BESCHOUWING

John Fante stuurde mij op pelgrimage naar het land van de zwijnen

beschouwing John fante Literatuur

De Italiaans-Amerikaanse schrijver John Fante deed twee dingen voor Jaap Scholten: hij gaf hem richting als beginnend schrijver en maakte van hem een pelgrim.

Torricella Peligna in Italië Foto de Volkskrant

Torricella Peligna ligt op 900 meter hoogte in de Abruzzen, de borden langs de kant van de weg waarschuwen voor overstekende wolven en beren. De Abruzzen is een dunbevolkt berggebied ten oosten van Rome, de naam is afgeleid van het Latijnse Aprutium: Land van de zwijnen. Samen met schrijver Henk van Straten ben ik het kale gebergte ingereisd om een documentaire te maken over de in 1983 gestorven Italiaans-Amerikaanse schrijver John Fante.

Ik ontdekte Fante in 1989 toen ik mijn eerste verhalen probeerde neer te pennen en eigenlijk geen idee had hoe dat aan te pakken. Fante raakte mij recht in het hart. Hij legde zijn verlangens en dromen bloot: naar meisjes, naar het schrijverschap, naar erkenning. Ongegeneerd liet hij zijn alter ego uitgebreid fantaseren over de paginagrote overlijdensberichten die bij zijn te vroege dood geplaatst zouden worden. De verhalen waren ironisch en kwetsbaar tegelijkertijd. Ik vond een man die in de ene zin gal spuwde en in de volgende liefdevol en gepassioneerd was. Die deed wat mijn wens was: de onbesuisde energie, de verwarrende verliefdheid en de lust voor het leven in woorden vastleggen.

John Fante werd geboren als de zoon van emigranten, groeide op in Boulder, Colorado, verkocht zijn ziel aan Hollywood, werkte met Orson Welles en Francis Ford Coppola, verprutste zijn dagen in het café en op de golfbaan (hij speelde met handicap 2, bijna het niveau van een professional) en schreef weergaloos mooie boeken. Fantes vader, steenhouwer en metselaar Nick Fante, vertrok in 1901 uit Torricella Peligna. Daar, in het bergdorp in de Abruzzen, is nu voor de negende keer een festival ter ere van John Fante. In het kantoor van de burgemeester van het dorp prijkt Fantes typemachine. Het is de trots van het dorp. Als pelgrims reizen wij ernaartoe.

Foto effigie/Hollandse Hoogte

'Uit de Abruzzen zijn hele dorpen gevlucht, voor de armoede en de overbevolking. Vanaf het eind van de 19de eeuw onderging Italië een van de grootste migraties uit de geschiedenis van de mensheid. Eenzesde van de bevolking vertrok. Nick Fante was een van hen', doceert Francesco Durante. Durante is hoogleraar emigranten-literatuur aan de universiteit van Napels en de Italiaanse vertaler van John Fante. Hij is een van de sprekers op het Fante-festival Il Dio di mio padre (de God van mijn vader) in Torricella Peligna.

Durante: 'Italianen hebben net als joodse emigranten uit Oost-Europa hun stempel gedrukt op de hedendaagse literatuur en film in de Verenigde Staten. De emigranten uit de Abruzzen kwamen uit een ongeletterde cultuur, uit een traditie van verhalen vertellen. Ze vertrokken uit hun bergdorpen met hun aardse bezittingen in een zak of een doos, dichtgeknoopt met touw. Ze liepen naar het dichtstbijzijnde station, of de gehele afstand naar Napels. Napels en Genua waren de twee grote emigratiehavens. De reis naar Amerika was een hellevaart. Iedereen die die odyssee maakte, heeft een verhaal te vertellen.'

In de tijd dat Nick Fante in New York arriveerde, kregen de Italiaanse emigranten van de Daughters of the American Revolution nog pamfletten in hun handen gedrukt waarin hun werd verzocht messen weg te bergen en zich behoorlijk te gedragen tegenover vrouwen en kinderen. Italianen werden zwaar gediscrimineerd en voor dago en wop (without papers) uitgemaakt. John Fante, in ieder geval zijn alter ego Arturo Bandini of Dominic Molise, schaamde zich voor de onuitroeibare lucht van uien en knoflook die om hen heen hing. Hij wilde Amerikaan zijn. Er is veel veranderd in de tussentijd, want 'nu stinkt ongeveer iedere tweede Amerikaan naar knoflook, eet pasta bij de lunch, pluist in het weekend de familiestamboom uit en is trots als hij Italiaanse voorvaderen blijkt te hebben', aldus Durante.

John Fante

John Fante (1909-1983) was de zoon van emigranten: een Italiaanse, Mary Capolungo, die voorbestemd was non te worden en een metselaar 'breed als een deur', Nick Fante, afkomstig uit het bergdorp Torricella Peligna. John Fante beschreef in vier romans de sage van zijn alter ego Arturo Bandini, de strijd tussen de Italiaanse wortels en de Amerikaanse realiteit en het aanhoudende geruzie tussen zijn ouders. In zijn romans vergroot hij het brute gedrag van zijn vader en de deemoedige devotie van zijn moeder uit en versmelt die met hartverscheurend effect, waardoor alles tegelijk profaan en heilig wordt. Ergens zegt de vader van de protagonist: 'Om te schrijven moet men liefhebben en om lief te hebben moet men begrijpen.' Dat kon Fante.

Tijdens zijn leven werden zijn boeken nauwelijks opgemerkt. John Fante heeft de tweede helft van zijn leven voornamelijk doorgebracht met het in elkaar rammen van filmscripts, drinken, gokken en golfen. Cultschrijver Charles Bukowski wekte op de valreep Fante tot leven met zijn uitspraak: 'Fante was my god'. Dankzij Bukowski werden vanaf 1982 Fantes boeken heruitgegeven door de Black Sparrow Press en geleidelijk ontdekt. Alleen in Italië worden nu jaarlijks rond de 50 duizend boeken van Fante verkocht en stromen de bedevaartsgangers naar het festival in Torricella Peligna. Die erkenning heeft John Fante helaas niet meer meegemaakt.

Suikerziekte en te veel drank leidden tot blindheid en amputatie van zijn benen. Fante dicteerde in het jaar voor zijn dood op de veranda van zijn huis in LA een laatste roman aan zijn vrouw Joyce, Dreams from Bunker Hill met Arturo Bandini, 'lover of man and beast alike', als verteller. Een boek waarvan de vitaliteit afspat en dat sprankelt van verliefdheid op het leven.

Dorpsfeest

De hoofdstraat van Torricella, de Corso Umberto 1, leidt van een heuvel met daarop de kerk van de San Giacomo Apostolo, naar een heuvel met daarop het monument voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De burgemeester vertelt dat de hoofdstraat zal worden omgedoopt tot de Corso John Fante. Er zijn drie cafés, twee tegenover elkaar gelegen wasserettes (een gerund door een achternicht van Fante) en de begrafenisonderneming D'Eramo & Persichetti, met paarse vitrage en paarse bloempjes in de etalage gestrooid - uitnodigend als een Thaise massagesalon. Bar Penna Nera, enkele panden verderop, is voor de oude mannen, 's morgens vroeg staan ze er al te drinken. Vrouwen worden er niet getolereerd. De jongeren trekken nog altijd weg uit Torricella. De oude mannen doen denken aan Nick Fante: brede schouders, korte kromme benen, grote handen en een onversaagde blik.

De kerkklokken luiden de dood. Een stoet komt van de kerk stapvoets door de straat, op kop de reusachtige zilveren lijkauto van D'Eramo, die oogt als de Batmobile. De weduwe loopt pal achter de auto, ondersteund door haar grote bebaarde zoon, gevolgd door een stuk of dertig rouwenden in slonzige kleren. Iedereen bij de cafés staat op, neemt de hoed of pet in de hand en zwijgt tot de laatste man is gepasseerd. Een meisje op een fiets suist de heuvel af, slaat snel een kruis richting Batmobile en zwenkt een zijstraat in.

Drie dagen lang is er overdag in de 'Mediateca John Fante' een programma met Italiaanse sprekers, iedere avond zijn er op een podium in het park optredens geïnspireerd door John Fantes werk. Het heeft de magisch-dorpse atmosfeer van de film Cinema Paradiso. De heuvel zit vol: honderden mensen die in het halfdonker elk woord opzuigen. Oude vrouwen in het zwart en in bloemetjesjurken, mannen in sportieve overhemden, kleine kinderen, opgeschoten jongens en meisjes.

Een van de avonden wordt de weergaloze proloog uit Ask the Dust door een acteur voorgedragen, begeleid door een piano. Mensen huilen van de lach. Fante vertelt hun verhaal: het verhaal van armoede en emigratie, van verscheurde families, van gescheld op Italianen en Mexicanen, van heimwee naar auberginesoep en dromen van onbereikbare blonde vrouwen, van het oerdorp, de bergen, ezels en struikrovers.

Arturo Bandini

Bij de bars is het, behalve 's middags tussen één en drie, steeds afgeladen vol. Niemand doet iets anders dan caffè, wijn, spritz en grappa drinken. In augustus komen emigranten die elders in Italië, in Europa, in Argentinië of in Amerika hun geld verdienen, terug naar de Abruzzen. Augustus is de drukste maand van het jaar. Fantes achternicht in de wasserette werkt zich over de kop. In het dorp blijken bij navraag weinig mensen de boeken van John Fante te hebben gelezen, maar werkelijk iedereen, van peuter tot bejaarde, kent door de jaarlijkse voorstellingen in het park Fantes alter ego Arturo Bandini, zijn verlangens en zijn mythische vader uit het bergdorp - 'niets dan stenen en geiten' - Torricella Peligna.

Zij die de moed hebben in den vreemde opnieuw te beginnen, zijn vaak de dappersten van hun clan. Ik heb ontzag voor hen. Emigratie levert vaak goede schrijvers op. De afstand schept vrijheid. Niet alleen hebben hun ouders of zijzelf een odyssee gemaakt, zij horen nergens echt bij, ze zijn vreemden, zowel in het land waar zij zijn aangeland, als in het land dat zij achter zich hebben gelaten, en ze verwonderen zich.

Hetzelfde gold voor John Fante. Hij schreef met verve over zijn voorouders uit de Abruzzen en over Torricella, over de pepers die je in de vensterbank moet strooien als je per se met open raam wil slapen, over de knoflook die je als man dag en nacht bij je moet dragen om zonen te produceren, over de drempel waarop je moet spugen als je een zieke vriend bezoekt, over de magische berg Majella die over het dorp waakt, over oom Mingo, de struikrover in dienst van de Bourbons. Fante heeft Torricella vereeuwigd, van achter een typemachine 6.000 kilometer verderop in Californië, in een houten huis op de klif van Malibu, met een Porsche in de garage en een ezel in de tuin.

Biograaf Stephen Cooper meent dat John Fante eenmaal, toen hij in 1960 in Rome was om aan een hopeloos script voor filmproducent Dino Di Laurentiis te werken, naar Torricella is gegaan. Maar in Torricella verzekert iedereen - de bloedmooie organisatrice van het festival, de boomlange burgemeester van het dorp, zoon Dan Fante, de kromme oude vrouwtjes in het zwart, de drinkebroers bij de Penna Nera en zijn achternicht in de wasserette - dat John Fante nimmer in het dorp is geweest.

Over het Fante festival zie: johnfante.org. De documentaire over Fante is een initiatief van redacteur Jasper Henderson en cameraman Sander Roeleveld. Kortgeleden zijn in vertaling van Dirk-Jan Arensman bij Meulenhoff twee van Fantes romans verschenen: De broederschap van de druif en Vraag het aan het stof (heruitgave).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.