Pionierende clown brengt snelheid

Geen sport ligt zo sterk in de Nederlandse genen verankerd als schaatsen. De weerslag daarvan volgde in de jaren zestig, nadat de kunstijsbanen waren verschenen....

HET IS altijd hetzelfde. Of het nu het skinpak was, of de klapschaats, de strips, of de komst van de hallen - elke ontdekking, of vondst, werd en wordt op het ijs steevast met scepsis begroet. Ach, 't zal wel niks wezen, doe maar gewoon.

Zo was het eigenlijk al in de jaren vijftig, toen de eerste stemmen opgingen om in Nederland kunstijsbanen aan te leggen. Amsterdam en Deventer toonden interesse, maar het verzet was minstens zo hevig. 'Wie gaat nou schaatsen als het toch niet vriest?' vroeg een Amsterdams raadslid zich af. De overheid liet weten dat slechts voor één kunstijsbaan subsidie zou worden verstrekt. Dit is een luxe product dat ons land zich maar ten dele kan permitteren, schreef de Volkskrant.

Toegegeven, de schaatsers zelf zagen een kunstijsbaan wel zitten. Internationaal vervulden zij in die jaren slechts een bijrol. Wie geen geld had om in november (tijdelijk) naar Noorwegen te verhuizen, moest hopen op een strenge winter in eigen land. Maar die wens bleef ook toen wel eens onvervuld en dan kwamen de ijzers dus niet uit het vet. Vòòr 1960 werden slechts twee Nederlanders (Jaap Eden in 1893, 1895 en 1896; Coen de Koning in 1905) wereldkampioen.

Dankzij Henk van der Grift keerde het tij. Om zich serieus met de Scandinavische overheersers te kunnen meten, vestigde hij zich tussen 1960 en 1963 in Noorwegen, een investering die zich in 1961 in Gothenburg - op de eerste kunstijsbaan van de wereld - uitbetaalde met de wereldtitel. En ineens was Nederland besmet met het schaatsvirus. De overheid verstrekte subsidies aan zowel Amsterdam als Deventer, en eind 1962 had Nederland twee kunstijsbanen.

Dat aantal is inmiddels opgelopen tot twaalf (400 meter-banen) en de weerslag op het internationale podium is evident. Sinds 1960 vergaarde Nederland 26 wereldtitels: 20 bij de mannen; 6 bij de vrouwen. Dat in 1968 voor het eerst Nederlanders olympisch goud wonnen (Verkerk, Geijssen en Schut) is evenmin toevallig.

De heilzame uitwerking van het kunstijs ten spijt, bleek de schaatswereld geenszins verlost van de conservatieve stigma's. Wars van vernieuwing, argwanend ten opzichte van vrijdenkers, werd het imago van stoere boerenzonen gecultiveerd. Dat zo nu en dan een kampioenschap werd vergald door sneeuw en wind was jammer, maar heette ook de charme van de sport te zijn. Bovendien: de beste won altijd.

Geen wonder derhalve dat een revolutie slechts door een clown, een kille manager en een eigenzinnige wetenschapper kon worden aangewakkerd. Franz Krienbühl, Rob Dros en Gerrit Jan van Ingen-Schenau werden door hun tijdgenoten in meer of mindere mate beschouwd als zonderling, maar drukten uiteindelijk nadrukkelijker dan welke kampioen ook hun stempel op de ontwikkeling van het schaatsen.

NOOIT WAS DE schaatswereld zo blind voor vernieuwing als in het midden van de jaren zeventig, toen Franz Krienbühl het skinpak introduceerde. Wie kon in 1974 bij het WK in Inzell vermoeden dat er verband bestond tussen het strakke, synthetische pak van de 45-jarige Zwitser en de halve minuut die hij op de tien kilometer van zijn persoonlijk record afhaalde? Een enkele krant grapte over de clown Krienbühl in zijn condoompak en alle kranten prezen Sten Stensen - met traditionele muts - als een groot kampioen.

Pas twee jaar later, terwijl Krienbühls progressie zich gestaag had doorgezet, schrokken zijn vakbroeders wakker. Bij het EK van 1976 verschenen ineens vier Noren in skinpakken en vaagden vervolgens de gehele concurrentie weg. De vier S-en (Stenshjemmet, Stensen, Storholt, Sjöbrend) werden één, twee, drie en vier in het eindklassement. Het was een maand voor het begin van de Olympische Spelen en in het Nederlandse kamp brak paniek uit. De Noorse firma Odlo weigerde de 'ruimtepakken' aan buitenlanders te leveren.

Hans van Helden leende een skinpak van de Duitser Herbert Schwartz en reed prompt in Davos een wereldrecord op de vijf kilometer. Bondscoach Pfrommer plaatste een spoedorder bij de Zwitserse firma Skin en met een gesterkt moreel meldde de kernploeg zich vervolgens op de Olympische Spelen.

Piet Kleine won olympisch goud in Innsbruck op de 1500 meter en reed een maand later nog drie wereldrecords. Aan het eind van de winter waren alle wereldrecords gevestigd in skinpakken. Krienbühl investeerde naar eigen zeggen 20 duizend gulden in de ontwikkeling van zijn pak.

Tien jaar later heette ook Rob Dros een luchtfietser te zijn, nadat de directeur van Thialf plannen had geopenbaard om de ijsbaan te overkappen. Nederland was in die dagen in de ban van de Elfstedentocht. Het volksfeest dat daar op 26 februari uit voortvloeide, bracht schaatsen terug tot haar roots en wakkerde de antipathie jegens een hal slechts aan. 'Schaatsen hoor je in de buitenlucht te doen. In zo'n hal wordt het een pretpak', zei sprintster Alie Boorsma. De pers schamperde ook trouwens: 20 miljoen, waanzin.

TIEN MAANDEN later was het luchtkasteel niettemin realiteit. Op maandagavond 17 november organiseerde het gewest Friesland de eerste indoor-wedstrijd. Terwijl de bouwstellingen nog op het middenterrein stonden, sprintte Jan Ykema naar 38,2 - op dat moment de beste 500 meter ooit in Nederland gereden. Bij de B-junioren schaatste ene Rintje Ritsma 2.07,5 op de 1500 meter. Zes dagen later reed Geir Karlstad in Heerenveen het wereldrecord op de vijf kilometer aan flarden. De Volkskrant voorspelde daarop Thialf een 'gouden toekomst' en de Leeuwarder Courant verkondigde dat 'een nieuwe ijstijd is aangebroken'.

De belangrijkste revolutie moest toen evenwel nog komen. Hoewel wetenschapper Gerrit Jan van Ingen-Schenau al in de jaren tachtig de klapschaats had gepresenteerd, durfden pas in november 1996 enkele Nederlandse vrouwen het novum serieus uit te proberen. Zij werden al jaren overklast en gefrustreerd door de Duitse Niemann, dus erg veel te verliezen hadden ze niet. Annamarie Thomas zag als enige van de vrouwen-kernploeg geen heil in de klapschaats.

Dat was niet zo verwonderlijk trouwens. Eind jaren tachtig waren Hein Vergeer en Leo Visser na een test tot de conclusie gekomen dat de klapschaats eerder een nadeel dan een voordeel was. 'Je staat heel wankel', meende Visser. Hun opvolgers waren in 1996 niet minder sceptisch. De klapschaats is een typische vrouwenschaats, beweerde Bart Veldkamp. 'Mannen hebben over het algemeen een betere techniek. Alleen de technisch mindere schaatsers hebben profijt van de klapschaats.'

Amper een week later echter, in het weekeinde van 23 en 24 november, versloeg Tonny de Jong zomaar Gunda Niemann. Weer een week later, bij de World-cupwedstrijd in Heerenveen, kon fabrikant Viking de klapschaatsen nauwelijks aanslepen.

Tonny de Jong werd Europees kampioene en Bart Veldkamp en alle anderen bekeerden zich nog diezelfde winter tot de scharnierende ijzers. En het regende daarop wereldrecords. Momenteel is Annamarie Thomas wereldrecordhoudster op de 1500 meter.

Wie nu rondvraag doet in het schaatspeloton krijgt te horen dat nieuwe opzienbarende ontwikkelingen niet meer te verwachten zijn. Recent baarde marathonschaatser Jan-Maarten Heideman opzien met de carve-schaats - een schaats voorzien van een getailleerd ijzer, waarmee makkelijker de bochten kunnen worden genomen. Marathonschaatser Piet Kleine en sprinter Erben Wennemars reageerden ronduit aarzelend op de nieuwe vinding. 'Die carve-schaats kennen we al een paar jaar. Nee, daar verwacht ik niks van.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden