Iedereen z'n eigen camino

Wie na duizenden kilometers bedevaart Santiago binnenkomt, staat geen warm onthaal te wachten. De aanwezigheid van de pelgrim spreekt er vanzelf....

Het moet een emotioneel moment zijn, na honderden of wel duizenden kilometers bedevaart: het eerste zicht op de kathedraal van Santiago de Compostela, het huis van apostel Jacobus de Meerdere, Morendoder. De pelgrim, te voet of op de fiets, moet er nog wel even steil voor heuvelop, naar de top van de Monte do Gozo, de Berg van Vreugde. Het is een te nemen laatste horde. De laatste etappe van de camino is niet al te zwaar geweest, over schaduwrijke landweggetjes en door enkele stille gehuchten. Houvast bieden verweerde stenen wegwijzers in de berm, pijltjes in gele verf en aanduidingen op manshoge verkeersborden langs de autoweg.

Tegenwoordig moet je wel goed kijken als je boven bent: in de skyline van flatgebouwen en de lichtmasten van het Estadio de Fútbol de San Lázaro vallen de drie torens die uit de middeleeuwse binnenstad omhoog prikken, nog maar nauwelijks op.

Kurt (65), gepensioneerd, wandelaar, 2.350 kilometer vanaf Roermond:

‘Voor mij lag de emotie veel eerder, in Vézelay, in de Bourgogne. In een kerkje zong een koor. Dat raakte me zo diep, dat ik als een klein kind heb staan huilen. Maar ik moet zeggen: toen ik gisteren na drie maanden lopen voor de kathedraal stond en naar huis belde, kreeg ik het weer te kwaad. Ik heb binnen het beeld van Jacobus omarmd. Het was alsof hij zei: ik wist dat je komen zou.’

Misschien vormen de mist en de miezer van Galicië een passender onthaal voor de pelgrim, het tikken van de wandelstok in de smalle steegjes zal plechtiger klinken op goeddeels verlaten plaveisel. Maar vandaag schijnt uitbundig de zon, snerpt overal de gaita, de doedelzak van de streek, laat een jazzgitarist gedempte akkoorden uit zijn Marshall-versterkertje klinken, lopen clowns met je op en presenteren de souvenirshops hun waar: stokken met Sint Jacobsschelpen en waterkruikjes. Het moet even wennen zijn na weken van stilte en betrekkelijke eenzaamheid.

René Beltjens (59), technisch inspecteur bij DSM, fietser, 2.765 km vanaf Melick:

‘In het begin ben je nog vooral bezig met de volgende slaapplaats. Haal ik het wel? Die structuren raak je kwijt. We zien wel. Zo denken, alles loslaten, was heel bevrijdend.’

De bedevaartganger in Santiago de Compostela is, als hij tenminste niet op zijn mountainbike of randonneur zit, te herkennen aan rugzak en wandelschoenen en niet zelden een licht slepende tred, symptoom van een verloren strijd tegen de blaren. Zijn aanwezigheid hier is een vanzelfsprekendheid, de pelgrim wordt niet met klaroengeschal binnengehaald, niemand zal hem bewonderend op de schouder slaan. Hij gaat op in de toeristenmassa’s op het grote plein voor de kathedraal, het Praza do Obradoiro, waar achter de uitbundige barok van de gevel de Pórtico de la Gloria schuilgaat, het beeldhouwwerk vol christelijkheid.

Misschien drukt hij ook wel het voorhoofd tegen dat van de Maestro Matteo aan de voet van de Boom van Jesse, in de hoop iets van diens wijsheid te kunnen overnemen. Wie weet, schaart hij zich in de lange rijen op het Praza de Quintana voor de crypte van de apostel of op het Praza Praterias voor het bijwonen van een mis. En hij zal net als alle andere bezoekers de adem voelen stokken als de botafumeiro in royale bogen door het transept zwiert, een meer dan anderhalve meter hoog en 80 kilo zwaar wierookvat dat dikke wolken uitblazend bijna het plafond raakt. Op het hoogste punt hangt het koord even slap, met de dreiging van een fatale tuimeling op de gelovigen in de kerkbanken beneden. Naar verluidt stamt het gebruik uit de Middeleeuwen: de toenmalige clerus wilde er de geur van honderden ongewassen pelgrims mee verdrijven.

Patrick Fitzgerald (65), Ierland, wandelaar, 800 km van Saint-Jean-Pied-de-Port:

‘Die rituelen hier zeggen me niet zoveel. De kathedraal is prachtig, zeker, wat een vakwerk. Maar wat geloof nu eigenlijk is, daar ben ik onderweg achter gekomen. Geloof is handelen in overeenstemming met je geweten. Voor mij is de camino zelf de kathedraal gebleken.’

Het begon volgens de overlevering allemaal aan het begin van de 9de eeuw met de getuigenis van ene Pelayo, een kluizenaar die een ongewoon helder licht had gezien boven een heuvel. Daar werd een tombe gevonden. De plaatselijke bisschop wist het meteen: hier lagen de stoffelijke resten van Jacobus de Meerdere. In 44 na Christus was de apostel in Jeruzalem onthoofd, waarna zijn discipelen zijn lichaam met een schip in zeven dagen terugbrachten naar het Westen, de streek waar hij ooit gepredikt had. De ontdekking van zijn tombe bracht snel een pelgrimage op gang, die al eeuwen standhoudt.

Sylvia (26) en Elvira (53) Romero, Spanje, wandelaars, 112 km vanaf Sarria:

‘Mijn moeder wilde de camino graag een keer lopen, ik wilde niet dat ze alleen ging. Ik vond het leuk, plezier hebben onderweg, andere mensen ontmoeten, maar de waarde zat in de zware momenten, en dan te ontdekken dat je het aankunt, hoe ver het ook is. Of het de relatie met mijn moeder heeft veranderd, weet ik niet. Nu zijn we vooral moe. Maar we hebben wel de herinneringen samen.’

De meeste bedevaartgangers – eenzaten, vrienden, vader en zoon, moeder en dochter, duursporters, cultuurminnaars, katholieken, protestanten, New Agers – verzamelen zich op de trappen van het pelgrimskantoor in de Rua de Vilar. Ze azen op het zogeheten compostelaat, de oorkonde voor het afleggen van de camino. Voor menigeen is het een weerzien. De contacten onderweg verlopen volgens een vast patroon. Waar kom je vandaan, hoe lang ben je onderweg, gevolgd door de vraag die dieper gaat en volgens de pelgrims de basis legt voor korte, maar intense gesprekken: waarom loop je eigenlijk de camino?

Roberto Rivoira (25), Italië, fietser, 1.954 km vanaf Cuno:

‘Mijn baan bij Vodafone verveelde, ik woog 115 kilo, ik wilde weg. Vroeger zei ik dat iemand die de wereld rondfietste, gek was. Nu heb ik er bewondering voor. Hij durft te kiezen. Dat heb ik ook gedaan. Ik voel me sterker nu.’

Gabriele Schach (48), Duitsland, psychotherapeut, wandelaar, 740 km vanaf Pamplona:

‘Ik had problemen op mijn werk, ik moest afstand nemen. In het begin viel het zwaar tegen. Ik wist niet dat voeten zo zeer konden doen. De magie van de tocht zat in de ontmoetingen met anderen. Iemand vertelde me een verhaal waarin een oude wijze pelgrim een jongeman ontmoet die net zo wijs wil worden als hij, door ook duizenden kilometers te gaan lopen. Maar de wijze man zei: ga naar huis en heb uw familie en vrienden lief. Pas dan ben je een goede pelgrim. Ik word nog emotioneel als ik daaraan terugdenk. Ik ben nu hier, maar ik weet dat mijn camino pas begint als ik weer thuis ben.’

Uiteindelijk nodigt de stad te midden van groene heuvels uit tot een wat langer oponthoud. De neergestreken pelgrim, nu vooral op slippers en in basale kledij, dwaalt er van plein naar plein, onder arcaden, langs fonteinen, kerken en kloostergebouwen, en regelt intussen de terugreis. Ten afscheid nog even tapas eten met de nieuwe vrienden van de camino. Santiago is niet alleen einddoel, maar ook transferium naar alledag. Anderen stellen de terugkeer nog even uit en trekken naar Finisterre, ooit het einde van de wereld. Ze zijn er nou toch.

Maar in Santiago blijkt ook dat het afleggen van de camino niet het hele bestaan draaglijker heeft gemaakt. In het pelgrimskantoor krijgt een passant die per ongeluk de rij wachtenden voorbij loopt, een ferme tik op de schouder. Aansluiten jij! Een bord waarop de bezoekers in zes talen welkom wordt geheten, is een pelgrim niet uitgebreid genoeg. Een cynische krabbel: ‘Grazie per l’Italiano!’

Michael (33), Denemarken, wandelaar, naar schatting 3.000 kilometer vanaf Valencia:

‘Ik ben teleurgesteld. Ik hoopte onderweg het goede in mensen te ontdekken. Vergeet het. Winkeliers sloten de deur als ik eraan kwam. Niemand gaf me water. Waarom? Omdat ik een kaalgeschoren kop heb? Omdat ik een legerbroek draag? En nu willen deze fucking Spanjaarden me geen certificaat geven. Ze geloven niet dat ik per dag soms meer dan 55 kilometer heb gelopen. Ik wil dat bewijs. Ik wil mijn zoon laten zien dat ik iets kan , hij is 13 en woont in Engeland.

‘Ik heb mijn leven verknald, man. Drugs, criminaliteit. Maar ik heb wel iets over mezelf geleerd. Dat ik een goed persoon ben, ik heb anderen geholpen toen ze niet meer verder konden. Er is wel een probleem, nu. Ik heb buiten geslapen vannacht. De ratten hebben mijn portemonnee aangevreten. Hier, drie biljetten van 5 euro aan flarden. Het was alles wat ik had. Maar morgen ga ik naar Finisterre, en dan bovenlangs de Spaanse kust naar Bordeaux. Daar ga ik druiven plukken. Ik bepaal zelf waar mijn camino ophoudt.’

Hij sjort zijn rugzak om en loopt de Rua de Vilar uit. Zijn twee honden sjokken achter hem aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden