Oude dorpen, nieuwe liften

Een paar jaar geleden werd een traditioneel skigebied in de zuidwestelijke uitlopers van de Franse Alpen gemoderniseerd. Maar Michiel van der Geest hoeft in Serre Chevalier nog altijd niet te wachten voor de liften....

Het had van Julien niet zo gehoeven, die vooruitgang. Het was ook goed zoals het was. Rauwer, ongepolijster. Maar dat was juist de charme.

Het is niet dat de nieuwe liften niet mooi zijn, want dat zijn ze wel. Snel ook, en ze ratelen niet meer, maar zoeven zonder te schokken. En het nieuwe pasjessysteem dat in de hele vallei wordt gebruikt – skipas in de broekzak, even met je dijbeen voor de kaartlezer langs, waarna het poortje open floept – is echt handig. Dat ziet hij ook.

Maar wat heeft Julien aan de nieuwe blauwe piste, die vanaf de hoogste top laf naar beneden meandert op veilige afstand van de afgronden, en niet toevallig uitkomt bij het pisterestaurant halverwege de berg? En die bulten in de pistes, die onverwachte heuveltjes die van elke afdaling een uitdaging maakten, moesten die nou echt worden platgewalst door de moderne machines van de Compagnie des Alpes?

Het moest, want de vooruitgang houd je niet tegen. Zelfs niet hier, in deze vallei, tussen zo’n beetje de laatste zuidwestelijke uitlopers van de Franse Alpen. Serre Chevalier Vallée heet de vallei nu, naar de hoogste top van het gebied en dankzij de marketingmachine van de Compagnie des Alpes.

De exploitant van het skigebied nam vijf jaar geleden de liften en het beheer van de pistes over, en maakte de hellingen klaar voor het massatoerisme; meer beginnerspistes, meer comfort. Tot dan toe had elk van de dertien dorpen in de vallei z’n eigen liften en z’n eigen skipas. Nu is het een aaneengesloten skigebied, met 250 kilometer piste van alle niveaus, met sneeuwkanonnen en met 300 dagen zon per jaar. Serre Chevalier ligt zo dicht bij de Middellandse Zee, dat het klimaat meer mediterraan dan alpine is.

Ach, voor Julien betekent het meer klandizie, zo eerlijk is hij ook wel weer. Julien is skileraar, draagt een groen pak, heeft een oranje muts en een Zweedse vriendin die hij vier jaar geleden opduikelde, toen zij les bij hem had. In z’n vrije tijd kan hij alsnog op één been de zwarte piste af, of dwars door het bos skiën. Tussen de bomen door, soms staan ze maar een meter van elkaar, en dan toch zo snel mogelijk naar beneden.

Daarbij: ondanks de moderniseringsslag van de Compagnie des Alpes is Serre Chevalier nog lang geen dertien-in-een-dozijnskigebied. In de skilift noemt Julien de rustige pistes, het ontbreken van de wachtrijen voor de kabelbanen, en wijst naar de zuidhellingen aan de overkant waarachter Italië begint, naar de smalle vallei waarin de dorpen liggen zonder de monotone wintersportappartementenarchitectuur, naar de stad Briançon in de verte, en zegt niet zonder trots: ‘Dit is geen Val d’Isère.’

Hij heeft gelijk. Hier zijn nooit Olympische Spelen gehouden, waarvoor vierbaans toegangswegen moesten worden gebouwd. Dit zijn geen dorpen die in de zomer leegstaan, dit zijn geen wintersportplaatsen gepland op de tekentafel, dit zijn dorpen met een eeuwenlange geschiedenis, waar in de winter geskied kan worden.

De après-skibars zijn spaarzaam, lallende groepen studenten ontbreken, Russen in bontjassen zijn er niet. Dat soort uitwassen van nietsontziende commercie past de valleibewoners niet. Die gaan hun eigen weg, laten zich niet zo snel gek maken in de jacht op financieel gewin. Het enige waarin ze soms doorslaan is misplaatste bescheidenheid.

Elody, een vrolijke ronde twintiger wier Engels net zo melodieus is als haar naam, leidt toeristen rond in Monetiêr les Bains. Het laatste dorp voordat de Alpentoppen zo dicht op elkaar komen te staan, dat er van een vallei geen sprake meer is. Elody wijst op het smeltwater dat snel door de goten stroomt en de schuine schansen die voor de huizen zijn aangelegd waarop de vrouwen vroeger de kleden wasten. Ze laat zien dat het vee vroeger beneden woonde en de mensen boven. Ze vertelt dat wind altijd uit het noorden waait, de zon op het zuiden schijnt; en dat de huizen daarop zijn ingericht. Dan tovert ze een sleutel uit haar zak.

De sleutel past op een deur waarop een bordje met ‘Sortie de garage’ is bevestigd. Binnen staat dan ook een beige 2 CV, een oudje. Maar dat is niet wat Elody wil laten zien.

Op de binnenmuren van de garage zijn fresco’s geschilderd. Goed bewaarde, kleurrijke fresco’s. Afbeeldingen van Eva die door God uit een rib van Adam wordt geschapen, Eva die van de appel eet, Jezus aan het kruis. Scènes uit het Oude en Nieuwe Testament tuimelen over elkaar heen.

Scènes ook die erom vragen een voor een bekeken te worden, die de mond laten openvallen, en die vooral verbazing opwekken. Waarom staan de toeristen niet in bosjes voor de deur, waar is de souvenirshop met ansichtkaarten, wat doet die 2 CV in dit merkwaardige gebouwtje?

De fresco’s stammen uit de 15de eeuw, toen de garage nog een kapel was en onderdeel van een groot klooster. Toen het klooster de deuren sloot, werden de fresco’s overgeschilderd. In 1946 werden ze herontdekt. Maar een museum is er nooit van gemaakt. Aan een garage was meer behoefte.

Het past bij de eigenzinnigheid van de valleibewoners. Zij doen de dingen op hun eigen manier, laten zich niet vertellen wat te doen.

Eeuwenlang waren zij verenigd in La Republique des Escartons, een samenwerkingsverband van boerendorpen uit een paar valleien. Van de 14de eeuw tot aan de Franse Revolutie kende de republiek een eigen munt, eigen belastingregels, een eigen aristocratie. Elke nieuwe Franse koning kreeg bezoek vanuit de vallei; of de bewoners, daar ver weg in het zuidoosten van het territorium, verscholen in de bergen, hun republiekje mochten voortzetten. Het mocht altijd.

Ander voorbeeld. Honderd meter van de garage staat een ronde, stenen hut. Binnen is het een puinhoop. Alle decorstukken van de plaatselijke afscheidsmusical van groep 8 zijn er neer gekwakt, zo lijkt het. Bordkarton ligt over stoelen, kapstokken leunen tegen rekwisieten.

Maar in het midden is een diepe put, waarin een verroeste thermometer hangt. Het blijkt de bron te zijn waaraan Le Monetiêr-les-Bains zijn naam dankt. Warm water sijpelt omhoog vanuit de bergen. De Franse spoorwegen zagen er wel brood in, en wilden de bronnen overnemen in 1848, spoorwegen ernaartoe aanleggen, een kuuroord beginnen.

Al die drukte, al die vooruitgang, de inwoners van Le Monetiêr-les-Bains wezen het aanbod vriendelijk af. De rust in de vallei ging voor. De spoorwegen richtten de blik toen maar op Aix-les-Bains.

Nu is de vooruitgang er dan toch. Dat hoeft helemaal geen verslechtering te betekenen. Voor de matige skiër zijn de nieuwe blauwe pistes een uitkomst. Heerlijk glijden ze naar beneden. Stijl genoeg om op moedige momenten vaart te maken, breed en rustig genoeg om te vluchten in ruime bochten als de snelheid te hoog wordt.

Voor ervaren wintersporters zijn er uitgebreide off-pistemogelijkheden, en nog altijd veel zwarte pistes, waaronder de piste Luc Alphand, een monster dat recht naar beneden het dal induikt en uitkomt in Chantemerle. Ook zo’n dorp dat er al eeuwen staat en waar het ’s avonds goed eten is. Geen vreetschuren, maar verfijnde restaurants.

De volgende ochtend werkt de koele berglucht verfrissend. De lucht kraakt van het blauw, de maan is nog niet onder en hangt vlak boven de bergen. Het leven in de dorpen komt op gang, het is een dag om erop uit te trekken.

Laat aan de overkant van de weg toevallig 250 kilometer aan piste liggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden