De gids Sevilla

Met architecten Antonio en Antonio door de patio’s van Sevilla

Ze verbouwden het Nederlandse Rijksmuseum en gaven voetbalclub Atlético Madrid een nieuw stadion. Hun roots liggen in de Zuid-Spaanse stad waar ze ook zetelen. Architecten Antonio Cruz en Antonio Ortiz gidsen ons door Sevilla.

Altijd in deze opstelling: links Antonio Cruz en rechts Antonio Ortiz. Beeld Io Cooman

Architect Antonio Ortiz weet het nog goed. Een oud-directeur van het Rijksmuseum, Ronald de Leeuw, was voor overleg in Sevilla en vroeg aan de architecten die zijn museum verbouwden: ‘Wat moet ik hier beslist gaan zien?’

‘Het Real Alcázar’, zei Ortiz zonder aarzelen. ‘Even later belde hij me op: ‘Antonio, ik ben in het paradijs!’’

Ook wij hebben afgesproken bij een van de poorten van het koninklijk paleis van Sevilla. ‘Het is nu eenmaal de fraaiste, de heerlijkste plek van de stad’, zegt Ortiz. ‘Vooral in de lente: dan is het hier vol met bloemen.’ Ortiz is de niet-toerist tussen de toeristen. Ondanks de drukkende warmte draagt hij een donkergrijze lange broek, een grijs overhemd en een lichtgrijs jasje. Antonio Cruz, de andere helft van het Sevillaanse architectenduo, zal later aansluiten.

De twee zijn in Nederland vooral bekend vanwege hun verbouwing van het Rijksmuseum. Ze ontwierpen daarnaast huizenblokken op het Java-eiland in Amsterdam en in de wijk Céramique in Maastricht. In Spanje is een van hun belangrijkste bouwwerken het nieuwe stadion van de tweede voetbalclub van de hoofdstad, Atlético de Madrid.

Antonio en Antonio

Antonio Cruz (1948) en Antonio Ortiz (1947) zijn twee architecten uit Sevilla die in Nederland vooral bekend zijn vanwege hun verbouwing van het Rijksmuseum. Hun werk wordt gekenmerkt door een zekere soberheid: bij de opening van het nieuwe Rijksmuseum beklaagden ze zich over hedendaagse architecten die ‘zichzelf met onbeleefde gebouwen op de voorgrond willen zetten’ bij een restauratie van een oud gebouw.

De architectuur van de twee Antonio’s is vooral te vinden in Andalusië, in het zuiden van Spanje. Ze ontwierpen daar tal van openbare gebouwen: stations, universiteiten, overheidsgebouwen, stadions, bibliotheken en zelfs een berghut.

Eén van hun meest in het oog springende bouwwerken bevindt zich echter in Madrid: Cruz en Ortiz ontwierpen daar een nieuw stadion voor voetbalclub Atlético. Ze kozen voor een overkapping van een materiaal dat resoneert – dat past goed bij een club waarvan de fans bekend staan om hun onvermoeibare gezang.

Behalve in Sevilla hebben Cruz en Ortiz ook kantoren in Madrid en Amsterdam.

Ortiz neemt ons mee de tuinen van het Alcázar in. Hij is er bekend, hij kwam er als jongen al, toen hij hier vlakbij naar school ging. Tegen de stroom van de bezoekers in dwalen we van de ene ‘kamertuin’ naar de andere. Zo noemt Ortiz ze, ‘jardines de estancia’, tuinen om in te verblijven.

We beginnen bij een vijver met een beeldje van Mercurius. Dan een trap af. Daar ligt een pleintje met lange stenen banken bekleed met tegeltjes, in typisch Andalusische geometrische motieven. We gaan een tunnel onder het paleis in. Binnen vinden we een langgerekt bad waarin de koningin ooit baadde. De wanden worden toverachtig beschilderd met daglicht dat door lichtschachten naar binnen valt. Terug naar buiten, een poort door. Een rustgevend fonteintje. Nog een poort. Sinaasappelbomen. Een gids legt in het Duits uit hoe je de zoete vruchten van de bittere onderscheidt.

Het begrip ‘opeenvolging’, zegt Ortiz, is een van de dingen die ik altijd in het achterhoofd houd. ‘Je ziet niet meteen alles, maar telkens wordt er iets meer onthuld. Ik houd van het geheime. Van het idee dat elke plek een nieuwe ontdekking is.’

Dat idee pasten Cruz en hij ook toe in het treinstation van Sevilla, Santa Justa. Daar zijn alle ruimten in serie geschakeld. Van buiten af: eerst het platform van de taxi’s, dan een overkapping die eruitziet als de rand van een gigantische hoed, vervolgens de hoge stationshal en achteraan een balkon met aflopende rolpaden naar de perrons.

De overkapping van het station in Sevilla, ontworpen door Cruz y Ortiz. Beeld Io Cooman

Niet alles direct onthullen. Zo de twee architecten zich al laten leiden door een bepaalde gedachte, dan is het deze. Ook op hun website vind je geen expliciete filosofie, aldus Ortiz. ‘Het moet een beetje geheimzinnig blijven.’ Voor wie hun werk aandachtig bekijkt, moet er altijd iets te ontdekken zijn, poco a poco. Ortiz: ‘Zelfs een kapperszaak heeft tegenwoordig een filosofie. Iedereen wil zichtbaar zijn. Wij gaan liever wat rustiger te werk.’ 

We lopen naar het Palacio del Rey Don Pedro, nog steeds ín het Alcázar. Dit is een paleis in de mudéjarstijl: de muren zijn bedekt met een wirwar van fijn bewerkte reliëfs, sterk beïnvloed door de Moorse bouwkunst. Het paleis werd gebouwd vanaf 1356. De moslims waren toen al verdreven uit Sevilla, maar de nieuwe Castiliaanse heersers maakten nog altijd gebruik van islamitische bouwmeesters. Ortiz: ‘De christenen waren voor alles bezig met oorlog voeren. Hoe ze moesten bouwen, wisten ze niet. Ze gebruikten wat er was.’ Pas aan het eind van de middeleeuwen werden moslims op Spaans grondgebied vervolgd.

In het paleis is elke ruimte een uitnodiging om de volgende te betreden. We slaan een paar hoeken om, worden aangetrokken door het licht en staan dan opeens in een oogverblindende patio. Ortiz wijst: de onderste zuilenomgang, met zijn grillig gekartelde bogen, is opgetrokken in mudéjarstijl en in de bovenste omgang vind je ranke renaissance-zuiltjes. ‘Het is het onzuiverste wat je maar kunt bedenken. Ik vind dat geweldig. Godzijdank interesseert puurheid mij niets. Ook onze architectuur is niet puur.’

Wanneer we het Alcázar verlaten, staan we midden in Sevilla. De stad is verdoofd door de hitte. Het enige wat je op dit uur hoort is het tjilpen van de mussen. In de verte klinken de hoeven van de koetspaarden op de straatstenen als castagnetten. Pas aan het einde van de middag zullen de rolluiken worden opengetrokken en komt de stad weer bij.

Antonio Ortiz (1947) en Antonio Cruz (1948) zijn allebei in deze Zuid-Spaanse stad geboren. Ze groeiden op in het oude centrum, waar ze nog altijd wonen. Hoe kan het dat de middeleeuwse wijken nog altijd de geliefdste plekken vormen van de stad? En waarom passen we de lessen uit het verleden niet toe in de buitenwijken?

‘In de middeleeuwen werd alles met de hand gedaan’, zegt Ortiz. ‘Steen voor steen, huis voor huis. Nu gaat het met honderd, vijfhonderd tegelijk. Bovendien neemt met het verloop van de tijd de charme toe. Er komt barok bij, renaissance, alles door elkaar. Dat is in een nieuwe stad onmogelijk. Hoewel, ik vind dat het in Nederland behoorlijk goed gaat, bijvoorbeeld op de deels nieuwe en deels oude wijk in Amsterdam-Oost, het Java-Eiland.’

Inmiddels heeft Cruz zich bij ons gevoegd, net als Ortiz naar Spaanse begrippen lang en net als zijn compagnon gekleed in grijze broek en grijs jasje. Hij vertelt hoe de stad van hun jeugd gebukt ging onder de dictatuur van Franco: ‘Het was een arm en onvrij land. Erg triest om daaraan terug te denken.’ Het franquistische regime eigende zich de Andalusische cultuur toe, legt hij uit. ‘De Spaanse cultuur moest hetzelfde zijn als onze zuidelijke cultuur. Denk aan flamenco, aan een kreet als olé.’

Antonio Ortiz Beeld Io Cooman

Cruz en Ortiz ontmoetten elkaar tijdens hun studie aan de toen nieuwe architectuuropleiding in Sevilla, eind jaren zestig. ‘Alles kostte voor ons net iets meer moeite dan voor onze generatiegenoten in Europa’, zegt Ortiz. ‘We hadden bijvoorbeeld niet zomaar toegang tot de meest vooruitstrevende ontwikkelingen in de kunst. Sommige films waren verboden. Uit Psycho van Alfred Hitchcock verdween de belangrijkste scène, de moord onder de douche, omdat alle bloot uit de film werd geknipt. Bob Dylan was niet legaal te krijgen. Het was moeilijk al die afwijkende kunstzinnige uitingen tot je te nemen waarop je óók naar de werkelijkheid kunt kijken.’

Is Sevilla sindsdien erg veranderd? ‘Minder dan zou moeten’, zegt Cruz. ‘Ik ben erg kritisch. Sevilla presenteert zich niet op de manier waarop de stad zich zou moeten presenteren. Het is me allemaal te traditioneel. Een hotel als dit, dat is niet erg gebruikelijk hier in de stad.’  Hij wijst naar Hotel Mercer, een vijfsterrenhotel  in een stadspaleis dat onder handen werd genomen door Cruz en Ortiz. De patio is overdekt en, wijst Ortiz, bovenin hangt dezelfde kroonluchter als in het Rijksmuseum. Het is geen overdadig blinkend geval, maar een strak ontwerp: een dubbele witte rechthoek, metersgroot, met verticale spijlen. Dit is wel een beetje een ‘up-nose’-hotel, waarschuwt Ortiz  hij duwt ter verduidelijking het puntje van z'n neus iets omhoog. De vanafprijs voor een suite is 1.000 euro per nacht. Zodra een van de receptionisten, strak in pak, de architecten in het oog krijgt, galmt hij hoezeer hij hun werk bewondert. De architecten proberen bescheiden te reageren.

Hotel Mercer Beeld Io Cooman

We beklimmen de zwierige, originele trap om de kroonluchter en het dakterras te zien. Op de verdiepingen is diepgrijs tapijt neergelegd met een reliëf van kronkelende lijnen. Ortiz: ‘Ik weet niet niet wie deze onzin heeft bedacht. In de buurt van Sevilla ligt een moerasgebied. Dit patroon zou daarnaar verwijzen.’

Als ze op de foto gaan bij hun kroonluchter, zorgen ze ervoor dat ze in de juiste volgorde staan: eerst, links, Cruz en dan Ortiz, niet andersom. En zo doen ze het altijd, zonder discussie. Zelfs hun manier  van spreken lijkt op elkaar: bedaard en bijna altijd met een glimlach. Ortiz: ‘We leerden elkaar kennen tijdens onze opleiding, woonden daarna in hetzelfde studentenhuis toen we in Madrid studeerden en zijn daarna nooit meer uit elkaar gegaan.’

Cruz: ‘We respecteren elkaar. En we erkennen de enorme bekwaamheid van de ander.’ 

Ortiz: ‘De eerste schetsen van een nieuw project maken we samen. Daarna neemt een van de twee de leiding. Maar bij twijfels vragen we altijd de ander om hulp. Ik heb grote bewondering voor architecten die alleen werken. Die staan er, anders dan wij, altijd alleen voor.’

Cruz: ‘Bij het Rijksmuseum wisselden we op de helft.’ 

Ortiz: ‘We houden ook van dezelfde films – John Ford, François Truffaut, Billy Wilder – en raden elkaar boeken aan – Proust, Nabokov, Borges.’

Cruz: ‘En we hebben dezelfde politieke visie. We denken hetzelfde over het Catalaanse proces.’ 

Ortiz: ‘Wat een droefenis. Europese landen hebben in de loop van de geschiedenis op leven en dood met elkaar gestreden. En juist nu zelfs de Fransen en de Duitsers vreedzaam samenleven, zouden de Catalanen niet met de Spanjaarden kunnen opschieten. Ridicuul om die kleine verschillen uit te venten.’

De Sevilla-tips van Cruz en Ortiz

Archivo de Indias

‘Als je het Alcázar verlaat, sta je direct tegenover een gebouw dat de antithese vormt van de overdaad in het koninklijk paleis. Ortiz: ‘Het Archivo de Indias is pure renaissance. Hier zie je de hardheid van de ratio. Ook dit vind ik heel mooi.’ Het rechthoekige gebouw werd in de 16de eeuw ontworpen door Juan de Herrera, tevens de architect van het Escorial, dat strenge, granieten paleis van koning Filips II in de buurt van Madrid. ‘Hij wilde laten zien dat hij in alles anders was dan zijn voorgangers.’

Wat nu een archief is, was ooit het handelshuis van de stad. Sevilla had aanvankelijk het monopolie op de handel met Amerika en de Filipijnen. Een paar keer per jaar legde een vloot aan – aan boord goud, zilver, katoen – en die koopwaar werd in dit gebouw verhandeld. Voordien vond de handel plaats op de trappen van de kathedraal, maar dat stond de katholieke kerk niet aan.

Die periode is bepalend geweest voor Sevilla, zegt Ortiz. ‘Iedereen die naar Amerika wilde, kwam hierheen. Missionarissen, architecten, schilders, bouwers, soldaten. Het was een ongelooflijke tijd. Alsof we op Mars waren geland, maar dat het daar vol mensen was. Elke stad heeft een verhaal, en dit is het verhaal van Sevilla.’

El Gallinero de Sandra

Pasaje Esperanza Elena Caro, 2. ‘Het ziet er heel lelijk uit, maar je kunt er goed eten’, aldus Ortiz. Lelijk, dat wil zeggen: een rechthoekig overkapt terras op een grijze vlonder, ranke wijnrode stoeltjes, plastic placemats en bloembakken, kussentjes met printjes. Met andere woorden: alles rechtstreeks uit de eerste de beste woonwinkel.

De keuken is Spaans, niet te ingewikkeld, maar erg smakelijk. Denk aan een salade van biologische tomaten met ijs van geitenkaas, gebakken rijst met eend en garnaal, of spiegelei met gebakken aardappel en ui, rijkelijk bestrooid met rokerig paprikapoeder, de specialiteit van het huis.

Alameda de Hércules

Een brede passage met platanen en terrasjes, en volgens Ortiz een wat alternatiever deel van de stad. ‘Kunstenaars, gays, mensen met haar in alle kleuren, je kent het wel.’ Zelf komen de architecten hier ook graag. Ortiz raadt het dakterras van het hostel The Corner House aan. ‘Als je eerst gaat eten bij El Gallinero de Sandra, en vervolgens iets drinken bij The Corner House, dan heb je een geweldige avond.’

El Gallinero de Sandra, ‘lelijk, maar je kunt er goed eten’. Beeld Io Cooman

Na het middageten bezoeken we het Palacio de las Dueñas, in de volksmond  het Casa de Alba, genoemd naar de hertogelijke familie die ook in Nederland enige faam heeft. Het is een 15de-eeuws paleis dat pas sinds 2016 geopend is voor publiek. De hertogelijke woning bevindt zich dus nog buiten de actieradius van de meeste toeristen.

Waar in het Alcázar de fonteintjes overstemd worden door het gemurmel van de bezoekers, zijn de weelderige tuinen hier een oase van rust. De muren van het woonhuis zijn bedekt met paarse bloemen van de bougainvillea. In de paardenstal hangen nog de naamplaatjes van de merries Caprichosa en Gitana. En natuurlijk zijn er weer patio’s, met palmbomen, bogengalerijen en versieringen van keramiek.

Als leven en werken in Sevilla hun iets heeft meegegeven, dan is het een voorliefde voor patio’s, zegt Ortiz. ‘Wij zijn zelf ook goede patiomakers. We verstaan de kunst ruimtes te maken tussen binnen en buiten in. Daarom was het voor ons heel natuurlijk om met de binnenplaatsen van het Rijksmuseum te werken.’ Tijdens de renovatie van het museum werden van de oorspronkelijke binnenplaatsen, die in de loop van de tijd waren volgebouwd, weer open ruimtes gemaakt.

Minder waren ze bedacht op de vergaande invloed van de fietsers in Amsterdam. In het oorspronkelijke idee van Cruz en Ortiz zouden er in de onderdoorgang fietspaden komen aan weerszijden. Centraal zou de entree komen te liggen. Dat plan werd na fel en langdurig verzet, vooral door de Fietsersbond, gewijzigd. De fietsers rijden door het midden en de ingangen van het museum bevinden zich aan de zijkant.

Een binnentuin van het Palacio de las Dueñas. Beeld Io Cooman
Een fontein op een van de vele pleinen van de stad Beeld Io Cooman

‘Als het op onze manier was gedaan, was het voor de fietsers even goed geweest en voor het museum beter’, zegt Ortiz. Cruz: ‘De entree zou ceremoniëler zijn geweest, plechtiger. Nu kom je toch binnen alsof je sorry zegt.’  Maar goed, benadrukken ze allebei, het is vergeten. Ze zijn heel gelukkig met het resultaat. En ze vinden het nog steeds een eer dat ze als Spanjaarden een Nederlands museum, met hoofdzakelijk Nederlandse kunst, mochten verbouwen.

Wat ze ook nog gezegd willen hebben: ze zijn echt niet anti-fiets. Sterker nog: ze rijden fier op hun Gazelle door Sevilla. ‘Ik denk dat ik de rijkste fietser ben in deze stad’, zegt Ortiz. Nederlanders raadt hij dan ook aan zijn stad op de fiets te komen verkennen: Sevilla is vlak en in de smalle straatjes is weinig verkeer. ‘Wist je dat precies tegenover onze studio een Spaans-Nederlands bedrijf is gevestigd dat fietsen verhuurt?’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.