Knalgroen in keurig meubelmekka

Milaan is dé Europese meubelstad, maar moet het vooral hebben van talent van buiten. Kromme poten en golvende vormen nemen het op tegen oerdegelijke Italiaanse elegantie....

Moroso maakt ’t het bontst. Het brutaaltje onder de Italiaanse meubelmerken heeft de etalage van zijn flagstore in Milaan afgeplakt met grote stickers; ronde kijkgaten bieden ternauwernood zicht op iets dat nog het meest op een nachtclub lijkt. In het halfduister staan sensuele sofa’s van de Britse topontwerper Ron Arad.

Ook in de toonzaal verderop is de vraag wat nu vooral de aandacht moet trekken: de stoel-met-schubben van Tord Boontje en het bankstel met hysterische bloemenprint van Marcel Wanders? Of de kakofonie van zwart-witte banieren die overal van plafond tot plint hangen? ‘Normaal rollen die de hele dag op en neer’, vertelt de verkoopster achteloos. ‘Maar helaas is het mechaniek kapot.’

Een stoeltje, een spotje, klaar? Niet in Milaan, het designwalhalla van Europa. Kosten noch moeite worden hier gespaard. Da Driade, gevestigd in een 18de-eeuws herenhuis met zo’n twintig kamers, doet niet kinderachtig en trekt voor het etaleren van één servies (van Oscar Tusquets, borden à 50 euro) gerust een hele zaal uit. Zari & Zari zet zijn pannen niet in de schappen, maar hangt ze aan een metalen spinnenweb van ijzeren buizen die de winkel doorkruisen. Aan de Milanese etaleerkunst kan menig museum een puntje zuigen.

En dat is nu een tikje pijnlijk aan Milaan: de stad mag de reputatie van meubelmekka hebben, een designmuseum heeft het niet. Er is wel een verzameling Italiaanse klassiekers, maar die ligt vooralsnog te verstoffen in de archieven van het Palazzo del’ Arte in het Parco Sempione. Hier werden in de jaren vijftig en zestig legendarische Triennales gehouden, waarop Scandinavische ontwerpers als Arne Jacobsen en Tapio Wirkkala doorbraken. De enige permanente collectie meubels is nu te zien in het café van het Palazzo, een smetteloos witte hangplek voor Milanese artistiekelingen. Van de kale houten Plychair van Jasper Morrison tot de weelderige Jenette van de Campana broers, met haar rugleuning van honderden plastic rietstengels – in Coffee Design is geen stoel hetzelfde.

Het is typerend voor handelsstad Milaan: de commercie, en niet de overheid zet de toon. Met de Salone del Mobile voorop. Tijdens die jaarlijkse meubelbeurs in april presenteren ’s werelds belangrijkste meubelmerken zich in de Milanese beursgebouwen, en – nog leuker – laten jonge internationale ontwerpers hun werk zien op plekken die anders niet of nauwelijks toegankelijk zijn: in de binnentuinen die schuilgaan achter de grauwe Milanese gevels, in privé-pallazo’s, op de kunstacademie.

Maar op een doordeweekse dag in september zijn het Milaans chique meubelzaken die de reputatie hoog moeten houden. De Padova, Da Driade, B & B Italia, Artemide of Alessi: ze zijn alle gevestigd in en nabij de Quadrilatero d’Oro, de gouden vierhoek waarbinnen ook alle peperdure modehuizen zitten. In de geschiedenis van die bedrijven weerspiegelt zich de geschiedenis van het Italiaans design: het ontstaan van de linea Italiana, de zuidelijke variant op het modernisme, die in de jaren vijftig wereldwijd furore maakte – strak, minimaal, maar sensueel, met ontwerpers als Achille Castiglione en de deze week overleden Vico Magistretti. Het experimenteren met nieuwe materialen als rubber en plastic in de jaren zestig, door grootmeesters als Joe Colombo en Gae Aulenti. En de opstand tegen deze goede smaak in de jaren tachtig door Mendini en de ontwerpers van Memphis, die zich overigens alweer snel van hun decadente stijlmix distantieerden nadat die her en der werd geïmiteerd.

Het perfect ronde bad van natuursteen in de etalage van B & B Italia, de ultrastrakke tafel met ingelegd teakhouten blad in de toonzaal van Da Driade – in de winkels van Milaan domineert nog altijd de Italiaanse lijn – klassiek, elegant, met oerdegelijk Italiaans vakmanschap vervaardigd uit de mooiste materialen. De namen van de ontwerpers zijn even klassiek. Sommigen zijn al dood, maar leven voort in talloze re-editions. Anderen zijn pensioengerechtigd, maar wegens bewezen successen nog altijd actief.

Opvallend afwezig zijn jonge Italianen van naam. Met uitzondering van Fabio Novembre, de architect/ontwerper die durft te experimenteren met barokke hightech vormen. Sinds april is hij artdirector van meubelmerk Meritalia. Te kort om daarvan al iets in de winkel te zien, zegt de verkoper in de winkel aan de Via Durani.

‘Maar volgende maand verkopen we producten van vijftien jonge ontwerpers die Novembre heeft geselecteerd.’ Zoals een raffiatapijt in de vorm van een reusachtige sombrero (Miriam Mirri), of een bankje (van Matteo Ragni) dat vagelijk op een hondenbot lijkt.

Toch kan dat niet verhullen dat de Italiaanse designmerken vooral op internationale ontwerpers leunen, en dat daarmee de reputatie van Milaan als designstad grotendeels steunt op talent van buiten. Op Philippe Starck bijvoorbeeld, Tom Dixon of Naoto Fukasama.

En op een respectabel rijtje Nederlanders. Da Driade verkoopt de glooiende en golvende stoelen van Roderick Vos, Spazio Rossana Orlandi de sloophouten meubelen van Piet Hein Eek. En B & B Italia heeft sinds april een hoekje uitgeruimd voor designlabel Moooi.

Het leidt tot een geestige cultuurclash, tussen de keurig strakke meubelen in zwart-wit waarmee B & B zijn showroom grotendeels heeft ingericht en de knalgroene stoel met kromme poten van Marcel Wanders of de zwartgeblakerde Smokechair van Maarten Baas.

‘Ze zijn raar, he?’, giechelt de geheel in Chanel gestoken verkoopster. ‘Maar er is in korte tijd al veel interesse voor getoond, misschien is Italië wel toe aan iets geks.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden