Mijn zomer van toen Bart Dirks in Sicilië

Verslaggever Bart Dirks reist terug naar het Italië van zijn penvriend. ‘De duizend-dollar-vraag is: waarom is er toen niks gebeurd tussen ons in dat hotel in Palermo?’

Angelo, Bart en Marjolein, Sicilië 1990. Beeld Bart Dirks

Ruim dertig jaar na zijn eerste brief gaat Volkskrant-verslaggever Bart Dirks terug naar het Sicilië van zijn penvriend Angelo. Net als in 1990 hult de Etna zich in de mist. De zoektocht naar een Italiaanse zomerliefde.

Het is jammer dat we vandaag de Etna niet kunnen zien. De vulkaan houdt zijn rauwe schoonheid liever voor zichzelf, net zoals in 1990 en 1993. Op weg naar Rifugio Citelli, een pleisterplaats op 1.741 meter aan de noordoostelijke flank, geven de wolken en mistflarden slechts details prijs van de witte berken en de zwarte lavavelden. Wolken, regen, kou – dat is de Etna voor mij sinds ik op mijn 17de met de trein naar mijn Italiaanse penvriend Angelo ging.

‘Ietsù ah piètie zhàt vie ken not see mounthe Étna todáááy’ – met een prachtig Italiaans accent sprak Angelo’s vader, leraar Engels, zijn teleurstelling uit. Die lange, hete zomer van 1990 chauffeerde hij ons naar kraters, barokke stadjes en lavastrandjes – je kon er onmogelijk op je badlaken liggen, gaf Angelo toe, maar het was er wel rustig. Zijn moeder zette in een handomdraai de lekkerste Siciliaanse gerechten op tafel. Pasta alla norma was mijn favoriet – al duurde het even voor ik wist wat het snotterige maar zalige hoofdingrediënt was. Melanzana – ‘eggplant’, zocht Angelo op in zijn Engelse woordenboek. Geen idee. Tot hij het Franse woord noemde, aubergine.

Ik werd tijdens die vakantie op Sicilië 18 jaar en zou nooit meer zo ongenadig verbranden. It’s a pity we cannot see mount Etna today, de zin komt al bijna dertig jaar bij me op als het heiig, mistig of nevelig is.

Angelo en ik waren vier jaar eerder penvrienden geworden, nadat hij in 1986 een oproep had geplaatst in TamTam, het jeugdblad van het Wereld Natuur Fonds. ‘I am an Italian boy. (...) I would like to correspond in English with a boy or girl of my age. who is a member of the Dutch WWF.’ 

De oproep in TamTam uit 1986. Beeld Bart Dirks

Ik reageerde en zijn eerste brief aan mij dateert van 12 oktober 1986. ‘Dear Dirks’, luidt de aanhef, gevolgd door de vraag: is dat je voor- of achternaam?

De eerste brief van Angelo. Beeld Bart Dirks

In blokletters schreef Angelo over zijn moeder Elvira, vader Giovanni en broertje Valerio. ‘Ik woon in Catania, een grote stad (400 duizend inwoners) op Sicilië, in het zuiden van Italië. Catania is erg heet en groot, het is de negende stad van Italië. Is Brunssum erg groot?’ De eerste brief sloot hij af met vier overgetrokken landkaartjes met alle Italiaanse regio’s, de luchthavens, de toerismestromen en de werkloosheidscijfers. Ik tekende daarop een kaart uit de Bosatlas na met de Nederlandse provincies en hun hoofdsteden.

Nu, 29 jaar later, app ik vanuit Catania een foto van de Piazza del Duomo naar Marjolein. Marjolein was mijn buurmeisje, in onze jeugdjaren waren we onafscheidelijk. We maakten jarenlang samen een krantje, eerst De Pepernoot en later het Engelstalige Dynamite International. Met haar ging ik in 1990 naar Sicilië – met de nachttrein naar Rome, vervolgens met de nachttrein naar Catania.

‘Jaaaa dat plein ken ik nog!!!’, appt Marjolein terug. Ze haalt herinneringen op aan ons avontuur. ‘Ik weet nog dat de appels door de trein rolden. Dat Angelo’s oma daar ook woonde. Dat we naar een vakantiehuis van een van die vrienden zijn geweest. Eggplant. Dat het er ontzettend warm was, zeker in Syracuse. Dat jij zo verbrand was. Dat al mijn vriendinnen zeiden dat ik of met jou of met Angelo zou zoenen, maar volgens mij is het net even anders gelopen.’ Gevolgd door vier smileys die huilen van het lachen.

Marjolein en Bart, met de trein op weg naar Sicilië, 1990. Beeld Bart Dirks

Het voelt in Catania als de dag van gisteren. De oleanders staan in bloei, de uit Afrika teruggekeerde gierzwaluwen maken capriolen boven straten en pleinen. De gemeentereiniging spuit de Mercato della Pescheria schoon. Een uitgemergeld katje op de vismarkt probeert zich te voeden met de achtergebleven geur van tonijn en zwaardvis, hier in de ochtendzon verhandeld op houten schragen. Toeristentreintjes hobbelen over de Piazza del Duomo, maar het toerisme heeft Catania gelukkig minder in zijn greep gekregen dan ik had gevreesd. De massa verkiest nog steeds Palermo, Taormina, Agrigento en Syracuse.

Ik knipoog naar het vrolijke olifantje van lavasteen, de Fontana dell’Elefante, leuk je weer te zien. Het trotse symbool van de stad torst op zijn rug een obelisk met een wereldbol. Een bruidspaar dat van de Cattedrale di Sant’Agata richting het olifantje flaneert, laat zich filmen door een drone. De gasten die van een afstandje toekijken, lijken op figuranten uit The Godfather. Clichés laten zich niet wegdrukken. Met Angelo hadden we het altijd over de ‘elefanti’ als we de Cosa Nostra, de Siciliaanse maffia, bedoelden.

Marjolein en Angelo bij het olifantje, 1990. Beeld Bart Dirks

De Via Etnea, haaks op het plein, is grotendeels autovrij geworden. Aan de horizon het topje van de Etna, tussen de overdrijvende wolken. Je hebt geluk, zegt de vulkaan, want ik ben zo weer weg. Ik sla de Via Vittorio Emanuele in, de straat waar ik talloze brieven aan heb gestuurd. Angelo’s adres, huisnummer en postcode ken ik nog steeds uit mijn hoofd. Het wegdek is provisorisch opgelapt, net als toen. Toeristen kopen kaartjes voor het Romeinse theater uit de 2de eeuw na Christus. Iets voor Angelo’s oude huis, bij de kerk van Santa Rita, is de begrafenis van Onesto Antonio. Gestorven op de gezegende leeftijd van 95 jaar, vermeldt het aanplakbiljet op de kerkmuur. Een bloemist bezorgt een bovenmaatse krans, terwijl een buschauffeur misbaar maakt omdat de rouwauto hem de weg verspert.

Catania, 2019: glimp van de Etna. Beeld Bart Dirks

Zes uur, een klokje van weer een andere kerk slaat twee minuten lang onophoudelijk, de gelovigen aansporend het angelus te bidden. In een bar bestel ik een aperol spritz en arancini met ragú – de verfijnde Siciliaanse variant van de nasibal. Angelo woont niet meer in Catania, maar ik heb zijn brieven bij me die ik na jaren herlees.

Hij schrijft over zijn satanische leraar wiskunde die telkens in de klas een minutenlange stilte laat vallen voordat hij de leerling uitkiest voor een mondelinge overhoring. Over Kadhafi die in 1986 twee scudraketten heeft afgevuurd op Lampedusa, het Italiaanse eilandje tussen Sicilië en Libië. Over de vernietiging van Pompeii in 79 na Christus. Over zijn uitstapjes naar Tunesië en Palermo. Over hoe duur Venetië is en hoe spotgoedkoop Praag. Over de Italiaanse politiek, toen al tamelijk exotisch.

Angelo en Bart 1990, in de botanische tuin van Catania, 1990. Beeld Bart Dirks

En hij stelt me eindeloos veel vragen. Kan je schaatsen? Wil je later journalist worden? Lezen je ouders onze brieven? Is de Randstad net zoiets als het Duitse Roergebied? Wat zijn je favoriete boeken? Vind je het nieuwe nummer van Europe, Rock the Night, leuk? (‘I don’t’, voegt Angelo er aan toe). Het is nog volop Koude Oorlog en de apartheid is nog niet afgeschaft. ‘Ik ben blij dat je Zuid-Afrika ook haat’, schrijft hij. ‘Heb je liever Gorbatsjov of Reagan?’

In zijn brief van 24 november 1986 vraagt Angelo: ‘I want to do you a question. Do you court some girl? Be honest!!!!’ Ik denk niet dat ik antwoord heb gegeven. Angelo zelf schrijft evenmin of hij een vriendinnetje heeft.

Wish you were here’, app ik aan Angelo, de stapel brieven op het cafétafeltje voor me. Veertien minuten later krijg ik negen zoenende smileys terug uit New Jersey.

Een van de brieven van Angelo, oktober 1986. Beeld Bart Dirks

‘Ietsù ah piètie zhàt vie ken not see mounthe Étna todáááy’ – een dag later mislukt op de zuidhelling ook onze tweede poging om de Etna in volle glorie te zien. Bij de Rifugio Sapienza, waar een kabelbaan klimmers een kontje geeft richting de hoofdkrater op 3.350 meter, jagen stortbuien alle toeristen de souvenirwinkeltjes en restaurants in. Het barretje La Capannina (‘Tavola calda, panini, vini – liquori tipici dell’Etna’) ligt pal naast de lavastroom die in 2001 van de wispelturige vulkaan kwam gerold: ‘Dit raam is door de Etna gekust.’

Die uitbarsting is dus acht jaar na mijn tweede bezoek aan Angelo geweest, in 1993. Ik werd die zomer 21, studeerde geschiedenis in Utrecht en ging dit keer zonder Marjolein en per vliegtuig naar Sicilië. Iedereen die hem vroeg waar zijn blonde vriend vandaan kwam, kreeg te horen dat ik ‘tedesco’ was – tot ik in de gaten kreeg dat hij me voor Duitser uitmaakte. ’s Avonds spraken we met zijn vrienden af om een ijsje te eten bij het Castello Ursino en keken we in de openlucht naar de nagesynchroniseerde speelfilm Istinto di base, Paul Verhoevens Basic Instinct.

Angelo, Bart, Marjolein en Valerio op de Etna, 1990. Beeld Bart Dirks

Angelo, zo had hij al opgetogen geschreven, had zijn rijbewijs gehaald. Als een echte Siciliaan – beter met de claxon dan met de knipperlichten – stortte hij zich in het verkeer. Natuurlijk gingen we ook weer de Etna op. Angelo was zijn tijd vooruit: bergafwaarts besloot hij, om benzine en het milieu te sparen, de motor uit te zetten en de auto in z’n vrij. Tot frustratie van de colonne Italianen achter ons, maar hij reed onverstoorbaar verder.

Die zomer had hij een vriendinnetje, Valentina. Het leek niet zoveel voor te stellen, maar het verbaasde en kwelde me. Was ik jaloers? Met een clubje vrienden – Fabio, Belinda en Valentina – gingen we een weekje naar Lampedusa. Een urenlange boottocht door een azuurblauwe zee, gevolgd door dolfijnen. Lome en landerige dagen. Op het eilandje smolt het asfalt aan onze schoenen. Overdag zochten we verkoeling in de lagunes, we gingen pas een ijsje eten als het schemerde. Uit verveling namen we de bus naar het oostelijke puntje, bij de Amerikaanse militaire navigatiepost die Kadhafi zes jaar eerder had bestookt. Daar was nog minder te beleven. We hadden veel lol samen, maar ik voelde me soms wel eenzaam in die Italiaanse vriendengroep.

Angelo (groene broek) en Bart (rechts) in 1990. Beeld de Volkskrant

Een kwart eeuw later sla ik Lampedusa over, maar ik ga wel terug naar Palermo. In Passami ù Coppu, een tentje aan de Via Roma met Siciliaans streetfood zoals polpette di tonno al pistacchio, zingen de koks en de caissière mee met Amore e capoeira van Takagi & Ketra en Mi sento bene van Arisa – de Italiaanse hitparade klinkt als één langgerekte zomervakantie. Dan, onvermijdelijk, Eros Ramazzotti, hier al dertig jaar een jeugdidool – zij het met grijs haar.

De sfeer is relaxed, loom. Uit 1993 staat me een compleet andere stad bij. Palermo was heter, stoffiger, viezer –maar dat was niet zozeer het punt. Er hing een nerveuze, gespannen sfeer. Nooit eerder had ik ergens gewapende militairen op straat gezien, het paleis van justitie en de rechtbank waren gebarricadeerd met zandzakken. Angelo en ik waren met de trein naar Palermo gekomen voor een demonstratie tegen de maffia – de ‘elefanti’ zoals we ze bleven noemen uit voorzorg en meligheid.

Het jaar ervoor was onderzoeksrechter Giovanni Falcone opgeblazen, samen met zijn vrouw en drie lijfwachten. Geen half werk: er was dynamiet geplaatst in de afwateringsbuizen onder de snelweg naar het vliegveld. Twee maanden later werden ook officier van justitie Paolo Borsellino en vijf leden van zijn politie-escorte met een autobom uit de weg geruimd, voor het huis van zijn moeder. Het waren wraakacties voor het maxiprocesso dat had geleid tot (levens)lange celstraffen voor honderden maffiosi, onder wie Salvatore Riina, capo di tutti capi, baas van alle bazen.

Monument in Palermo voor onderzoeksrechter Paolo Borsellino, 2019. Beeld Bart Dirks

Dit keer ondergingen de Sicilianen het geweld niet lijdzaam, maar leidde het tot een golf van protest. Ze waren niet langer bang, maar boos: de maffia was een schandvlek die moest worden uitgewist. In Palermo togen we met enkele honderden demonstranten door een volkswijk. Bij sommige adressen in de nauwe straatjes werd minutenlang gejoeld en gefloten, tot de bewoners witte lakens uit hun raam hingen. Het had iets sinisters, maar de ontlading was telkens groot als er gehoor werd gegeven aan de oproep. ‘Hier wonen elefanti’, fluisterde Angelo.

We deelden in Palermo twee nachten een kamer in een eenvoudig pension. Zinderde er al iets tussen ons? Vermoedelijk wel. ‘De duizend-dollar-vraag is: waarom is er toen niks gebeurd tussen ons in dat hotel in Palermo?’, app ik naar Angelo.

‘Ahahaha!’, antwoordt hij vanuit de VS. ‘Misschien is dat de één miljard dollar-vraag! Hoe lang geleden was dat? Misschien moet ik het niet vragen... welk antwoord je ook geeft, zal ik me oud voelen.’ Als ik schrijf dat het 1993 was, antwoordt hij: ‘Oh my god, zo lang! Maar het voelt als gisteren.’

Waren we te verlegen? Te onzeker? Was het te vroeg? Het zou nog twee jaar duren voordat de vonk zou overslaan. In Leiden, waar Angelo met een Erasmusbeurs kwam studeren.

Terug in Catania, de laatste avond. Het is na middernacht, maar nog behaaglijk warm. Op de Piazza del Duomo, bij het olifantje, dansen verliefde stellen tango. Argentijnse melancholie vermengt zich met Italiaanse hartstocht. Het stemt ook mij sentimenteel. Ik denk terug aan deze reis en aan die van 1990 en 1993. Aan Angelo’s studentenflatje in Leiden, 1995. Eindelijk verliefd, of iets wat er op leek.

Maar na een paar weken stelde Angelo me in Leiden voor aan Roeland, student biologie in Utrecht, die hij een jaar eerder had ontmoet tijdens vrijwilligerswerk in het Duitse Rostock. Angelo maakte voor ons drieën een mislukte ovenschotel – de halfgare aardappels met een pot Aardappel Anders erover gekwakt, bewezen volgens hem dat de Nederlandse keuken een aanfluiting was. Helaas voor Angelo hadden Roeland en ik vooral oog voor elkaar. Het was liefde op het eerste gezicht.

Roeland en ik waren even oud, we studeerden allebei in Utrecht, maar hadden elkaar daar nooit gezien. Met hem ben ik deze keer op Sicilië, terwijl Angelo aan de andere kant van de oceaan zit. Op een terras, de laatste avond in Catania, praten we over de lange omweg die kennelijk nodig was om ons bij elkaar te brengen. Angelo was eerst boos – ‘nine years of friendship!’, ik hoor het hem nog roepen – maar verzoende zich snel met het onvermijdelijke.

‘Angelo is een engel, en ik vind het vreselijk zielig dat ik je van hem heb afgepikt’, zegt Roeland. ‘Maar het is de beste zet van mijn leven.’ Volgend jaar zijn we 25 jaar samen.

Fragment van brief van Angelo, 1988. Beeld RV

Terug naar de vakantie van mijn jeugd

Jarl van der Ploeg, correspondent van de Volkskrant in Rome, is verknocht aan Italië. Dat begon op zijn 8ste tijdens een zomer aan het strand, waar het zand zijn voetzolen schroeide en de ijsjes slechts twee varianten kenden. Houdt zijn liefde voor de Italiaanse strandcultuur bij een weerzien stand?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden