Naar de ochtendzee

In de vroege 20ste eeuw maakten gegoede Europeanen de treinreis van de Zwarte naar de Kaspische Zee – van de zee waar Europa eindigt naar de zee waar Azië begint....

In Batumi, Georgië, gaat de zon onder in de Zwarte Zee. Zodra de zon in zee zinkt, vullen de kiezelstranden zich met geliefden. Hun silhouetten steken af tegen een glinsterende waterspiegel. Achter het strand liggen parken die zwaar geuren naar een zoete subtropische vegetatie – de lucht is hier warm en vochtig.

Achter de parken begint een broeierig, chaotisch stadje waarin splinternieuwe kantoortorens en casino’s oprijzen naast zwaar vervallen panden, van buiten veroverd door klimop, van binnen door onkruid.

Batumi: stad van verval en vrachttankers, spelers en sjacheraars – Georgisch, Grieks, Russisch, Joods, Turks, Armeens. Steeds opnieuw werd deze regio getroffen door plagen en potentaten. In de haven van Batumi bleef veel van het gewone leven altijd hetzelfde. De Griekse Aleksandros, student aan de maritieme academie en iedere avond te vinden in een gokhal, noemt Batumi ‘een plek om het geluk te vinden en het een paar uur later alweer kwijt te zijn’.

In Batumi begonnen gegoede Europeanen met een hang naar het exotische zo’n honderd jaar geleden aan een treinreis dwars door de Kaukasus. In de 19de eeuw waren in Bakoe, 700 kilometer oostwaarts, aan de westkust van de Kaspische Zee, flinke olievelden aangetroffen. De Russische tsaar zag voor Batumi een bestemming weggelegd als oliehaven. In 1883 gelastte hij de aanleg van een spoorlijn tussen de Zwarte en de Kaspische Zee.

Rijke Fransen en Britten ontdekten al snel de charme van een treinreis van een oostkust naar een westkust, van een zonsondergang naar een zonsopgang, van de zee waar Europa eindigt naar de zee waar Azië begint. Een lang leven was dit toerisme niet beschoren. Medio 1920 werd de Kaukasus ingelijfd bij de Sovjet-Unie. Toen het communistische imperium zeventig jaar later instortte, viel de regio in een mum van tijd ten prooi aan etnisch geweld en interne strijd. Na 1993 kalmeerde de situatie in Georgië, om zomer 2008 weer te escaleren.

Welke tragedies zich hier ook hebben afgespeeld, wij willen de chique, bevoorrechte westerse toeristen van weleer gaan nareizen. Honderd jaar na hen stappen wij in Batumi op een trein naar het oosten, op een vreemd nieuw glazen treinstation, waar een oude broodjesdame nog een telraam hanteert.

In de wagons hangen televisies. Je kunt kijken naar de emotioneel gesticulerende Georgische president Michail Saakasjvili, of naar nauwelijks geklede lokale MTV-babes. De trein hobbelt door een magnifiek landschap. Aan de linkerkant de diepblauwe Zwarte Zee, aan de rechterkant vaalwitte trappen die leiden naar 19de eeuwse zomerpaleizen, omringd door palmen en rood struikgewas.

Na een uur buigen de rails naar het oosten. Het landschap wordt woest en desolaat, ver weg verschijnen de uitlopers van het Kaukasus-gebergte. De schaarse gebouwen die opdoemen zijn vaak ruïnes, aangetast door de tijd, gebombardeerd in 1993, gebombardeerd in 2008.

In de trein wordt flink gedronken en gepraat – over de Russische dreiging, over de vreselijke ‘Gas-Poetin’ in Moskou, over de onzekere toekomst van Georgië. We horen dat Michail Saakasjvili als dappere Vader des Vaderlands strijdt voor de Georgische eer. Maar we horen ook dat de president een onberekenbare, emotionele, narcistische potentaat is.

Sorena en Inga zijn twee Georgische dames van middelbare leeftijd met goudgelakte nagels en slechte huwelijken die, zodra zij onze nationaliteit vernemen, mooie dingen vertellen over de echtgenote van Saakasjvili, Sandra Roelofs, de Zeeuwse first lady van Georgië. Met haar rust en discretie is Sandra de tegenpool van haar vent, horen we van Sorena. De president is een warmbloedige Georgische macho. Het ene na het andere meisje wordt door hem verslonden. ‘Sandra lijdt als alle Georgische vrouwen’, verzucht Inga, ‘en daarom houden wij van haar’.

Halverwege de reis wisselen wij de tv-trein voor een schokkende boemeltrein met brede houten banken maar zonder ruiten. Voor de somma van 38 eurocent gaan we verder, omhoog naar de Georgische hoofdstad Tbilisi. Het landschap is groen en woest. Het gebrek aan comfort wordt ruimschoots gecompenseerd door de hartelijkheid van onze medereizigers, mannen en vrouwen met rode, verweerde gezichten. Velen vervoeren flessen rode ‘familiewijn’ – wijn uit eigen gaardjes – naar de hoofdstad.

Tbilisi wordt aan drie kanten ingesloten door bergen en rotsen. Het treinstation is een sinistere betonnen Sovjetkolos – een straf voor een stad die elders een overweldigende hoeveelheid prachtarchitectuur herbergt. Hier zie je blauwe en zeegroene neoklassieke Europese panden met witte gestapelde veranda’s naast veel oudere, ronde oriëntaalse bouwwerken met schitterende mozaïeken. Het verval is op veel plekken dramatisch, klimop fungeert als weldadig masker.

Het meest karakteristiek zijn de kerken. Ze verrijzen op heuvels aan weerszijden van de rivier de Mtkvari. Ze stromen dagelijks vol met jongeren. De meisjes leggen bij binnenkomst dunne doorzichtige hoofddoeken over hun dikke zwarte haren, maar bedekken hun ledematen niet. Overal branden kaarsen, geurt de wierook en worden iconen, deuren en zuilen gekust. Al anderhalf millennium geeft het christendom hier acte de présence. Aan het begin van de 21ste eeuw is het dé steunpilaar van dit onzekere land, geïntimideerd door Russische tanks.

Al bij de kerken worden drinkhoorns, drinkkommen en drinkbekers verkocht. Het zijn de attributen die onherroepelijk leiden naar dat andere cruciale bestanddeel van de Georgische cultuur: de rode wijn. In een beetje drinkhoorn gaat een halve liter. Een drinkhoorn kun je niet, zoals een glas, op tafel laten rusten. Dat is ook niet te bedoeling: de inhoud van een hoorn nuttig je op een Georgisch feest in één enkele teug.

Wij bekwamen ons in dit eeuwenoude ritueel aan tafel bij de kogelronde Georgische heer Temuri Kheladze, die liters zware rode familiewijn en kilo’s stevig voedsel voor zijn buitenlandse gasten laat aanvoeren. Het feestmaal wordt opgeluisterd door drie jonge tafelzangers, die de drinkrituelen onderbreken met liederen over wijn, vriendschap en vergankelijkheid.

Met lichte weemoed en een zware kater begeven we ons weer naar het betonnen station, waar een van oorsprong Russische nachttrein wacht die ons naar de Kaspische Zee zal brengen, naar Bakoe in Azerbeidzjan. De slaapwagons dateren uit de jaren ’50, zijn gedecoreerd met hout en stoffige tapijten en ruiken ‘oud’.

Al bij binnenkomst betreden we een ander universum, dat van de Oriënt. Uit de luidsprekers klinkt Azerische folklore, voor niet-ingewijden nauwelijks te onderscheiden van de Turkse.

Het Georgische douanekantoor is een armoedige bouwkeet, het Azerische een gloednieuw complex, opgesierd met kerstlichten, kunstherten en een ruimhartig bemeten propagandabord van papa en zoon Alijev: de oude en de nieuwe sterke man van Azerbeidzjan.

’s Ochtends in alle vroegte bereikt de trein de Kaspische Zee. Rechts van onze wagon rijst de zon op uit een rode watermassa. Als zij even later een dor, kaal landschap vol ja-knikkers en plastic afval in een scherp licht zet, begrijpen we waarom Azerbeidzjan kapitaalkrachtiger is dan Georgië. Naarmate we Bakoe naderen, walmt de olielucht de trein binnen. We zien olietreinen, olietankers en olieplassen tegen een woestijnachtige achtergrond.

Bakoe: eindpunt van onze trein en onze reis. De cultuurschok is gigantisch. Wolkenkrabbers met luxe appartementen schieten uit de grond, naast neo-oriëntaalse paleizen waar de Alijev-clan zaken doet met buitenlandse olietycoons. Stoepranden zijn van marmer, fonteinen van het duurste natuursteen. Het opgekalefaterde stadscentrum biedt onderdak aan Armani en zit de godsganse dag verstopt met luxeauto’s, opvallend vaak champagnekleurig.

Over de winderige boulevard langs de Kaspische Zee wandelen moddervette, in krijtstreeppakken gestoken expats van British Petroleum, naast steenrijke Azeri’s met gouden kettingen, in het gezelschap van volle, met juwelen behangen dames. Veel gebitten bevatten gouden tanden, die hier als statussymbool fungeren.

Alleen in de middeleeuwse oude stad met haar sfeervolle, naar kaneel ruikende straatjes klinkt af en toe een gebedsoproep uit een minaret. Maar zo voelbaar als het christendom was in Tbilisi, zo afwezig is de islam hier in Bakoe. Net als de treinreizigers van een eeuw terug zijn we uit een arm, godsvruchtig Europa in een mondaine Oriënt beland – zeventig jaar Sovjetcommunisme ten spijt.

Het Bakoe van de olie, de juwelen en de expats eindigt aan de rand van het stadscentrum dat niet zonder reden foreigners city heet. Even daarbuiten worden mooie maar armlastige oude straatjes weggebulldozerd. De oude en de jonge Alijev grijnzen voorbijgangers toe vanaf propagandaborden.

Asim is een hartelijke jongen die op de winderige boulevard aan zee vrijuit praat over films, popmuziek, literatuur, religie en wat al niet meer, maar die zijn stem ineens dempt en de vinger op zijn lippen legt als de naam Alijev valt: ‘Pas op, dit is geen vrij land.’ Vrij voelt hij zich alleen als hij naar de zee kijkt, zegt hij. Heel veel jongeren van Bakoe praten en drinken de hele nacht aan de winderige boulevard, om ’s ochtends in alle vroegte de zon uit de Kaspische Zee te zien opkomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden