REPORTAGE

'Ik ken Gent eigenlijk niet zo goed'

Vijftig boeken schreef Herman Brusselmans. In een deel daarvan figureert Gent, waar hij al dertig jaar woont. Maar een kenner ter plaatse is hij nog steeds niet.

Schrijver Herman Brusselmans. Beeld Aurélie Geurts

Als gids in Gent blijkt schrijver Herman Brusselmans totaal ongeschikt, hoewel hij al dertig jaar in de stad woont. 'We kunnen hier makkelijk een wandeling van tien kilometer maken, maar daar hebben we alle drie geen zin in.' Aan de verslaggever en de fotograaf is niets gevraagd.

Nog iets: 'Ik ken deze stad eigenlijk niet zo goed.'

De korte rondleiding voert door Patershol, een oud wijkje in het historische centrum dat aanmerkelijk slechtere tijden heeft gekend. De verkrotting is succesvol bestreden. Brusselmans (58) woont al 23 jaar in Oudburg, de levendige straat tussen de Kraanlei en het Sluizeken die de oostgrens vormt van Patershol.

Patershol ligt er stil bij, het is maandagmiddag. Zo nu en dan vertelt hij iets, bijvoorbeeld over cultcafé 't Velootje waar vaak Nederlanders komen, als het tenminste open is, of over schrijver Stefan Hertmans, die zijn huis in de Drongelhof heeft verlaten omdat hij zot werd van de overlast van discotheek White Cat, iets wat Brusselmans zich niet goed voor kan stellen.

De mensen kennen hem hier. Voor zijn huis wordt hij aangesproken door een 'beetje rare man', de plaatselijke kunstenaar Frank Liefooghe. Hoe het zit met zijn voetbalverdriet (een paar dagen eerder is België uitgeschakeld op het Europees kampioenschap voetbal).

'Ik huil om andere dingen', zegt Brusselmans, de melancholicus.

Rondleiding

Zijn rondleiding duurt ongeveer een kwartier. Dat is inclusief een kort oponthoud op het kleine, verborgen Kaatsspelplein, waar de ouderwetse kettingroker een sigaret (Marlboro light XL) opsteekt en vertelt dat hij hier 's nachts op een bankje nadenkt over de zin van het leven, met zijn hondje Eddie aan zijn zijde, en soms met zijn nieuwe vriendin.

Wat niet op loopafstand ligt, is te ver weg. 'Mijn leven speelt zich af in een cirkel met een diameter van ongeveer 300 meter, met mijn huis in het middelpunt. Ik heb ook altijd gezegd dat mijn vriendin met een sms binnen 2 minuten oproepbaar moet zijn.'

Dat laatste is mislukt, vertelt hij berustend. Zijn nieuwe vriendin komt uit Amsterdam en woont in Brussel. Ze is 24 jaar en stond op een dag voor de deur.

Het parkje waar Brusselmans 's nachts soms gaat 'nazinderen'. Beeld Aurélie Geurts

Alles verandert altijd maar, en Oudburg ook. 'Hier zat een beenhouwerij: weg. De meubelwinkel: weg. De kledingwinkel: ook weg.' Horeca heeft de straat overgenomen. Het logo van het trendy restaurant Neuf Mille op nummer 54 is gebaseerd op zijn handschrift.

In Oudburg hebben zich inmiddels drie sushirestaurants gevestigd. Nuchter: 'Er komen dingen bij en er gaan dingen weg. Zaken gaan failliet en twee dagen later zit er weer iets anders, een hippe hoedenwinkel of zo.'

Bij Simon Says op het Sluizeken drinkt hij tussen vier en vijf uur na het opstaan dagelijks koffie en kijkt hij naar de meisjes. 'Eén kop en dan weer weg. Ik ben een man van rituelen en gewoonten.'

Simon Says, het café voor de dagelijkse koffie. Beeld Aurélie Geurts

Dat was de rondleiding. Op naar de Vrijdagmarkt, tweehonderd meter verderop, voor een kop koffie. De alcohol heeft hij 23 jaar geleden afgezworen. Hij drinkt zeven koffie op een dag, nooit meer. Soms wisselt hij het af met een glas cola, maar niet vaak, want van cola moet hij plassen.

Gent heeft voor de schrijver met het kolossale oeuvre - een roman of vijftig en er zijn er alweer twee klaar - die zich nog steeds tooit met het predikaat 'De Mooie Jonge Oppergod van de Vlaamse Letteren', tal van onbekende plekken. Dat is verrassend, voor iemand die in 1975 in de stad ging studeren en er sinds 1986 woont.

Soms, als hij bij zijn ex Tania in de auto zit en er in Gent weer eens een straat is opengebroken, wordt hij verrast. 'Dan heb ik geen benul waar ik ben. En dat kan op vierhonderd meter van mijn huis zijn.'

De achterzijde van het huis ligt aan de Leie, het riviertje dat Gent doorsnijdt. Het water geeft rust, ondanks de rondvaartboten en ondanks zijn aquafobie.

Op het naambordje bij de deur staat nog steeds de naam van Tania. Niet alles is veranderd sinds zij op een kwade dag in 2011 de relatie beëindigde. Ze doet zijn boodschappen, en zijn boekhouding, zoals vandaag.

Het huwelijk is niet officieel ontbonden, 'we zijn te lui om te scheiden', en de band is nog steeds sterk. Bedrukt vertelt hij over de borstkanker die Tania in 2013 trof. 'Heavy, heavy.'

De bootjes varen dagelijks het appartement van Brusselmans achter de boom voorbij. Beeld Aurélie Geurts

Brusselmans woonde in Oudburg eerst op nummer 13, boven boetiek Petit Bazaar. Zijn huidige huis, een etage boven restaurant Abu Jour - het is geen geheim, de meeste Gentenaren weten het - kocht hij in 2000 van Johan Claus, broer van Hugo en vermaard bohemien, gokker en handelaar.

Over Johan Claus vertelt hij het volgende verhaal. Met zijn vrouw kreeg Claus, die overigens als twee druppels op zijn beroemde broer leek, drie dochters. Toen ze na een huwelijk van achttien jaar uit elkaar gingen, zei zijn vrouw tijdens een afscheidsetentje dat ze hem iets wilde vragen. 'Johan, wat dóé jij eigenlijk precies in het leven?'

Brusselmans moet hier nog steeds om lachen. 'Hij kocht en verkocht, maar niemand wist precies wat. Toffe gast, die Johan.'

In 1975 trok Brusselmans vanuit Hamme, 'een gat in het platteland' waar zijn vader in vee handelde, naar Gent om Nederlands en Engels te gaan studeren. Zijn zus woont nog steeds in Hamme, soms rijdt hij op zijn motor (een Triumph Street Triple 675R) naar haar toe, 'dat is wel een leuk ritje.'

Ze zijn hem in Hamme niet vergeten. Hij is peter van een zaalvoetbalclub uit de eerste nationale en, verrassender, een brandweerwagen uit 1949. 'Toen dat ding eindelijk was opgeknapt, vond er een uitgebreide ceremonie plaats.'

Alleen om te voetballen - hij was talentvol en haalde bijna de profs - was hij als jongen weleens buiten Hamme geweest. Gent was de grote stad.

'Ik wist van niets. Ik zag hier een homo! En een zwarte! En een Marokkaan!' Aan de universiteit zat hij voor het eerst met meisjes in een lokaal. 'Je kunt je wel voorstellen dat dat iets met me deed, toch?'

In 1986 verhuisde hij met zijn eerste vrouw naar een appartement in de Sint-Kwintensberg in Gent; het begin van de zes jaar lange rock-'n-rollperiode uit het leven van Brusselmans. De trefwoorden: 'Stamkroeg, muzikanten, drank.'

De stamkroeg was de Caruso, een legendarisch café in de Sint-Pietersnieuwstraat, in de nabijheid van de universiteit en het grootste poppodium van de stad, De Vooruit. In meerdere romans beschreef hij het café, daar Paganini genaamd.

Drinken

Brusselmans kwam er dagelijks om te drinken, van 's avonds laat tot 's ochtends vroeg. Soms ging hij met de motor naar het café, 'vallend en opstaand'. Een stille drinker was hij, niet zo eentje die mensen begint te beledigen of in 'situaties' verzeild raakt.

'Black-outs had ik nooit, ik wist de volgende dag nog precies wat er was gebeurd. Ik kon ook altijd naar huis lopen; wankelend, maar toch.'

In 1993 stopte hij met drinken, van de ene op de andere dag. Nog vijf jaar zo doorgaan en dan ben je dood, zei de dokter. Hij kreeg heftige coldturkeyverschijnselen. 'Ratten in de kamer. Overal mieren. Het plafond dat naar beneden kwam. Na zes weken was het voorbij. Niet de drang om te drinken, maar de fysieke verschijnselen.'

En het schrijven?

'Daar was ik bang voor. Ik had altijd geschreven onder invloed. Toen ik nog bij de bibliotheek in Brussel werkte, dronk ik ook al stevig. Je kent de verhalen wel hè, over de kunstenaars en drank, dat ze het nodig hebben om hun creativiteit op te wekken. Het klopte niet. Ik denk dat niemand kan zeggen op welke pagina ik ben gestopt met drinken.'

Een half dozijn vrienden, bekende muzikanten veelal, overleefde het niet. 'Patrick de Witte, goede journalist en drummer van The Skyblasters, Luc De Vos, Paul De Spiegelaere, Fons Sijmons. Het waren goede maten van me, ze zijn gestorven, ze zijn dood.'

Weet je, zegt Herman Brusselmans, het echte stadsleven, met zuipen en uitgaan en drugs, het is goed voor een tijdje. 'Maar je houdt het niet vol. 's Nachts om vier uur met een stuk in je kloten meisjes versieren, dat gaat dan niet meer. En degenen die het wel volhouden, na hun 40ste of 50ste, dat zijn sukkels. Het is zielig om als vijftiger te laveren in kringen van 25-jarigen.'

Gelukkig had hij Tania leren kennen. 'Ik was gelukkig, en monogaam ook. Het was voorbij. Sindsdien ben ik een burgerlul.'

Tania heeft hem nog anderhalf jaar gekend als drinker. 'En ze bleef toen ik van de drank af was. Ik werd niet per se een ander mens, toch Tania?'

Tania, vanuit de keuken: 'Nee, nee.'

Reizen

Toen Tania hem verliet, sloeg de paniek toe. Hij was volledig van de kaart. Hij zou zijn leven veranderen, Gent verlaten en in Amsterdam gaan wonen, daar kent hij mensen. 'En ik liet mijn haar knippen.'

Het was een bevlieging. 'Ik ben toch maar hier gebleven. Mijn leven is hetzelfde gebleven. Ik ben ook gewoon te oud om iets opnieuw te beginnen. Te oud. Ik heb er geen fut meer voor.'

Reizen deed hij nooit. Hij is geen reiziger. 'Ik ben een van de minst avontuurlijke mensen die je je kunt voorstellen.'

Hij heeft er gewoon geen zin in, reizen. Mensen begrijpen niet dat hij de wereld niet hoeft te zien. 'Je kan me echt niet straffen door me drie weken op te sluiten in mijn huis, met boeken, tv, internet en sigaretten. Ik haal de wereld gewoon naar binnen.'

Hij hoeft niet te reizen om inspiratie te vinden voor zijn romans of een van zijn drie wekelijkse (in Humo, Het Laatste Nieuws en Nieuwe Revu) of zes maandelijkse (onder meer in Woef, een blad over honden) columns. Brusselmans heeft aan Gent genoeg.

'Sommige mensen wijzen er op dat het altijd maar Gent is in mijn boeken, dit in Gent, dat in Gent. Maar als ik New York of Amsterdam zou wonen, zou ik dezelfde boeken schrijven, met New York of Amsterdam als decor in plaats van Gent.'

Gent is een personage in zijn romans, maar hij beschrijft de stad niet gedetailleerd. 'Vijftig romans spelen zich af in Gent, maar je kunt mij geen Gentse schrijver noemen.'

In Oudburg komt hij ze vaak tegen, mensen die een boek van hem, Een dag in Gent (2008) vooral, denken te kunnen gebruiken om de stad te ontdekken. De indruk wordt versterkt door de omslagfoto waarop de schrijver pontificaal tussen de drie torens van Gent staat, de Sint-Niklaaskerk, het Belfort en de Sint-Baafskathedraal.

Hermans tips voor Gent

Verwacht van Herman Brusselmans geen tips voor onontdekte parels die in geen enkele reisgids over Gent staan. Wie zijn aanwijzingen volgt, komt terecht in de toeristenstroom. Dat is geen groot bezwaar overigens.

Gent wordt, anders dan bijvoorbeeld Brugge, nog niet overlopen door horden toeristen. Nog een voordeel is dat alle bezienswaardigheden op loopafstand zijn en dat de stad een overschot heeft aan restaurants en cafés.

Beste bezoektijd voor- en najaar, of beter gezegd: alle maanden buiten de zomervakantie, hoewel de jaarlijkse Gentse feesten in juli ook geen straf zijn, ondanks de drukte.

Als eerste noemt Brusselmans het Gravensteen, een middeleeuwse burcht die door Raymond van het Groenewoud genoemd werd in zijn klassieker Vlaanderen Boven: 'De Kemmelberg, het Gravensteen, ik kan niet kakken ik ben ziek.' Het Gravensteen dateert volgens Brusselmans 'uit de 13de eeuw of zo' en is in de loop der eeuwen 'honderd keer gerenoveerd, waardoor de folterkamer is gaan lijken op een moderne salon.'

Iedere toerist komt terecht op het Sint-Baafsplein en wandelt binnen bij de Sint-Baafskathedraal waar schouder aan schouder kan worden gekeken naar De aanbidding van het Lam Gods (1432) van Jan van Eyck, een onbetwist hoogtepunt in de Vlaamse schilderkunst. Ook Peter Paul Rubens is hier vertegenwoordigd, met De Bekering van Sint-Bavo.

Als eerste museum noemt Brusselmans het SMAK, het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst dat sinds 1975 met wijlen Jan Hoet als conservator de grenzen verlegde. 'Het SMAK was de speeltuin van Hoet, de man die de Gentse kunst vertegenwoordigde.'

Andere musea die volgens Brusselmans een bezoek waard zijn: het MIAT (Museum over Industrie, Arbeid en Textiel) en het Design Museum Gent.

Dat is het wel zo ongeveer, volgens de schrijver. Wie Gent wil leren kennen, heeft aan twee dagen genoeg. 'Gent is geen Brussel of Amsterdam.'

Vergeet trouwens niet een foto te maken van de karakteristieke skyline van Gent, met de Sint-Niklaaskerk, het Belfort en de Sint-Baafskathedraal.

Het is een misverstand. Een dag in Gent gaat over een man in de nacht in de stad, over de geluiden en de stilte. 'Ik gebruik wel namen van straten, maar door mij leer je Gent niet kennen. Het is voor tachtig procent fictie. Voor mij is Gent al dertig jaar hetzelfde Gent.'

Hij schrijft 's nachts en slaapt overdag. Tania groeide er in mee. Als zij opstond, ging hij naar bed. Zo ging het jarenlang.

'Ik zeg altijd: we zijn nooit samen gaan slapen, daarom hebben we ook geen kinderen. Maar met die jonge vriendinnetjes is het soms lastig, die willen je hun wil opleggen. Die willen dat ik 's avonds met ze mee naar bed ga. Dan is mijn hele schema naar de klote.'

De nacht is in zijn oeuvre net zo belangrijk als Gent. Zijn boeken noemt hij nachtboeken. Ze gaan over de melancholie van de nacht, over eenzaamheid en stilte. 'En een sirene in de verte.' Het lukt hem niet overdag te schrijven, hij heeft het geprobeerd. 'Ik kan het alleen 's nachts.'

Gent wordt steeds meer een feeststad. Hij somt op: de Gentse Feesten, de Patersholfeesten, het Lichtfestival, de City Run.

'Er is altijd wat. Vooral de Gentse Feesten vind ik ongelofelijk debiel. Een stad die tien dagen lang vierentwintig uur plat ligt. Plat. Er kan niks worden gedaan, behalve feesten. Waar kom je dat tegen in Europa? Tien dagen feesten? En wat voor feest dan? Kraampjes, zuipen, eten en wat straatanimatie en altijd dezelfde Gentse bands.'

Zijn straat loopt vol, hij kan amper de deur uit om een boodschap te doen. Hij heeft zich wel eens voorgesteld wat er zou gebeuren als hij tijdens de Patersholfeesten zou sterven, in zijn huis. 'Dan moet de begrafenisondernemer zich een weg banen door al dat zuipend volk hier beneden.'

Beeld Aurélie Geurts

Tania: 'Dan moet je worden opgebaard.'

Net zo groot is zijn ergernis over de pogingen van de gemeente om de stad autoluw te maken. Na een interview in De Zondag werd hij plotseling een van de woordvoerders van de protestbeweging, vanwege twee zinnetjes vooral. Hij noemde de verantwoordelijke wethouder een 'pipo die voor het ene na het andere infarct zorgt' en zei dat de man de stad naar de kloten aan het helpen was en wilde omvormen tot een soort Brugge - een gruwelbeeld. Brugge drijft op het toerisme, 'met onafzienbare rijen bussen met Japanners.'

Het is nog altijd oké om in Gent te wonen, zegt hij, ook al is het geen wereldstad. Hij heeft weinig vergelijkingsmateriaal, 'ik ken niet zo veel steden', maar de combinatie van oud en nieuw is aangenaam en dankzij de universiteit wonen er veel jonge mensen, met alle voordelen van dien.

'En het is hier relatief veilig en alles is beloopbaar. Ik kan lopen naar het theater of de bioscoop, naar cafés en restaurants. Niet dat ik dat allemaal nodig heb. Tachtig procent van mijn tijd zit ik gewoon thuis.'

Ooit hadden Tania en hij het plan om zes maanden in New York te gaan wonen. Hij zou daar een roman schrijven. 'Het kwam er niet van, ik ben er eigenlijk gewoon te lui voor.'

Beeld Aurélie Geurts

Tania: 'Als je 70 bent.'

Herman: 'Ja ja.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden