat spelen ‘binnen haar taak’ en die ­efficiëntie eist.

Pauw is het niet eens met die analyse. ‘Bij de toplanden wordt al zo gecoacht. Daar zit het verlies van het spe­l­plezier ook niet in. Dat verdwijnt pas wanneer speelsters zichzelf of hun marktwaarde belangrijker gaan vinden dan het team.’

Beeld Anna Kiosse

Eén verschil zal altijd blijven bestaan, dat van de fysieke kracht van mannen en vrouwen. Er zijn zelfs mensen die beweren dat vrouwen- en mannenvoetbal daardoor eigenlijk twee verschillende sporten zijn. Is bij mannen fysieke kracht vaak doorslaggevend, bij de vrouwen zou het meer aankomen op techniek en combinatievermogen – en dat zou het kijkplezier ten goede komen.

Flauwekul, vindt Pauw. ‘Ajax, Barcelona en Manchester City zijn ook beter vanwege hun techniek en combinatievermogen, niet vanwege hun kracht. Er zit geen verschil in!’

Toch vind ik de vrouwelijke variant van volleybal leuker om naar te kijken dan de mannelijke, en dat geldt ook voor tennis, zeg ik tegen Pauw. Dat heeft ook te maken met het verschil in kracht tussen mannen en vrouwen: de rally’s zijn langer, de moordende klap is minder doorslaggevend.

Pauw: ‘Ik kijk in alle sporten liever naar de vrouwen­wedstrijden, maar ik dacht dat dat kwam doordat ik een vrouw ben.’

Beeld Anna Kiosse

Wat haar trouwens is opgevallen: naarmate de ene tak van vrouwensport populairder wordt en meer voor het voetlicht wordt gebracht, gaat dat ten koste van een andere tak. ‘Nu vrouwenvoetbal immens populair is geworden, zie je dat er minder aandacht is voor het vrouwenwielrennen. Zenden ze de laatste tien seconden uit. Dat is niet uitzonderlijk, in Amerika gebeurde hetzelfde met honkbal en basketbal. Dat is vreemd, maar het is zo. Het is net alsof de mannelijke dominantie in de sport wordt beschermd. Vrouwenvoetbal wordt populairder, dan maar wat minder wielrennen.’

Natuurlijk is voetbal ooit door mannen bedacht en was het bedoeld als sport voor mannen. Je zou daaruit zelfs heel ­eigentijds kunnen concluderen dat vrouwelijke voetballers geacht worden te voldoen aan mannelijke normen, dat dat een typisch voorbeeld is van mannelijke dominantie en een seksistische schande, en dat het daarom voor de hand zou liggen een vrouwelijke variant bedenken, aangepast aan het vrouwelijke fysieke vermogen. Die voorstellen zijn er ook wel geweest: kleinere velden, kleinere doelen.

Van deze plannen moet Vera Pauw niets hebben. Zij heeft er een vast antwoord op: ‘Er zit geen voetbalgen op het Y-chromosoom.’

‘Het is gewoon dezelfde sport als mannenvoetbal. We komen kwalitatief ook steeds dichterbij. De WK-statistieken van de mannen en die van de vrouwen verschillen amper. Alleen is er bij de mannen in de breedte meer kwaliteit. Maar je moet dus niet de doelen kleiner maken, maar de coaches van de keepsters beter.’

Dat was me inderdaad ook al opgevallen: keepsters zijn in het vrouwenvoetbal bijna per definitie de achilleshiel van het elftal.

Ter relativering: we vallen allemaal voor het vrouwenvoetbal (fuck de haters), maar dat geldt wel alleen voor het voetbal van de Oranjevrouwen. Het enthousiasme is volledig gebaseerd op de prestaties van het Nederlands elftal. Met het Nederlandse vrouwen-clubvoetbal blijft het behelpen: een armlastige competitie van negen clubs die amper publiek trekt: kennelijk hebben de Oranjefans bij club­wedstrijden wel wat beters te doen dan de wave inzetten.

De populariteit van het mannenvoetbal heeft twee stevige pijlers, Oranje en de clubs, die van het vrouwenvoetbal rust voorlopig nog louter op het nationale elftal. Dat is een wankele basis, zeker gezien het tamelijk opportunistische juichpubliek rond Oranje, zowel bij de mannen als de vrouwen. Met een tegenvallend WK kan het zomaar weer gedaan zijn met alle euforie en valt er niemand meer voor het vrouwenvoetbal en gaan de haters ‘fuck’ terugroepen.

Maar de kans dat de populariteit van het vrouwenvoetbal komende zomer nieuwe toppen zal bereiken, lijkt voorlopig groter. Mijn broer heeft er een hard hoofd in, maar Vera Pauw niet: ‘Oranje kan zeker wereldkampioen ­worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden