de gids smalltalk in de kroeg

Vijf jaar lang maakte Gidi een praatje met een stamgast, en vijf jaar lang was dat de moeite waard

Wat is het genoegen van een kort maar krachtig gesprek met een onbekende? Verslaggever Gidi Heesakkers ging vijf jaar lang elke week naar een café om met een vaste gast over zijn (of, in een enkel geval, haar) leven te praten. 

Gert en Gidi, Het Weerbericht, Utrecht. Beeld Gidi Heesakkers

Op het terras van café ’t Haantje in Nijmegen zat maar één man bier te drinken, in een dun streepje zon. Emiel vertelde eerst over biljartclub Het Zwijntje en even later over een val tegen de stoeprand, met hersenletsel tot gevolg. Zijn langetermijngeheugen is door het ongeluk goeddeels gewist. Daardoor is hij nog meer in het moment gaan leven, zei Emiel. Een mooie dag wordt op een dag misschien vergeten, maar het was wél een mooie dag.

Het laatste rondje

Vijf jaar lang ging journalist Gidi Heesakkers elke week naar een ander bruin café, om met een vaste gast over zijn (en soms haar) leven te praten. Deze zomer stopt ze met de rubriek Stamgasten op de Volkskrant-achterpagina Dag In Dag Uit, in ieder geval voor een tijdje. Ze blikt terug op een dertien ontmoetingen die haar zijn bijgebleven.

Voor de rubriek Stamgasten in de Volkskrant ging ik vijf jaar lang elke week ergens in Nederland naar een café om een praatje te maken met een vaste gast als Emiel. De gesprekken duurden bijna nooit langer dan een half uur. Het werden miniatuurtjes voor Dag In Dag Uit, de achterpagina van de Volkskrant. Het werden dierbare herinneringen bovendien.

Gert, 't Scheepje, Harmelen. Beeld Gidi Heesakkers

Soms zit ik op de fiets of op de wc en denk ik ineens terug aan een ontmoeting, of er flitst een uitspraak van een stamgast door mijn hoofd. Bijvoorbeeld van Marc, de eerste die ik voor de rubriek sprak, in café Derat in Utrecht. ‘In het leven balanceer je op die scherpe rand tussen fatsoenlijke meneer en totale idioot.’

Of van Evert (Zeezicht, Breda), die vertelde over zijn scheiding: ‘In 1997 hebben we elkaar een stukje respect naar het leven toe gegeven, zoals ik dat noem. We wilden geen gevangenen van elkaar worden, daarvoor heeft het leven te veel te bieden.’ Riny (’t Paleis, Nijmegen), die geen relatie had maar wel al achttien jaar ‘een neukvriendje’, zoals hij het noemde: ‘Mijn neukvriendje heb ik leren kennen in een kroeg waar het elke zondagavond happy hour was. Hartstikke gezellig. Ik kende de eigenaren en ging rond met hapjes. Hij nam een blokje kaas met augurk. Een zondag later is hij voor het eerst met me mee naar huis gegaan. Sindsdien ontmoeten we elkaar twee keer per maand. Zijn vriend – hij heeft een relatie, maar geen seksuele – weet ervan.’

Ook met Harry (Metropole, Arnhem) zat ik binnen een kwartier in een openhartig gesprek over seks. ‘De beste seks heb je niet met je partner, hoor. Met je partner komt er vlug respect bij kijken, als je begrijpt wat ik bedoel. Met een onenightstand is het hatseflatsen. Ik heb een keer midden op straat liggen krikken. Er liepen mensen voorbij en allebei hadden we daar schijt aan. Zoiets heb ik met mijn partner nooit gedaan. Tederheid heeft ook wat, maar als je mij vraagt wat ik prefereer, nou, dan doe mij dat hatseflatsen maar.’

Joukje, Koffiehuis Oranje, Arnhem. Beeld Gidi Heesakkers

Hoe kwamen we hier zo gauw terecht? Via smalltalk. Hoe lang kom je hier al, vroeg ik meestal eerst, hoe kwam je destijds in dit café terecht? Waarom ben je blijven komen, waarom juist hier? Vervolgens probeerde ik een beeld te krijgen van iemands bezigheden: wat heb je vandaag gedaan, hoe ziet deze week eruit? In Harry’s geval kwamen we daardoor al gauw te spreken over de chronische rugpijn die al jaren over zijn dagen regeert, en zijn grote vrees om op een dag verlamd te raken en afhankelijk te worden van anderen. Van wie zou je afhankelijk worden, vroeg ik, leef je met iemand samen? En nou ja, van de liefde was het nog maar een kleine stap naar hatseflatsen.

‘In de kroeg moet je niet over politiek praten’, zei Betty (De Biergriet, Amsterdam), ‘dan wordt het al snel ongezellig.’ Niet eens voor de gezelligheid hield ik het liever bij het dagelijks leven, de persoonlijke wereld los van de actualiteit. Vaker dan over seks gingen de gesprekken over kleine en grote teleurstellingen, iets kwijtraken en doorgaan: het verlies van werk, van een dierbare, van zin in het leven. Eddy (’t Moortgat, Arnhem) en Hans (De Drie Sterren, Demen) vertelden over hun worsteling met depressieve gevoelens, Pia (Derat, Utrecht) deelde het verdriet over haar man die naar een tehuis moest, Willy (De Bóbbel, Maastricht) over zijn vrouw die na een samenzijn van zestig jaar overleed en Frans (De Gekeerde Kanis, Kanis) over zijn moeder, en hoe hij na haar dood met zijn twee broers in het ouderlijk huis bleef wonen. 

Jacob (Sligting, Overveen) dacht lang dat het café niets voor hem was – een misverstand. Zo’n dranklokaal is voor eenzame mensen, had zijn moeder hem als kind wijsgemaakt, een verzamelplaats voor trieste gevallen. Toen hij als laatbloeier het caféleven ontdekte, zag hij dat het anders in elkaar stak: de mensen spraken met elkaar, ze lachten, hadden het gezellig. Als ze al eenzaam waren of een mindere tijd doormaakten, waren ze in ieder geval niet geneigd bij de pakken neer te zitten, of zich achter de geraniums te laten opsluiten.

Kunstenaar Roel (Les Vedettes, Bergen op Zoom) gruwelde van ouder worden en oudere mensen – hij was zelf 54 jaar toen ik hem in 2014 sprak. Het café stelde hem in staat zich te omringen met de eeuwige jeugd. ‘Mensen van mijn leeftijd zijn niet van de bank te krijgen’, zei hij. ‘Ik vind ze doods. Fantasieloos. Suf. Lelijk. Ietwat debiel. Jongeren hebben ambities en dromen die nog niet aan diggelen zijn. Ze zijn eigenwijzer. Ik hou van eigenwijze, arrogante mensen. Het doemscenario is dat ik me op een gegeven moment niet meer bij sprankelende, jonge mensen kan aansluiten.’ Het ergste aan oud worden vond Roel geïsoleerd raken van het sprankelender leven.

Frans, De Gekeerde Kanis, Kanis. Beeld Gidi Heesakkers

Het is de gemene deler van de uiteenlopende types die ik trof: aan de toog houden ze de moed erin. Jet (Hotel van der Werff, Schiermonnikoog), bij een kop koffie met ernaast een Claercampster Cloosterbitter: ‘Ik doe eigenlijk alles omdat het moet. Ik straal levenslust uit, maar denk dat ik het vroeger meer voelde. Laat ik het zo zeggen: ik heb geen zin, maar ook geen tegenzin. Ik ben behept met een behoorlijke hoeveelheid zelfspot. Met humor afstand kunnen nemen van jezelf houdt een mens op de been. Als ik met die blik om me heen kijk, zie ik dat ik niet moet zitten zeuren.’

Ze waren timmerman, ict-medewerker, advocaat, beveiliger, beveiliger én paragnost, hovenier, ex-crimineel, ambtenaar, mollenvanger en gepensioneerd Frank Sinatra-imitator. En bijna allemaal genegen om na wat inleidend gekeuvel iets persoonlijks prijs te geven aan iemand die ze nog nooit hadden gezien, en die daar week in week uit vrolijk van werd. 

Zodra ik me voorstelde als journalist van de Volkskrant en in de interviewsetting belandde, opname-apparaat aan en lullen maar, had ik alle reden om de ene na de andere vraag op iemand af te vuren. Zonder dat excuus had ik vast vaak zélf vragen gekregen, om te beginnen met deze: ‘Ben jij journalist of zo?’ Maar de ervaring leert dat veel mensen het heerlijk vinden om over zichzelf te praten en hun leven een verhaal te laten zijn. Je hoeft als doorvrager geen journalist te zijn, denk ik, alleen maar benieuwd en oprecht geïnteresseerd. 

Cor, Ome Ko, Muiden. Beeld Gidi Heesakkers

Ongetwijfeld hielp het in sommige gevallen dat ik een jonge vrouw ben, met in de meeste bruine kroegen toch vooral oudere en oude mannen aan de bar. Vertederend haast hoe iedereen zijn best doet om niet gek op te kijken als er op vrijdagmiddag opeens een vreemde vrouw van eind twintig in haar eentje het dorpscafé binnenstapt.

Wat ter tafel kwam was lang niet altijd even interessant, maar dat lag besloten in de aard van de rubriek, maakte ik mezelf wijs; het bleven toevalstreffers. Sommige mensen stellen zich niet zo gemakkelijk open. Soms was ik zelf slecht gehumeurd of moe en stelde ik niet de juiste vragen. Soms ging het over de meest onbenullige gewoonten, over wat iemand al jaren op zijn boterham doet. Een beeld schetsen van de mens en zijn hang naar vastigheid, ook goed.

‘Vrijdagavond ga ik meestal eten bij mijn zoon in Berlicum’, zei Rien (Het Groene Woud, Liempde). ‘Daarna gaan we winkelen. Vroeger had ik daar een hekel aan, nu kijk ik uit naar die vrijdagavonden. Als mijn vrouw wilde winkelen, ging ik wel mee, maar bleef ik vaak in de auto zitten. Mijn buurvrouw is ook alleen. Met haar ga ik soms naar de Nettorama in Geldrop. Dat is best een eind weg ja, maar daarvoor doen we het juist. Dan zijn we er een halve dag uit, gezellig.’

Bijna altijd beloofde ik nog eens langs te komen als ik weer in de buurt was, bijna nooit zag ik een stamgast een tweede keer. De Utrechters kom ik in mijn woonplaats soms tegen in de supermarkt of aan de bar, Geert (Het Weerbericht, Utrecht) heeft een keer heerlijk voor mij gekookt. Harry, die van het hatseflatsen, nodigde mij en een Arnhemse vriend uit voor een Indonesische rijsttafel. Die heb ik nog tegoed, hoop ik.

Talitha, De Werf, Amsterdam. Beeld Gidi Heesakkers

Deze zomer stop ik met de rubriek, in ieder geval voor nu. Weg excuus om op een doordeweekse dag 223 kilometer af te leggen voor café ’t Zielhoes in Noordpolderzijl (ga naar café ’t Zielhoes in Noordpolderzijl!), of om onderweg van Antwerpen naar huis een tussenstop te maken in het gehucht Calfven. Maar ook: weg excuus om enkel met een artikeltje als excuus naar een onbekend café te gaan in een onbekend dorp, om wezenlijk contact te maken met een onbekende die ook maar het beste van het leven probeert te maken. En: tijd om naar de leukste cafés terug te keren en eens te horen hoe het ervoor staat met de balans tussen fatsoenlijke meneer en totale idioot, met neukvriendjes en het sprankelender leven.

’t Haantje in Nijmegen is zo’n plek. Na mijn gesprek met Emiel over de dingen die hij zich wel en niet kon heugen stapte ik de snackbar op de hoek binnen, waar planten in mayonaise-emmers en scheef hangende levensmottokunst aan de muur de sfeer bepaalden. Een felroze bloem op een grijze steen, en daar overheen in sierletters: every day may not be good... but there’s something good in every day. Het was een zondag om te onthouden. Of gewoon: een mooie dag.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden