Met de Mercator naar de Stille Zuidzee

Met welke reislectuur vermaakten zich temidden van de vier muren van hun huiskamer onze (over)grootouders? Naar welke exotische landen lieten ze zich op papier meeslepen door landgenoten die het avontuur zochten en er ook nog over schreven?...

Aan de wal heb je het ook: Friezen staan een tree hoger dan Groningers, vinden ze. Antillianen voelen zich meer dan Surinamers. Marokkanen beschouwen zichzelf slimmer dan Turken. Amsterdammers - en zeker de nieuwkomers - hebben het imago dat ze ver verheven zijn boven elke andere Nederlander.

Op zee is het niet anders. De bemanning van een containerschip kijkt neer op het ruige volkje in de kustvaart. Omgekeerd gaan er verhalen over officieren in de tankvaart die bij de evenaar pas hun tropenkleding mogen dragen wanneer meneer-de-gezagvoerder zelf in zijn korte uniformbroek op de brug is verschenen.

Algemeen in de koopvaardij is het dédain voor de marine, die varende ambtenaren die volgens overlevering altijd elkaars schepen rammen bij mooi, windstil weer. Tot die ambtenaren je een keer moeten redden met hun helicopters. Maar het blijven ambtenaren.

Onderaan, echt helemaal onderaan op de ladder staat de overgrote, niet-varende meerderheid, al die mensen die wakker liggen omdat bij windkracht 9 het zolderraam zo akelig klappert. Op zee rammeien golven de brug en iedereen aan boord voelt zich nietig, maar toch: liever een nietige sardine dan als een sardine in blik. Je leeft op zee met de elementen, niet met reglementen.

Een zeeman die is veroordeeld tot de wal, is er slecht aan toe en zoekt een uitlaatklep. Hij gaat drinken, of schrijven, of allebei. De Belgische kapitein Albert de Bock was niet de eerste - en eerlijk gezegd ook niet de beste - die ging schrijven. Maar hij deed dat wel heel eerlijk.

In 1944, na de bevrijding van Antwerpen, hadden uitgevers in België weer voldoende drukinkt en fotopapier. Toen verscheen Met de Mercator naar de Stille Zuidzee, een zeldzaam saai boek. De Bock was de ladder helemaal afgedaald. Voor de oorlog zat hij in de lijnvaart: varen van A naar B, naar C, naar D en dan weer terug naar A. Geen spannend bestaan, maar dat geldt voor de meeste zeelieden. Op een paar momenten na is varen niet spannender dan babysitten.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was De Bock 'gedegradeerd' tot varend ambtenaar. Hij voer als stuurman op de Ville de Bruges. Het marineschip overleefde de Duitse aanval niet, De Bock wel. Terug aan de wal raakte hij in de greep van de heimwee.

Hij dook in dagboekaantekeningen die hij in de jaren dertig had gemaakt. 'Onbenullige geschriften' waren het volgens hem, maar De Bock kon het niet laten ze door te bladeren in zijn heimwee naar de eeuwige deining en in het bijzonder naar de eilanden in de Stille Zuidzee en de hartelijke vrouwen die hij er had ontmoet.

Hij was een 20-jarige kadet, toen hij aan de reis van zijn leven begon. Op 5 oktober 1934 vertrok hij uit Antwerpen met 47 andere leerling-zeelieden op de Belgische driemaster Mercator. Doel waren drie onderzoekers - een Fransman, een Belg en een Chileen - die opgehaald moesten worden van de Paaseilanden, die mysterieuze eilandengroep op ruim drieduizend kilometer uit de kust van Chili. Ruim zeven maanden zou de reis duren en dat was positief nieuws in een tijd van crisis en ellende.

Het had iets van een schoolreisje. De vader en moeder van 'Bockske' waren aan boord en nog tientallen andere ouders, genodigden en verslaggevers. 'IJverige journalisten doen hun best om alles zoo getrouw mogelijk te nooteren', noteerde de jonge Albert 's avonds zelf. Hij legde ook zijn verbazing vast over 'de duizenden flesschen bier' die aan boord werden gestouwd. Ondertussen werden vermaningen uitgedeeld. Moeder de Bock: '. . . en vergeet geen kaartje te zenden naar nonkel Dolf en tante Marie.'

Precies dezelfde sfeer heerste er zeven maanden later bij terugkeer, althans aan de wal. Het gemotoriseerde opleidingsschip was klein genoeg om via de sluizen van Wintham naar Brussel te varen. Daar stond de leerlingen en hun officieren weer zo'n feestelijke bijeenkomst te wachten als in Antwerpen.

Maar de zee had zijn werk gedaan. De aspirant-zeelieden hadden weliswaar weinig bemoeienis gehad met het eigenlijke werk. Ze leerden veel van wat eigenlijk al was achterhaald door de techniek: houten dekken schuren, zeilmaken en zeilen hijsen. Ze gingen naar de mis, kregen elke week een uur militair onderricht. De Vlamingen leerden Frans, de Walen Nederlands. Ze dineerden keurig en mochten zich 'na het souper' vertreden aan dek.

Met slaapverwekkende precisie heeft De Bock het genoteerd. Net als de keurige uitstapjes aan de wal, waar vriendelijke meisjes klaarstonden met bloemenkransen. Van vrijwel elk ontvangscomité worden de notabelen opgesomd.

Het spannendst was de toevallige ontmoeting van een van de kadetten met twintig leprozen op het Paaseiland. Achter prikkeldraad wachtten ze op hun dood. De jongen smeet uit medelijden alles wat hij bij zich had over de omheining.

'Ze waren deerlijk om te zien. Een jongen van een jaar of vijftien speelde op een mondmuziek en ik kon niet begrijpen hoe hij het kon vasthouden, want zijn vingers waren tot stompjes afgezet.' Toen hij zag wie zijn sigaretten en kleingeld opraapte, begreep hij dat die mensen melaats waren en hij holde weg uit angst voor besmetting.

Enige spanning was er ook aan boord toen een reusachtig stenen beeld van het Paaseiland aan boord moest worden gehesen en kort daarop een brokstuk van zo'n beeld. De drie geleerden hadden de schat gevonden onder het zand en mochten de buit mee terug nemen naar Europa.

Veel spannenender kan De Bock het ook niet maken. Maar vlak na de oorlog moet het een populair boek zijn geweest, zeker in Nederland. Na de bittere jaren van de Duitse bezetting zat het armoedige Nederland nog jaren op slot. Reizen naar het buitenland gingen ten koste van het nauwelijks groeiende deviezenvoorraadje dat het ministerie van Financiën streng bewaakte. Voor reizen naar het buitenland was niet alleen geld nodig - wat vrijwel niemand had - maar ook een vergunning. De Bocks boek was een venster op de wereld.

En wat de zee had aangericht onder de kadetten van de Mercator is duidelijk. De Bock over de aankomst in Brussel: 'Als ik een uurtje later met mijn ouders aan wal stap, voel ik me zo gelukkig als een kermisvogel. Doch naarmate ik me van het schip verwijder, voel ik den weemoed in mij opwellen.'

De Mercator bestaat nog. De barkentijn is verheven tot monument en ligt als museumschip in Oostende.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden