Met Abel aan boord op weg naar zijn favoriete dier: de komodovaraan.

Reisreportage Komodo, Indonesië

Ontmoet je een komodovaraan, dan weet je dat je oog in oog staat met iets onvoorstelbaar ouds

Met Abel aan boord op weg naar zijn favoriete dier: de komodovaraan. Beeld Hagar Peeters

Schrijver Hagar Peeters gaat met haar 10-jarige zoon Abel op zoek naar de zeldzame draakachtige komodovaraan in Indonesië. ‘Ontmoet je een komodovaraan, dan weet je dat je oog in oog staat met iets onvoorstelbaar ouds.’

Aan boord van de kleine boot met open dek krijg ik een déjà vu. De woonkamer van het ouderlijk huis, de wandbreed uitgestrekte planken met boeken, hoe oud zal ik geweest zijn? Een jaar of 5, 6? Mijn moeder houdt me een oude zeeplaat voor met verre eilanden en zeemonsters, uit hun gekromde ruggen met verknoopte staarten spuit water op, mijn blik blijft lang haken aan de scherpe tanden in hun bek. Nu pas ben ik eindelijk op weg daarheen. En dat monster bestaat!

Draken moeten worden verslagen en oude zeemonsters gevonden. Want ze vertegenwoordigen alles waarvoor we ooit bang waren: het monster onder ons bed, zijn schaduw op de muur, de scherpe tanden in zijn bek. Maar ook Ninjago, de gevleugelde, vriendelijke draak in het kinderboek, die zijn van lego gemaakte vleugels uitslaat in onze hand, en de groene dampen uit zijn neusgaten in Disneyfilms. Diep vanbinnen verwachten we hem nog altijd achter elke boom in het bos, zijn klauw om ons been op de ladder naar de hoogslaper, en later halverwege de volgende trede op onze carrièreladder. Hij ligt in ons onderbewuste op de loer zonder al die eeuwen ooit een oog dicht te hebben gedaan en zonder dat ooit te zullen doen.

En omdat het monster nog steeds bestaat, maar bijna uitgestorven is, en ik een 10-jarige zoon heb die hem daarvoor wil behoeden en hem nog wil zien voor het te laat is, zijn we nu op weg naar de Indonesische Komodo-eilanden. We zitten op een wankele boot met een zwijgende kapitein en zijn jonge zoon.

Toen mijn zoon Abel hoorde dat ik was uitgenodigd voor een dichtersoptreden tijdens het Gong Laut Festival op Noord-Bali, riep hij: ‘Dat is vlak bij Komodo, de enige plek waar de komodovaraan voorkomt, mama, daar wil ik naartoe!’

Abel is het kind van een generatie die het besef van uitstervende diersoorten met de paplepel ingegoten heeft gekregen. Het is enigszins wrang te moeten vaststellen dat de wijsheid van deze Freek Vonkjes in de dop vooral is gestoeld op hun besef van de vergankelijkheid van onze aarde.

Sinds zijn 7de is Abel al bezig met het maken van een ‘Atlas van Taiqan’: een niet bestaand land waarin alle ooit uitgestorven dieren voorkomen, samen met alle nog bestaande dieren en zelfverzonnen combinaties daartussen. De atlas omvat inmiddels meer dan duizend zelfbedachte dieren, allemaal minutieus getekend en voorzien van zelfgewrochte Latijnse namen, en kent ook beschrijvingen van Taiqans land en volk, voedsel en spraak. Dit is Abels eigen poging om de wereld te bewaren voor de ondergang.

Tekeningen door Abel Peeters. Sinds zijn 7de is Abel al bezig met het maken van een ‘Atlas van Taiqan’: een niet bestaand land waarin alle ooit uitgestorven dieren voorkomen Beeld Abel Peeters

‘Welcome to FBI, Flores Beautiful Island.’ Onze gids Augustino, voormalig beroepspokeraar, lacht zijn sneeuwwitte tanden bloot. Nu doet hij zijn trucs met kaarten alleen nog voor ons en voor de toeristen die hij rondleidt met zijn eigen tours over Flores. ‘Tjongejonge, lanterfanten, kinderboerderij,’ zomaar wat woorden die hij van zijn Nederlandse cliëntèle heeft opgepikt, hij laat ze lekker over zijn tong rollen.

Onderweg naar Tado Eco Village, een community based tourism-dorp in het binnenland, zien we katholieke kerkjes en moskeeën gebroederlijk naast elkaar staan. In Tado zijn van de 87 woningen nu 14 in gebruik als homestay, toeristenverblijf. Een vrouw zit onder een boom macadamianoten te pellen, nog altijd de voornaamste inkomstenbron van het dorp, veel meer nog dan het toerisme. Ook onze gastvrouw Mama Mary verdient er de kost mee. Bij een ander huis zit een oudere vrouw, ook in de schaduw van een boom, een sarong te weven, en bij weer een andere homestay zien we hoe de moeder des huizes bamboematjes vlecht. Ondertussen bakt oma in bewonderenswaardige hurkzit lemen potten en pannen. Hier wordt hard gewerkt. Ik betrap me op de gedachte dat alles in scène is gezet voor ons, de rijke toeristen. Met die opmerking kan ik op de laatdunkendheid van Augustino rekenen. ‘Nee, dit is wat ze altijd doen.’

Gezicht op Flores, een van de Kleine Soenda-eilanden ten oosten van Soembawa en Komodo. Beeld Hagar Peeters

Flores is ontzettend mooi. Augustino heeft niets te veel gezegd. Niet voor niets draagt het de naam Bloemen. Ze groeien overal, zowel bovengronds als onderwater, waar het koraal nog redelijk intact is. Een bijzonderheid, in deze tijd. Daarom lokt Labuan Bajo, hoofdstad en havenstad van waaruit je het Komodo National Park kunt bezoeken, niet alleen varanennajagers, maar ook duikers die willen zwemmen met de reusachtige mantaroggen, de ‘aardige oceaanreuzen’. Schaarse, grote en iconische dieren, daarvan moeten de Floresianen het hebben.

Het Komodo National Park bestaat uit vijf eilanden, waarvan ik het liefst naar Gili Motang wil (waar volgens het laatste onderzoek uit 2016 nog 79 komodovaranen voorkomen) of naar Nusa Kode (daar zijn er nog 55), in plaats van naar het, stel ik me zo voor, veel toeristischer Rinca (1.500 komodovaranen) of Komodo Eiland (nog 1.300). Op Padar, het laatste eiland, zijn de komodo’s inmiddels uitgestorven. Op Flores zelf schijnt er volgens dubieuze overlevering nog één te zijn, een oude en eenzame komodovaraan; vissers hebben het de gids verteld.

De komodovaraan is nogal op z’n rust gesteld. Beeld Hagar Peeters

We varen eerst naar Rinca voor het regelen van toestemming voor een bezoek aan de andere eilanden, en van een ranger. Zonder ranger kun je geen komodo’s zien, weet iedereen, dat is veel te gevaarlijk. Vorig jaar nog is een toerist gebeten die zonder ranger al fotograferend te dicht bij de dieren was gekomen, terwijl die juist zaten te eten. Nooit doen: te dicht bij etende beesten komen, bij etende mensen ook niet, tenzij je voor de maaltijd bent uitgenodigd. Dus die vent staat daar pal bovenop die schrokkende monsters met zijn camera in de aanslag, en wat hij niet ziet, is dat de aanslag op hemzelf zal worden gepleegd.

Abel lacht: 1-0 voor de varanen!

De komodovaraan, die hij eindelijk in het wild zal gaan ontmoeten, is al jaren zijn lievelingsdier: de Mosasaurus, een gigantisch zeereptiel dat 65 miljoen jaar geleden leefde tijdens het Krijt en waarvan de lange staart nog door het water sloeg waar nu de Maas stroomt, was zijn voorouder. Hou de plaatjes naast elkaar en zoek de paar verschillen: vinnen werden poten, lijf en kop raakten meer gedrongen, dat is het wel zo’n beetje.

Onderweg naar Komodo. Beeld Hagar Peeters

De komodovaraan is de grootste nog levende hagedis. Hij heeft geen natuurlijke vijanden en een beet is dodelijk, vanwege de oeroude bacteriën in zijn bek, waartegen alleen hijzelf resistent is. Als de beet eenmaal is toegediend, wacht het beest tot de prooi na een paar dagen vanzelf sterft aan zijn wond; hij volgt heel lui gewoon het geurspoor naar de plaats waarheen de gebetene zich heeft gesleept en vreet hem op met huid en haar. Ontmoet je een komodovaraan, dan weet je dat je oog in oog staat met iets onvoorstelbaar ouds. Komodo National Park is eigenlijk het niet-fictieve Jurassic Park. Nu staan wij op het punt dat land te betreden.

Op Rinca springt de kapitein van boord om de boot af te houden, verliest daarbij bijna zijn voet, maar is ervaren en springt zo langs het noodlot heen. Dan komen de touwen die zijn zoon behendig wendt, de boot ligt vast. Water schittert en klotst als wij van de boot stappen en we al te stram en te mensachtig aan land gaan. De lucht is staalblauw, de zon schijnt vinscherp, er is een pier met een paar verlaten bootjes. Geen andere toeristen, stel ik juichend vast, het is laagseizoen.

De toegangspoort op Rinca Island. Beeld Hagar Peeters

Voorbij de komodohoge toegangspoort worden we alleen opgewacht door onze ranger en een stel hitsige apen. De gids ontdoet er een van zijn gestolen kaartspel en wordt haast aangevallen door de woedende aap die zijn kaarten terugeist. Als we het eiland op slenteren, telt Abel meteen al elf komodovaranen: van dikke grote zware mannetjes die in groepen hun voedsel liggen te verteren, tot een wat kleiner vrouwtje op een nest, en een loslopend jong op onderzoek in de tropische savanne, dat schrikt als wij de achtervolging inzetten, en de vertrouwde vluchtmethode van het boomklimmen voor ons aanschouwelijk maakt. Hij heeft nog felle kleuren, zijn staartpunt en tongpunt flikkeren in de zon.

De ranger sjokt er onbewogen tussendoor, de varanen verzetten geen poot en staren hem angstig na. Hij is gewapend met een lange stronk waaruit twee punten steken. Met die tweetand, die lijkt op hun gespleten tong, maakt de ranger zich in de ogen van de komodovaraan tot een nog grotere komodovaraan. Zoals de varanen aan zijn voeten liggen, lijkt hij wel Hades, de Griekse god van de onderwereld, die ook een tweetand droeg en aan wiens voeten de driekoppige hond Cerberus kronkelde, soms met een slangenstaart of draak als staart, en ontelbare slangenkoppen op zijn rug.

Een komodowijfje op haar nest. Beeld Hagar Peeters.

Tanden zo scherp als spiesen, een adem die walmt als onderwerelddampen, hier verbaast dat niemand. Ook de duivel heeft zo’n splitsing in zijn staart, we zijn in het oord van de mythologie beland, van verre oorsprong en oorzaak en ondoorzichtig verband. Het mysterie is nog even groot als alle kennis en wetenschap over het mysterie, en daarom hunkert mijn zoon naar deze plek en trekt mij met zich mee.

Het is oktober, de meeste beesten hebben gepaard, gebaard, gebroed – maanden zitten ze op hun eieren die ze, heel gewiekst, in maar één van de zes gegraven gaten begraven. Slechts een à twee jonge dieren uit de soms dertig eieren overleven het, ondanks de kannibalistische pogingen van hun roofzuchtige moeders, die zelfs niet nalaten op hun eigen kinderen te jagen zodra die uit het ei gekropen zijn. Daarom klimmen de jonge komodootjes onmiddellijk in een boom, waar ze blijven tot ze 3 jaar oud zijn, en sterk genoeg om hun volwassen familieleden te weerstaan.

Wij wijken geen moment van Hades’ zijde. In de slagschaduw van de stronk strompelen we achter hem aan, beducht voor wat links en rechts, of achter onze rug gebeurt, je weet maar nooit. We huiveren bij hun draakachtige aanschijn, hun lengte van 3 meter. Maar er gebeurt niets, het lijkt wel poppenkast, de dieren moeten die ochtend zijn gevoed, al ontkent elke ranger dat. Ze liggen er bij als overwonnen draken, luie lobbesen onder een afdak in de zon, soms zelfs met hun ogen dicht alsof ze slapen. Maar dat is schijn. Nog een beetje dichterbij en het oog schiet open. Het beest is snel op de been, veel sneller dan jij. Ontkomen in een rechte lijn is onmogelijk, en ook via het water heeft geen zin: hij zwemt als Mosasaurus’ kleinzoon nog altijd als de beste. Alleen zigzaggend wegrennen kan redding bieden: het beest raakt dan in de war, want zigzaggen kan hij niet. Zo staan wij daar oog in oog met de monsters. Abel kent de gevaren. De ranger spoort hem aan een paar stappen naderbij te doen, maar hij weigert en ik houd me aan zijn onfeilbare kennis.

De minder toeristische eilanden Gili Motang en Nusa Kode lokken ons, maar een bezoek gaat zomaar niet. We hebben een kleine boot omdat we maar met een klein gezelschap zijn. De motor is niet krachtig genoeg voor de gevaarlijke vaargeul naar deze meer afgelegen eilanden. De stroming is te sterk, behalve tussen vijf en zes uur ’s ochtends, vertelt de kapitein. Dan moet je op het eiland blijven tot drie uur ’s middags, wanneer de stroming opnieuw een uur lang is afgezwakt en je er vandaan kunt varen.

Traditioneel dorp op Mesa-eiland met steltenhuizen, hier wonen de Bajau, ‘zeezigeuners’. Beeld Hagar Peeters

Bovendien, horen we bij de entree van Rinca, moeten we voor een bezoek aan Gili Motang of Nusa Kode toestemming halen in Jakarta. Maar als ik vraag naar de opperranger, en deze sheriffachtige ‘Uncle Joe’ mijn rupia’s ruikt, weet hij wel geheime routes overzee naar die afgelegen oorden waar de komodovaren langs de stranden kuieren. Nu komt de kapitein er weer tussen, die bromt dat de stroming nog te sterk is.

Mijn oog valt op de 52-jarige ranger Sofian, die zegt aan de andere kant van Rinca te wonen, drie uur gaans over land, hij kan ons begeleiden. Ook daar zijn komodovaranen. Sinds de regering de jacht op het voedsel van de dieren heeft verboden, zijn ze ook vaker te vinden in de dorpen zelf.

Sofian gaat er eens goed voor zitten. Voor hem op tafel pronkt een schelp zo groot als zijn hoofd, die dienst doet als asbak – het woord ervoor is aan de Nederlandse kolonialen ontleend. Terwijl hij zijn peuken erin dipt, trakteert hij mij op het sprookje dat hem als kind werd verteld: ooit beviel een vrouw van een ei en van een kind. Uit dat ei kwam de komodovaraan. ‘Wij zijn dus naaste verwanten van de varanen, zij zijn onze broeders. Wij jagen niet op deze grote broers, maar beschouwen ze met respect.’ Zo kijken volgens hem de bewoners van de eilanden naar de dieren.

Wel zijn ze zeker bang voor de varanen. Ongestelde vrouwen blijven de hele week binnen, want komodovaranen ruiken hun bloed van vijf kilometer afstand. Ook toeristes die hun periode hebben, mogen niet op het eiland, al wordt dat nergens en door niemand verteld. Ik hoorde het toevallig van Silke Behl, de organisator van het Gong Laut Festival op Bali waar ik optrad. Zij verbleef tien jaar geleden op Rinca bij mensen thuis, in hun eigen huis dat op palen stond. ’s Nachts werd de ladder opgehaald. Ze was daar met haar dochter, die ongesteld was, en met een vriendin, die ’s nachts moest plassen en de ladder niet af durfde om tussen de varanen te gaan hurken.

Zwemmende meisjes bij Mesa-eiland. Beeld Hagar Peeters

Tot zover het wilde beest komodo. Alle alarmbellen gingen af toen een aantal jaren geleden een komodo dood werd gevonden met plastic in zijn bek. Als bloemen op de mestvaalt van Flores schoten de zelfbenoemde groepjes milieubeschermers uit de grond, zoals Trash Hero, KSU Sampan Komodo en Indonesian Waste Platform, en bedachten een komodo-overlevingsprogramma. Zoals Augustino de woorden ‘lekker, lanterfanten, kinderboerderij’ over zijn tong laat rollen, zo rollen bij de Trash Hero’s de magische vier r’s in hun poging de schooljeugd bewust te maken van het plasticgevaar: ‘recycle, reduce, reuse, refuse’. KSU gebruikt hetzelfde traditionele volksverhaal als ranger Sofian mij vertelde om kinderen te leren respectvol met hun omgeving om te gaan.

De Trash Hero’s reinigen stranden, KSU ontwikkelt educatieve programma’s waarmee ze kinderen bewust maken geen plastic weg te smijten en te zorgen voor het milieu. In 2012 werden de Komodo-eilanden door de Indonesische regering uitgeroepen tot ‘7th Wonder of Nature’, en sindsdien is het toerisme verveelvoudigd. In 2015 volgde Unesco en riep Komodo National Park uit tot ‘beste plek voor duiken en snorkelen’. Het milieubewustzijn volgde schoorvoetend, steeds meer particuliere initiatieven worden opgezet om het tij te keren, terug naar oude ambachten en natuurlijke materialen.

De homestays in Tado Village lopen met hun oude ambachtelijkheid weer voorop. Ziedaar de wet van de remmende voorsprong. Van Rinca varen we naar het eiland Komodo. In de luwte beweegt de boot niet te zeer en daarom brengen we hier op het water door. Het scheepje schommelt als een wieg, ik waan me geborgen door een handvol stille eilanden in het midden van de oceaan, als ik van mijn matras word gelicht door een heftig lawaai. We hebben dan wel de sterke stroming vermeden, maar nu deinen we mee op snoeiharde geluidsgolven die over het water komen aandrijven en die komodovaranen verjagen zoals ze, vertelt de gids, eerder al de vliegende vossen hebben verdreven.

Het is volle maan, dat verklaart de commotie bij de Komodianen. In Komodo National Park wonen vierduizend mensen, die houden van feesten bij huwelijksvoltrekkingen, bij volle maan, of omdat hun pet ernaar staat. Ze willen zich losmaken van hun ‘boerenachterland-imago’, zoals de manager van ons hotel het noemde. Daarom zetten ze het op een housen, met harde muziek en veel alcohol. ‘Hmmm, arak’, verzucht de katholieke Augustino de volgende ochtend. ‘We trouwen onderling en komen op elkaars feesten. Mijn moslimvrienden zeggen: ‘Geluk duurt maar zo kort, en is maar moeilijk te vinden, dus als je het even te pakken hebt, kun je het beter met beide armen vastgrijpen en het op een zuipen zetten!’’

Ik kijk opzij naar mijn zoon. Hij luistert niet. Hij volgt met zijn ogen de bomen die voorbijschieten langs de weg. Talloze vogels kent hij bij naam en toenaam, hij merkt hagedisjes op die over de stammen kruipen; de kleine neefjes van de komodovaranen waarvoor we zijn gekomen. Al het menselijke gekrakeel laat hem nu koud. Zijn ogen speuren naar civetkatten. Hij drinkt alles in, ‘het wemelt hier van het leven,’ mijmert hij hardop. Soms lijkt hij een poosje in zichzelf verzonken. Zo keek hij ook een paar keer op de boot, voor eventjes jaren ouder.

Informatie

We reisden met Footprint Travel uit Utrecht en diens lokale partner Travel Khiri. De officiële website van het Komodo National Park: komodonationalpark.org.

Volkskrant Magazine bedrijft onafhankelijke reisjournalistiek. Reizen kunnen deels worden betaald door derden, maar zonder toezeggingen over onderwerpkeuze en presentatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.