Column Eva Hoeke

Hoe volwassen gedraag je je als er twee kittens in huis zijn? Eva Hoeke bedenkt het woord kittenschaamte

Je denkt dat je een hele grote jongen bent, totdat je twee kittens in huis hebt die zich al uren onder de bank verschansen, stilletjes, weerloos, dicht tegen elkaar aan, omdat jij ze die middag zo nodig onder hun moeder vandaan moest trekken.

Kittenschaamte, ook dat nog. 

Goed, ze hadden de leeftijd, 12 weken oud, pubers al bijna, nog even en hun moeder zou ze zelf het nest hebben uitgekieperd, maar toch, nu zaten ze onder de bank en waren ze diep ongelukkig, ik zag het als ik op de grond lag en met een lichtje onder de bank scheen. Ik keek naar het mandje met de wollen deken dat we die middag hadden aangeschaft, dacht aan hoe hun moeder een paar kilometer verderop waarschijnlijk klaaglijk miauwend op zoek was naar haar kindertjes, wáár zijn mijn kindertjes, en overwoog toen heel even om broer en zus terug te rijden naar moeders, jammer dan, en sorry, nogmaals, over een week proberen we het nog eens.

‘Doe effe normaal’, zei de Man.

Inmiddels, een maand later, is van kittenschaamte geen enkele sprake meer. Joseph en Olga hebben zich ontwikkeld tot twee zelfverzekerde en doelgerichte huisgenoten die goed kunnen aangeven wanneer ze iets wel willen – we eten inmiddels met de plantenspuit op tafel – en vooral ook níet willen. Schitterend, die verbijsterde blik van Olga wanneer ze weer eens in een houdgreep wordt genomen door onze Dochter (4), die Olga haar beste vriend noemt. Meteen daarna: ‘Au. Hij prikt.’

Vrolijke bijkomstigheid van huisdieren is dat ze een handige opening blijken te zijn voor een gesprek. De buurman, hij runt een tatoeageshop en wordt bewaakt door een Bordeaux Dog en een American Stafford, ons contact bleef tot nu toe beperkt, raadde me een goeie dierenarts aan. ‘Klantje van me,’ zei hij terwijl hij het nummer opzocht in zijn telefoon. ‘Ideaal. Als hij mijn hondjes verkeerd prikt, prik ik hem gewoon verkeerd terug.’ Daarna raadde hij me aan de boel snel te laten helpen als ik geen nestje wilde, het feit dat ze broer en zus zijn zou ze namelijk niet tegenhouden. Buurman, achteloos: ‘Wat dat betreft zijn het net Volendammers.’

Zelf deed ik ook raar.

Of raar – ronduit debiel, hoe je gaat doen met babypoezen in huis.

Wanneer er eentje binnenkomt zeg ik hoi, ik zeg sorry als ze mij laten struikelen. Zoals we in de auto onderhands M&M’s passeren alsof het xtc-pillen zijn om de Dochters maar niets te hoeven geven, zo sta ik nu stiekem chips te snaaien achter het keukenkastje als Joseph & Olga in de buurt zijn. Als vrienden opmerken hoe vriendelijk en geduldig de dieren zijn en daarmee hun uitzonderingspositie bevestigen, voel ik iets dat nog het meest lijkt op… Nou ja, trots.

Indo’s hebben er een mooi woord voor: gemus, dat gevoel van genegenheid waarbij je je die ander wel wat kan aandoen, zo lief. Het zit ‘m in dat kleine schedeltje, dat pedante neusje, die malle hazenpoten. Het rechtstandig omhoog springen om niks, het synchroon bewegen, als een zwerm spreeuwen, als ze een vlieg zien. De eerste keer in de boom en de vrolijke angst van de kinderen (‘Pas op Jofes, straks val je!’) het gesmoorde gegrom tijdens het stoeien, de diepe slaap waarin ze een seconde later liggen, innig verstrengeld, je weet niet waar broer begint en zus eindigt, het motortje dat aanspringt wanneer je hun vacht aanraakt. Kippenvel: een poes die in je oor knort.

Gister kwam Joseph bij me liggen, toen hij me aankeek wist ik wat hij wilde zeggen.

Nee, die missen hun moeder niet hoor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden