Reportage

Parijs heeft ook áárdige obers

Kil en arrogant, zo ervoer Peter Giesen meestal de bejegening op een Parijs' terras. Tot hij zich als correspondent vestigde in de stijlvaste Franse hoofdstad en dorpse vriendelijkheid ontdekte bij betaalbaar bier. Hij verzamelde de beste plekken en leidt ons rond.

Relaxen aan de Quai de Valmy. Beeld Io Cooman

'Ben je in Parijs geweest? Heb je lekker op een terrasje gezeten?' Die vraag werd me altijd gesteld als ik in Parijs was geweest. Parijs was een terrassenstad.

Ik begreep dat nooit zo goed. Voor mij had Parijs de onaantrekkelijkste terrassen van Europa. Je zat op lelijke rieten stoelen in een glazen serre langs een vierbaansboulevard waar het stadsverkeer voorbijraasde. Je werd zo lang mogelijk genegeerd door de ober, die snauwend de bestellingen opnam en onvriendelijk zwijgend een krankzinnig duur glas bier voor je neus zette.

Op het terras werden voor mij de clichés over Parijs bevestigd. Kil, haastig, druk, arrogant. Maar clichés verduisteren een veelvormige werkelijkheid als een doek die je over de kanariekooi gooit. Toen ik in Parijs ging wonen, ontdekte ik een andere stad, vooral aan de oostkant. Ontspannen, vriendelijk, moderner dan het toeristische centrum, met leukere en goedkopere cafés.

Parijs is niet duur

Parijs staat bekend als een dure stad, maar dat is niet helemaal terecht. Door de week kun je goedkoop lunchen: voor 15 euro heb je al een tweegangenmenu, een plat du jour is nog goedkoper. In het weekend en 's avonds is het duurder, maar vaak goedkoper dan in Nederland. Buiten de toeristische gebieden vind je ook goedkope cafés. Bovendien houden veel cafés happy hours, waarin een pint bier rond de 5 euro kost en ook andere drankjes worden afgeprijsd.

Niemand kan zo overtuigend op een terras zitten als een Parisien en vooral een Parisienne. De benen over elkaar geslagen, de sigaret koket omhooggestoken, een drankje op tafel, beschaafd converserend in een taal die zelfs het triviaalste geleuter iets diepzinnigs geeft. Nederlanders zitten op een terras met een gezicht van: jongens, wat hebben we het goed. Voor Parijzenaars is het terras een volkomen vanzelfsprekend onderdeel van het elegante stadsleven.

Dat heeft een prozaïsche achtergrond. Veel Parijzenaars wonen klein, zonder tuin of balkon. Vroeger waren veel huizen ook nog eens smerig en slecht verwarmd. 'Toen ik nog leraar was en weinig geld had, woonde ik in hotels. En zoals iedereen die in hotels woont, verbleef ik de meeste tijd in cafés', zei Jean-Paul Sartre. Zo deden veel Parijzenaars dat: 's winters bij de kachel in het café, 's zomers op het terras van het café.

Beeld .

Rosa Bonheur sur Seine (linkeroever)

Sartre zat vaak te schrijven in Café de Flore aan de Boulevard Saint-Germain. Met zijn vriendin Simone de Beauvoir, die er een deel van haar feministische klassieker Le Deuxième Sexe schreef. In de jaren veertig en vijftig was Parijs helder opgedeeld: de rechteroever was voor de bourgeoisie, de linkeroever voor de schrijvers, filosofen en kunstenaars. Saint-Germain des Prés was het intellectuele kruispunt van Frankrijk. Maar hoewel er nog veel uitgevers zitten, is de geest een beetje uit Saint-Germain verdwenen.

Tussen Flore en het al even befaamde Les Deux Magots zat de boekwinkel La Hune. Drie jaar geleden werd La Hune verdreven door Louis Vuitton. In het hedendaagse Saint-Germain verkoop je gemakkelijker een handtasje van 2.000 euro dan een boek van een Franse filosoof. 'In mei 1968 vlogen hier de keien door de straat, maar de buurt is bourgeois geworden, met veel mensen uit de internationale financiële wereld', zegt een fotograaf die er al lang woont.

Een wandeling in het spoor der existentialisten loopt al snel uit op een teleurstelling: arrogante obers, veel te hoge prijzen. Op het terras van het mooie café La Palette nam Albert Camus vaak zijn apéro. Albert werd ongetwijfeld met alle egards behandeld, maar ik niet. Ik neem de wijk naar de uiterste rand van de rive gauche. Langs de Seine, tussen Musée d'Orsay en de Eiffeltoren, loopt sinds twee jaar een aangenaam rommelige promenade. Kinderen doen er spelletjes, in zeecontainers worden tentoonstellingen georganiseerd. Rosa Bonheur sur Seine past in deze geïmproviseerde sfeer met zijn houten picknickbanken. Een Franse variant van de Duitse Biergarten. Je kijkt uit over het water en het Parijs van de Belle Epoque. De protserige Pont Alexandre III met zijn stalen guirlandes en vergulde mythologische beelden, de monumentale glazen koepel van het Grand Palais. Aangelegd voor de wereldtentoonstelling van 1900, toen Parijs zich wilde laten zien als de modernste stad ter wereld.

Picknickbanken bij Rosa Bonheur sur Seine. Beeld Io Cooman

Le Nemours (centrum)

Als je de Seine oversteekt, kom je in het toeristische hart van Parijs terecht. Waar bussen toeristen lossen en Afrikaanse souvenirverkopers rondlopen met Eiffeltorens en selfiesticks, verwacht je geen goede terrassen. Toch zijn ze er, al zijn ze uiteraard niet goedkoop.

Mijn favoriet zit bij het 17de-eeuwse Palais Royal, minder groot en bombastisch dan het Louvre. Achter het paleis vind je een strakke, symmetrisch aangelegde tuin, omzoomd door een zuilen-galerij. Eind 18de eeuw was het paleis 'de hoofdstad van Parijs'. De hertog van Chartres had geld nodig en stelde de zuilengalerij open voor luxewinkels, goktenten en bordelen. In deze uitzinnige kermis verloor Napoleon in 1787 zijn maagdelijkheid aan een jonge prostituee uit Bretagne, die zo verlegen was dat zelfs de groene luitenant Bonaparte haar durfde aan te spreken.

De luxewinkels zijn gebleven, maar het paleis is een oase van rust in het drukste, meest toeristische deel van de stad. Als je een plat du jour kiest, kun je voor een redelijke prijs lunchen, bijvoorbeeld bij Muscade. Aan de voorkant van het paleis ligt het mooie terras Le Nemours, (Galerie Nemours) met uitzicht op de Comédie Française.

Verder: de uitspanningen in de Tuileries. Le Marly in het Louvre, uitkijkend op de piramide.

Café Le Nemours dichtbij het Louvre. Beeld Io Cooman

Institut Suédois (Marais)

In de Marais woonde vroeger de aristocratie, aan de Place des Vosges of in een van de vele hôtels particuliers (stadspaleizen). Toen Lodewijk XIV het hof naar Versailles verplaatste, trok ook de adel weg. De Marais werd een buurt van arbeiders en ambachtslieden. In de jaren zestig had nog 60 procent van de huizen geen wc en stromend water.

Sindsdien is de buurt opgeknapt. Het mooiste terras is te vinden bij het Institut Suédois (Rue Payenne, alleen 's middags open). De verstilde binnenplaats van een 18de -eeuws hôtel particulier, geplaveid met kinderkopjes. Een herinnering aan het aristocratisch verleden van de buurt.

De Marais is duur geworden, met zijn galeries en designwinkels. Daarom is hip Parijs verder naar het oosten getrokken.

Verder: het dakterras van BHV Marais (alleen 's avonds), de Rue des Archives, de Rue de Bretagne, de straatjes rond Carreau du Temple, een 19de-eeuwse markthal die onlangs tot kunstcentrum werd getransformeerd.

Parisiennes aan het bier in Le Marais. Beeld Io Cooman

25 Degrés Est (Canal Saint-Martin)

Parijs is in sterke mate de creatie van baron Georges-Eugène Haussmann. In de 19de eeuw rationaliseerde hij de stad. Smalle, onhygiënische straatjes moesten wijken voor brede, lichte boulevards.

Het verhaal van Haussmann gaat niet alleen over stenen, maar ook over mensen: 350 duizend mensen moesten weg vanwege zijn herschepping van Parijs. Vóór Haussmann woonde het gewone volk in het centrum van de stad. Het Ile de la Cité was een van de armste, smerigste en crimineelste buurten van Parijs. Haussmann bracht hiërarchie aan. Het centrum was voortaan voor de elite, het volk werd naar het oosten verbannen. De volkswijken van Oost-Parijs werden destijds de banlieue genoemd, het oord waarnaar men verbannen werd. Toen al 'bezag Parijs zijn banlieue met een mengeling van minachting en vrees', aldus stadshistoricus Bernard Merchand.

Op hun beurt zijn de arbeiders van Oost-Parijs verdrongen door een hoger opgeleid mensensoort die in Frankrijk de bobo wordt genoemd, de bourgeois bohémien. Iemand met een goede baan in de creatieve sector, die niettemin op gymschoenen loopt en een baard van drie dagen draagt.

De buurt rond Canal Saint-Martin is boboland bij uitstek. Vroeger een industriële rafelrand, nu de plaats van restaurants, cafés, boetieks en biologische winkels. De mooiste terrassen zitten aan het brede stuk van het kanaal, aan het Bassin de la Vilette. Zoals 25 Degrés Est (Quai de Loire), een terras op een verhoging, waar je uitkijkt op het water terwijl je de populieren hoort ruisen.

Wie goedkoop uit wil zijn, kan ook een fles wijn kopen in de supermarkt en langs de Quai de Valmy of de Quai de Jemmapes gaan zitten, zoals duizenden jongeren in de zomer doen. Het kanaal is populair, zeker sinds Amélie Poulain (uit de film Amélie) stond te dromen op een van de schilderachtige ijzeren bruggen. De eerste liefdesslotjes zijn al gesignaleerd. Voor de ware bobo een sein om verder te trekken naar het oosten, naar Belleville.

Verder: Pavillon des Canaux (Quai de Loire), Rosa Bonheur in het mooie park Buttes-Chaumont.

Meisje in het rommelige stadsdeel Belville. Beeld Io Cooman

O'Paris (Belleville)

'Een waar Siberië', zo omschreef Louis Lazare de arbeiderswijk Belleville in 1870. Tegenwoordig wordt Parijs vaak beschouwd als een reservaat voor rijke mensen. Dat is waar, maar niet helemaal. Bij metro Belleville kun je een vrouw in boerka zien tussen de Chinese prostituees die bij honderden op een klant staan te wachten. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat er in de metropool Parijs voldoende seksuele nood is om deze treurige vrouwen aan een inkomen te helpen.

Belleville is rommelig, sfeervol, soms armoedig, soms trendy. O'Paris (Rue des Envierges) ligt bovenaan de heuvel bij Parc Belleville, vlak bij de plaats waar Edith Piaf werd geboren. Vanaf het terras kijk je uit over de hele stad. Je ziet de Eiffeltoren, en natuurlijk de lelijke Tour Montparnasse.

Verder: Rue Sorbier, kunstcentrum La Bellevilloise.

Café O'Paris in Belville. Beeld Io Cooman

Le Cadran du Faubourg (Gare du Nord)

Met onroerendgoedprijzen vanaf 8.000 euro per vierkante meter ontsnapt zelfs het grauwste straatje niet aan een proces van gentrificatie, in Frankrijk ook wel boboïsation genoemd. Zo is de buurt tussen Gare du Nord en Place de la République onlangs door The Guardian uitgeroepen tot Paris's hottest new micro-quartier. In de Rue Faubourg Saint-Denis zitten trendy restaurants tussen de halalslagers, etnische groenteboeren en muffe stomerijen. Bij de aangenaam relaxte Le Cadran du Faubourg drink je voor 4,50 euro een pint Stella.

Verder: de gezellige Cour des Petites Ecuries, waar ook de aanbevelenswaardige Elzasser brasserie Flo zit. Paradepaardje van de buurt is de onlangs geopende Brasserie Barbès. Erg mooi, maar ook duur en een beetje nuffig.

Beeld Io Cooman

Le Relais de la Butte (Montmartre)

Het imago van Montmartre is een beetje verpest door de gruwelijke Place du Tertre, maar buiten de toeristische routes is het een gezellige buurt. Ongeveer halverwege de heuvel ligt het terras van Le Relais de la Butte (Rue Ravignan), tegenover de Bateau-Lavoir waar Pablo Picasso vroeger zijn atelier had. Het houten complex brandde af in 1970; in een vitrine in de gespaard gebleven voorgevel wordt de geschiedenis van de Bateau-Lavoir gememoreerd.

Picasso kwam in 1900 naar Parijs. Op een servetje had hij drie keer 'ik, de koning' geschreven. Wie de wereld wilde veroveren, moest naar Parijs, de internationale hoofdstad van de kunst. Die positie is Parijs allang kwijt. Dat geeft soms aanleiding tot meewarige commentaren: Parijs is fini, net als heel Frankrijk trouwens. Londen is dynamischer, Berlijn hipper. Jongeren zouden nog liever naar Tallinn gaan: minder conservatief en een stuk goedkoper.

Als je in Parijs woont, merk je niet zo veel van die afnemende glans. Best mogelijk dat Berlijn vernieuwender is, maar je kunt moeilijk beweren dat er in Parijs niets valt te beleven. Bovendien krijg je gaandeweg meer waardering voor het conservatisme van de Fransen. In hippe steden heb je soms het idee dat je in een internationale designbubbel terecht bent gekomen. Parijs heeft zijn eigen karakter behouden. Frankrijk is nu eenmaal een groot, oud land met een sterke eigen cultuur, geen land dat snel meewaait met de laatste internationale mode.

Verder: Place des Abesses.

La Fontaine (het buurtcafé)

De Fransen mogen pessimistischer zijn dan de Irakezen of de Afghanen, op het terras stralen ze een onmiskenbaar joie de vivre uit. Parijs is een uitermate levendige stad, juist omdat horecabezoek zo bij het normale leven hoort. Zelfs in woonbuurten waar je zelden een toerist ziet, vind je op elke hoek van de straat een café of restaurant met een paar tafeltjes op de stoep. In de enorme metropool (2 miljoen mensen binnen de périphérique, 9 miljoen daarbuiten) leven veel mensen in hun eigen quartier, als een klein dorp waar je alle middenstanders kent.

Mijn favoriet is La Fontaine (Rue Juliëtte Dodu). Een pretentieloos en gezellig café waar een groot glas Stella maar 4 euro kost. En als je er twee dagen achter elkaar komt, krijg je een hand van de barman, waardoor je je meteen een echte Parisien voelt.

Buurtcafé La Fontaine. Beeld Io Cooman
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden