Landmijnen rond de Khmer-Olympus

Ouder dan het beroemde tempelcomplex Angkor Wat en uniek gelegen aan een diepe afgrond: Preah Vihear, pas sinds enkele jaren toegankelijk voor toeristen....

'Van alle tempels in Cambodja is zonder twijfel die van Preah Vihear de meest bijzondere', constateerde de Fransman Etienne Aymonier een eeuw geleden. Het is de Olympus van de Khmers, ouder dan Angkor Wat en uniek gelegen aan de rand van een steile afgrond. Vijfhonderd meter in de diepte strekt zich het laagland van Cambodja uit zo ver het oog reikt. Bij helder weer zie je Phnom Kulen, heuvels nabij Angkor. Een kilometer achter je is de Thaise grens.

Het complex van schots en scheef liggende blokken roodbruin zandsteen met sublieme basreliëfs met voorstellingen uit de hindoe-mythologie is overwoekerd met dikke plakkaten korstmos. Je voelt je een beetje als de Franse natuurvorser Henri Mouhout die in 1860 dacht dat hij als eerste westerling Angkor Wat ontdekte.

Dankzij Mouhout, die heel romantisch op reis aan malaria stierf, werd de belangstelling voor de mysterieuze Khmer-architectuur aangewakkerd. In werkelijkheid waren Khmer-ruïnes al in 1601 beschreven: de auteur opperde zelfs dat Angkor Wat door Alexander de Grote was gebouwd, want Aziaten zouden zo iets indrukwekkends niet gekund hebben. De 150 kilometer noordelijker gelegen Preah Vihear is pas (weer) sinds enkele jaren toegankelijk voor toeristen.

Tijdens zijn grootste omvang, van de tiende tot twaalfde eeuw, omvatte het Khmer-rijk een groot deel van Thailand. Daar hebben de Khmer-tempels vaak een eigen karakter, wat niet verwonderlijk is, want het Dangrek-gebergte is een gedegen barrière.

Preah Vihear ligt precies op die natuurlijke grens van de zaagtandvormige rotswand. In 1959 werd het complex het onderwerp van verhitte disputen, want zowel Thailand als Cambodja maakte aanspraak op de tempel. Thailands pro-Amerikaanse militaire dictator Sarit Thanarat had een enorme hekel aan de megalomane prins Sihanouk van het neutrale Cambodja en in 1961 werden de diplomatieke relaties tussen beide landen verbroken.

De Thais gingen ermee akkoord dat het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zich over de kwestie zou buigen. Tot hun grote ontsteltenis besliste de Poolse rechter in 1962 in het voordeel van Cambodja. De Thais waren juist het toeristisch potentieel van de tempel gaan inzien.

De vreugde van de nationalistische Cambodjanen was uiteraard groot; alleen was het vervelend dat Preah Vihear vanuit Cambodja vrijwel niet was te bereiken. Een moeilijker te nemen bastion was nauwelijks denkbaar. In 1975 wist Lon Nol daar enige tijd stand te houden terwijl de Rode Khmers de rest van het land al onder controle hadden. Later, toen de Rode Khmers zelf naar de periferie werden verdreven, werd het een van hun laatste bolwerken. De omgeving is er nu bezaaid met landmijnen.

'Vier dagen geleden', vertelt de jongen uit Phnom Penh die er Cola en Fanta verkoopt, 'verloor een Thaise toerist nog zijn benen toen hij in de bosjes verdween.' De Cambodjaanse bemanning van het complex, voornamelijk militairen en verkopers van souvenirs en edelstenen, worden dan ook om de zoveel weken met een helicopter aan- en afgevoerd; alleen de frisdrank komt uit Thailand.

Vanuit Thailand is Preah Vihear (door de Thais Khao Phra Wihan genoemd) nu gemakkelijk te bereiken. Het provinciestadje Kantharalak in de armoedigste uithoek van het land, zeshonderd kilometer ten oosten van Bangkok, is de geijkte springplank naar het heiligdom. In het reisverslag van John Black uit 1955 gaat de tocht over vrijwel onbegaanbare paden door dichte jungle vol olifanten en tijgers. Maar sindsdien heeft rigoreuze slash and burn dit gebied veranderd in cassavevelden en eucalyptusplantages.

Pas waar de weg de bergrug op slingert, begint het natuurlijke bos. Het laatste stuk wordt afgelegd in een door een tractor voortgetrokken treintje. Een beekje van net een meter breed vormt de grens. Borden met rode doodshoofden waarschuwen voor mijnen. Ik betaal tweehonderd baht (iets meer dan tien gulden) en mag doorlopen. Mijn pas ligt in mijn hotel in Kantharalak, maar ik ben in Cambodja. Het bord THE PREAH WIHEAR TEMPLE IS KHMER'S SOIL laat geen ruimte voor twijfel.

De eerste trap van 162 treden bestaat uit ruwe blokken zandsteen, hier en daar zelfs ter plaatse uit de rotsen gehakt, en aan één kant geflankeerd door een simha, een mythologische leeuw. Een goede conditie strekt tot aanbeveling: je moet nog 120 meter aan traptreden ophoog. Mijn boek over Khmer-tempels benadert dat positief: 'Het symbolisme van het beklimmen van opeenvolgende, gescheiden niveaus, met slechts de hemel als achtergrond, zal niemand ontgaan. Tegen de tijd dat de pelgrim het heiligdom bij de klip bereikt, is hij ervan overtuigd dat het de woonplaats van de goden is.'

Khmer-tempels zijn een replica van het hindoe-universum, een microkosmos van steen. In het midden van dat universum ligt Mount Meru, waar de goden wonen. De gedrevenheid waarmee de Khmers tempels bouwden, zou ook berusten op de verering van de koning als een god (devaraja) en de harmonie benadrukken tussen onze wereld en die van de goden.

Sommige historici twijfelen nu weer aan die goddelijke status van de Khmer-koningen. In elk geval hadden ze een aanzienlijke macht. Een slavenkaste zou bij de bouw van de tempels zijn ingezet. Geen volk heeft in zijn architectuur de kosmos letterlijker geïnterpreteerd dan de Khmers: de tempelcomplexen zitten vol gegoochel met geometrische eenheden. Vanuit Mount Meru strekt de kosmos zich als concentrische cirkels van bergen en oceanen uit. Omdat zo'n bouwplan op een bergkam nauwelijks te verwezenlijken is, werd het bij Preah Vihear gedeformeerd rond een centrale as: het pad dat van de grens naar de top leidt.

De eerste trap brengt me op een terras dat wordt geflankeerd door naga's, de serpenten uit de onderwereld, die water en vruchtbaarheid symboliseren. Ze lijken nog het meest op geagiteerde cobra's; in het oude India zijn ze waarschijnlijk ontsproten uit de verering van slangen. Naga's zijn ook symbool van de regenboog: het natuurverschijnsel dat een 'brug' slaat tussen de aarde en hemel, dat ons menselijk bestaan verbindt met de goden. Ze benadrukken dat men de hemel aan het beklimmen is.

Via een tweede serie treden bereik ik het eerste gopora (paviljoen). Als offerande aan een simha staat er een fles water. Het bouwwerk is zwaar vervallen. Verzetsstrijders hebben delen afgebroken om bunkers te bouwen en ook antiekrovers hebben hun sporen achtergelaten. Black meende zelfs dat de wilde olifanten veel vernield hebben. Daarnaast was er het natuurlijke verval.

Geweldige bouwmeesters waren de Khmers niet. Het overspannen van een ruimte met een boog, zoals bij de bouw van Middeleeuwse kathedralen, was hun onbekend; vandaar de gedrongen stijl. Wat de verfijnde in zandsteen gebeitelde ornamenten betreft zijn ze echter onover troffen. Vooral de poorten van de gopura's zijn meesterstukken waarvan vrijwel alles rijk is versierd: zuilen en colonnettes met geometrische patronen, de bovendrempel en het pediment (centrale deel van de gevel) met mythologische voorstellingen en bloemmotieven, terwijl het naga weer opduikt in de vlamvormige elementen boven de gevel.

Van de mythologische voorstellingen zijn de kala's het opvallendst. Deze vraatzuchtige demonen met een brede bek vol tanden waaruit een guirlande hangt, staren je over het hele tempelcomplex aan met hun bolle ogen. Ooit eiste een kala van de god Shiva een offer. Ontstemd door zulk een brutaliteit gebood Shiva de demon zijn eigen lichaam te verslinden. Terwijl de kala daarmee bezig was, eiste Shiva vervolgens dat hij ging dienen als tempelwachter. Kala's wijzen de bezoeker er dus voortdurend op dat de macht van de goden oneindig groot is. Er bestaat nog een andere interpretatie maar ook daarbij wordt de subversiviteit van de demon meedogenloos door een god (Vishnu) afgestraft.

Bij de volgende gopora's zijn de goden zelf ook regelmatig afgebeeld: Shiva en gemalin Uma rijdend op een stier, de liggende Vishnu, Krishna in gevecht met een leeuw en olifant en ook Indra, de god van de donder, zit op zijn vliegende olifant.

Bijna driehonderd jaar is aan het complex gebouwd. Aanvankelijk (in de late negende eeuw) werd het complex in baksteen en lateriet opgetrokken, maar tijdens het bewind van Jayavarman V (eind tiende eeuw) werd dit vervangen door het monumentale zandsteen waaraan de regio, miljoenen jaren een binnenzee, zo rijk is. Pas in het midden van de twaalfde eeuw bereikte het zijn definitieve vorm.

De laatste treden brengen me bij het centrale heiligdom aan de rand van de afgrond; geen betere plaats was volgens Black in heel Indochina mogelijk geweest. Het is gewijd aan de god Shiva wiens scheppende kracht gesymboliseerd wordt door een stenen linga (fallus) waarover ritueel water werd gegoten.

Ondanks de fraai gedecoreerd gopora's is het bijna een anti-climax, want de ooit twintig meter hoge prasat (toren) is helemaal ingestort. Eeuwenlang hebben hier waarschijnlijk danseressen gedanst om de goden te behagen. Bepaalde bouwwerken worden geïnterpreteerd als hun verblijf. Rijstschuren zouden wijzen op een permanente bewoning. Nu is de devotie beperkt tot wat smeulend wierook en bosjes lotusbloemen. Khmer-bewakers hangen er verveeld rond. Bij een eventuele restauratie zou dit deel van het complex dan ook voorrang moeten krijgen. Maar wie beseft wat tempelruïnes in Thailand met cement, nieuwe bakstenen en perken met salvia's en afrikaantjes soms is aangedaan, hoopt van harte dat Preah Vihear in zijn staat van verval wordt gelaten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden