de gids balkontips

Hoe maak je van een klein stadsbalkon een paradijs voor vogels en insecten?

Beeld Aart-Jan Venema

Geen tuin, maar wel de behoefte om gastheer te zijn voor allerlei planten en dieren? In deze serie laat Caspar Janssen zien hoe zelfs een klein stadsbalkon mooi en nuttig wordt. Deel 1: Hoe te beginnen? En waar eigenlijk?

Zelf doen, zelf doen! Het spookte al jaren door mijn hoofd. Naar het voorbeeld van mensen over wie ik las, of die ik tegenkwam. Mensen die een stuk landbouwgrond kochten en daar een vlinderparadijs van maakten. Of mensen die hun landgoed beheerden met maar één doel: zoveel mogelijk diersoorten een geschikte leefplek bieden. Mensen met wilde tuinen ook, of zo biodivers mogelijke volkstuintjes. Ik las natuurlijk de boeken van Dave Goulson, de Britse hommeldeskundige die een stuk grond kocht in Frankrijk en daar een oase van maakte voor vlinders, wilde bijen, hommels, amfibieën, zoogdieren, honderden soorten wilde planten en dieren, gadegeslagen door hoofdschuddende Franse boeren. Niet zeuren maar doen. Omdat het nodig is. Want het gaat onveranderd slechter, met insecten, met het bodemleven, met veel vogels, met bestuivers. Daar wordt veel over geouwehoerd, maar je kunt natuurlijk ook zelf aan de slag gaan. Al die mensen werden daar vrolijk van, ook een overweging.

Maar ja, ik heb geen geld om een stuk grond te kopen, ik heb geen landgoed, zelfs geen tuin, en ook geen volkstuin. Een balkon, dat is wat ik heb.

Zo maak je een vlinder- en bijenvriendelijk stadsbalkon

Caspar Janssen probeert dit voorjaar en deze zomer een vlinder- en bijenvriendelijk stadsbalkon te creëren. Hij doet tweewekelijks verslag van de ontwikkelingen. Al zijn tips worden gebundeld op deze pagina.

Beeld Rebecca Fertinel

Mijn balkon dus 10 meter breed en 1.10 meter diep. Best een lang strookje, gelegen op het zuiden. Ik heb al veel meegemaakt op mijn balkon, dat  is gesitueerd op de eerste verdieping in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Ik heb er bijvoorbeeld alle vogelsoorten leren herkennen die in de tamelijk diepe binnentuinen voorkomen, toch al snel veertig. Nu zit er een roodborstje op mijn voedertafel op het balkon. Ik ben er best goed in geworden, vogels lokken, ik heb bijna permanent pimpelmezen, koolmezen, gaaien, merels en vinken op mijn balkon. Houtduiven heb ik ook, ondanks de provisorische constructie van gaas die ik heb gemaakt om ze te weren.

Beeld Rebecca Fertinel

In januari zag mijn balkon er nogal desolaat uit. Een Dirk van den Broektas met lege flessen, twee stoelen, een paar bloempotten met de dode stengels van de zonnebloemen van vorig jaar er nog in. En dan de tentakels van de blauwe regen van de onderbuurman, die de spijlen van mijn balkon hadden omstrengeld. Ook nog een plantenbakje aan de reling, met daarin een armzalig lavendelplantje en campanula (klokjes), waar alleen in het eerste jaar wat schuchtere paarse bloemetjes in groeiden. En duivenpoep, op de houten vlonders.

Op 3 februari begint de zanglijster te zingen. Vroege lentebode. Sinds ik hier woon, sinds 2002, heb ik al veel plezier beleefd aan deze ene zanglijster, die al tijdens de ochtendschemering zijn superieure strofen ongeremd de slaapkamers binnenslingert. Het is vast niet ieder jaar dezelfde zanglijster, maar zo voelt het wel. Een paar dagen later komt hij rozijnen eten op mijn voedertafel. En verdomd, nog een paar dagen later zijn ze met zijn tweeën. Twee zanglijsters. Ik krijg zowaar het idee dat mijn constante voedselaanbod een rol heeft gespeeld in dit succes.

Beeld Rebecca Fertinel

Het plan ontstaat. Afgelopen jaren heb ik al gezien dat de blauwe regen die gratis en voor niks aan mijn balkonreling hangt veel hommels trekt. Van een vriend heb ik zonnebloemenpitten gekregen, die heb ik in potten gestopt, ze zijn zelfs gaan groeien, ook daar kwamen hommels op af. Ik zou het natuurlijk ook in één keer goed kunnen aanpakken: een groene oase maken. Mijn eigen mini-Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Zoveel mogelijk soorten lokken: hommels, wilde bijen, vlinders, andere insecten, vogels. En dan bijhouden wat er gebeurt. Zouden er een miljoen balkons zijn in Nederland? Stel, die werden allemaal ingezet voor de bestuivers en andere insecten, dat moet toch verschil maken.

Beeld Rebecca Fertinel

Ik heb wel een handicap: ik weet niets van tuinieren. Ik maaide vroeger het gras bij mijn ouders thuis. Daarna gebeurde er lange tijd niets. Totdat ik vorig jaar dus die zonnebloempitten in potten deed. Ik ben eigenlijk ook geen liefhebber. Al dat geteut, je moet er ook veel te veel geduld voor hebben.

Voor de goede zaak dan maar. Tegen de verstening. Het wedstrijdelement spreekt me ook wel aan. Stille hoop dat ik bijzondere vlinders en hommels op mijn balkon krijg. En het is natuurlijk leuk om een soortenlijst bij te houden.

Hoe te beginnen? En wanneer eigenlijk? Het is inmiddels half februari. Wat kan ik doen op deze ruimte, als ik wil dat de balkondeuren ook nog open kunnen? Googelen. Lezen. Honderden, zo niet duizenden mensen en clubjes blijken zich bezig te houden met biodiversiteit in de tuin. De Wilde Weelde, Velt, Cruydt-Hoeck, Vivara, allerlei biologische tuiniers zijn er, natuurvriendelijke hoveniers, leveranciers van zaden en bloggers. De variatie in vogelkastjes, voerconstructies en bijenhotels is eindeloos.

Beeld Rebecca Fertinel

Maar het gaat bijna altijd over tuinen, zelden over balkons. Toevallig krijg ik een boek toegestuurd van Albert Vliegenthart, van de Vlinderstichting: Een tuin voor bijen & vlinders. Interessant boek, maar slechts een halve pagina over het balkon. Tot op de achtste verdieping kun je vlinders aantreffen, leer ik en diverse bijensoorten halen de derde etage. Ik bel Vliegenthart. Hij stuurt me een zadenmengsel met vlinderbloemen, die kan ik ook in een grote bak op het balkon zaaien. Verder nuttige tips: pas op met bemesten en compost. Dat hoeft eigenlijk niet en te veel werkt averechts. Hij noemt namen van geschikte planten. Paarse en lila soorten, die trekken vaak vlinders. Gele soorten voor nachtvlinders. Gebruik inheemse soorten om inheemse vlinders aan te trekken. Biologische zaden ook, want je wilt natuurlijk geen met anti-insectengif gecoate zaden. Nog wat namen: smeerwortel, longkruid. Als struik wellicht een minitreurwilg. Of een vuilboompje. Rode Ribes, ‘een fantastische plant voor hommels.’ Ik noteer het allemaal braaf.

Dilemma’s. Ik ga naar de Intratuin voor potten en bloembakken. Maar ja, welk materiaal? Kunststof, plastic, hout, terracotta, rotan? Ik vraag me toch af wat het minste schade aanricht. Al die potten, die moeten ook worden gemaakt, het materiaal moet ergens vandaan komen. Omdat ik doortastend wil zijn, koop ik twee grote, diepe rechthoekige bakken van kunststof. Eenmaal buiten heb ik spijt: ze zijn lelijk en vast ook de slechtste keuze. ’s Avonds op internet zoek ik op ‘milieuvriendelijke plantenbakken’. Ik word niet veel wijzer. Ja, je kunt natuurlijk materiaal uit de natuur gebruiken, maar ja, dat haal je dus uit de natuur. En het gaat ook minder lang mee, die wilgentenen. Voor hout geldt eigenlijk hetzelfde. Terracotta moet ook ergens gewonnen worden. En ja, kunststof, dat is natuurlijk ook niet goed. Dan stuit ik toevallig op de site van het bedrijf waar mijn twee kunststof bakken vandaan komen. ‘Ons materiaal is voor 67 procent hergebruikt’, staat er. Nou ja, toch maar niet terugbrengen, die bakken, al is het maar uit gemakzucht.

Gelukkig heb ik ook nog de nodige potten en emmers staan. En een paar avonden later kom ik een buurvrouw tegen. Ze is net bezig om haar dakterras leeg te ruimen: ze zet al haar bloempotten, rotan manden, bloembakken aan de straat voor het grof vuil. De bloemen, planten en bierdopjes zitten er nog in. Ik sjouw ze allemaal weer de trap op. Hergebruik, kringloop, cyclisch balkonieren.

Beeld Rebecca Fertinel

Dan de potgrond. Dat is ook weer zo wat. Die potgrond, dat is voornamelijk turf. Lastig. Want daarvoor wordt dus veen afgegraven, in Duitsland of in Polen, of waar dan ook. Dat is toch een raar idee, dat je voor een paar hommels op je balkon meewerkt aan het afgraven van veen, waarbij ook nog eens CO2 vrijkomt. Ik stuit op een verhaal van Loethe Olthuis. Ze heeft zich in deze krant al eens over deze kwestie gebogen. Haar aanbeveling: kokospotgrond. Dat bestaat uit kokosgruis, restafval. Daar komt minder CO2 bij vrij. Het wordt weliswaar vanuit India verscheept, maar netto is het toch de beste oplossing. Dus koop ik drie grote zakken ecologisch verantwoorde kokospotgrond.

Albert Vliegenthart had ook nog een advies: gewoon ergens grond uit een plantsoen te halen. Maar ja, corrigeerde hij zichzelf, dat mag natuurlijk niet. Ik krijg nog een originele tip: ga naar een park met twee emmers en pak de grond van de molshopen. Ook dat mag niet, maar iedereen is er eigenlijk blij mee. En het is grond met bodemleven erin, dat is goed.

Het balkon staat inmiddels bijna vol, met potten, zakken potgrond, een zak wormenmest (bodemleven!) die ik bij een voormalige growshop in de buurt heb gehaald. Maar echt begonnen ben ik nog niet. En dan wordt het eind februari opeens 19 graden, een wel erg vroege lente. Ik zal toch niet te laat zijn? Weer naar het tuincentrum, op zoek naar planten. Maar in het tuincentrum zitten ze met de handen in het haar: iedereen wil al van alles, maar er is nog heel weinig gearriveerd van de kwekers. Vorig jaar rond deze tijd lag er nog ijs. En ik zit met het probleem dat ik het liefst alles biologisch wil, en inheems. Onverrichter zake ga ik weer naar huis. Ik begrijp dat ik ook weer niet te vroeg moet gaan zaaien en planten, want één nacht vorst en alles is kapot.

’s Avonds bestel ik via een webshop een vuilboom bij een kwekerij voor kleinfruit. En een Rode Ribus en Rode Bessenstruik, bij de Biotuin in Tilburg. De vuilboom kan ik een paar dagen later ophalen bij een tabakswinkel in de buurt, in een grote doos.

Beeld Rebecca Fertinel

Op het balkon, intussen. Tegen de muur van het huis zit een grote hommel, die ik determineer als aardhommel, een koningin. Tragisch, vermoedelijk vanwege de warmte is ze al uitgevlogen, maar het is nog te vroeg, er is niet genoeg voedsel voor ze. Op de blauwe regen tref ik een lieveheersbeestje aan. Het zevenstippelig lieveheersbeestje om precies te zijn. Fijn. Een natuurlijke plaagbestrijder, en inheems bovendien. Ik hou mijn nieuwe waarnemingen, achter en voor mijn huis, zoveel mogelijk bij.

Om iets concreets, tuinierderigs te doen, plant ik de vuilboom in één van de nieuwe bakken. Kokospotgrond mengen met wat wormenmest, de plant erin, beetje water erbij. Die staat. Een wapenfeit. De vuilboom is een inheemse superplant. Niet alleen een bron van nectar, maar ook waardplant voor de citroenvlinder en het boomblauwtje. Met de vuilboom investeer ik in de toekomst. Niet alleen gemakzuchtig soorten aantrekken met nectar, maar ook een plek bieden om rupsen af te zetten. Dat geeft een goed gevoel. Als het tenminste gaat werken.

Dan wordt het weer gewoon, maarts weer. Nog veel te doen en te leren. Eerst maar eens molshopen zoeken.

Beeld Rebecca Fertinel

Invasieve vlinderstruiken

Veel mensen zetten een vlinderstruik (Buddleja) in de tuin. De ideale nectarplant, vooral populair onder de zogeheten ‘kroeglopers’ onder de vlinders. Een makkelijke manier om veel vlinders te lokken. Maar de plant is niet onomstreden. De Buddleja is uitheems, en uit Vlaanderen komen recentelijk berichten dat de struik inheemse planten verdringt en zich dus gedraagt als een invasieve exoot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden