Hoe is het nu in T.S. Eliots East Coker?

Zijn productiefste jaren beleefde de dichter T.S. Eliot in een van de mooiste dorpen van Engeland. Ruim vijftig jaar later lijkt er weinig veranderd in East Coker. Helaas ís dat wel zo.

Het uitzicht over de valleien vanaf de kerktoren van East Coker. Beeld Sanne De Wilde

Wie vanuit het westen naar East Coker rijdt, komt door een groene hemelpoort. De toppen van de bomen die aan weerszijden van een landweggetje staan opgesteld reiken naar elkaar en laten, in bloei, amper daglicht toe. Aan het einde van de groene tunnel ligt een van de mooiste dorpjes van Engeland. De eeuwenoude boerderijtjes met hun rieten daken zijn opgetrokken uit biscuitkleurige kalkstenen die amper zichtbaar zijn door roze, gele, witte en rode rozen. Mezen, merels en mussen vormen een achtergrondkoor bij het dagelijkse leven. Heggen scheiden de tuinen als levende muren. Huizen hebben hier geen nummers, maar namen.

Er is op het eerste gezicht weinig veranderd sinds de warme dag in augustus 1937 toen T.S. Eliot hier met de fiets aan kwam rijden. 'Across the field / Leaving the deep lane / Shuttered with branches / dark in the afternoon / Where you lean against a bank while a van passes,' zou hij schrijven in East Coker, het tweede van de Four Quartets, de vier lange gedichten die tot de hoogtepunten behoren van het oeuvre van deze Nobelprijswinnaar.

Dit gedicht gaat over de kwetsbaarheid van een idylle, maar het is geen Engelse versie van de Ondergang van het Avondland. Het gaat ook over vernieuwing, over ouder worden en over hoe de tijd de mens, tegen wil en dank, meesleept.

Het 'altaar' in de kerk voor T.S. Eliot. Beeld Sanne De Wilde

Speciale missie

De bekendste woorden zijn de eerste: In my beginning is my end. Dat is hoogstpersoonlijk. Immers, Eliot was in East Coker op een speciale missie. Hij had ontdekt dat zijn voorvaderen uit dit dorpje op de grens van Dorset en Somerset stamden. Zo kwam Thomas Eliot hier vandaan, een adviseur van de jonge koning Hendrik VIII die in 1531 The Boke Named The Governour schreef. Belangrijker voor het leven van de dichter was Andrew Eliot, een schoenmaker die halverwege de 17de eeuw naar de Nieuwe Wereld emigreerde. Hij vestigde zich in New England, Amerika.

De Eliots vertrokken later naar Missouri, waar ze de unitaristische kerk stichtten. Daar, in St. Louis, werd op 24 september 1888 Thomas Stearns Eliot geboren. Op 26-jarige leeftijd ging hij als student naar Engeland waar hij voor altijd zou blijven. Hij werkte als docent, als bankier, als uitgever (en weigerde ooit het manuscript van Animal Farm), als ouderling en maakte natuurlijk vooral faam als dichter. In 1927 sloot hij zich aan bij de Anglicaanse kerk en nam hij de Engelse nationaliteit aan. Sterker, hij werd Engelser dan de Engelsen, met zijn onberispelijke maatpakken, gevoel voor humor en liefde voor huisdieren. Hij noemde zich 'klassiek op literair gebied, monarchist op politiek en anglo-katholiek op religieus'.

Eliots naam zou onlosmakelijk verbonden blijven met East Coker, ook omdat de St Michael's Church begin 1965 zijn laatste rustplaats zou worden. In de noordwesthoek van de kerk staat zijn zwart-witfoto, naast een gedenksteen met daaronder de beroemde tekst 'In my beginning is my end' en een uitnodiging om uit medemenselijkheid te bidden voor de rust van Eliots ziel. Ook zijn tweede vrouw Valerie, drie jaar geleden gestorven, rust hier in vrede. Er staat een verse bos witte bloemen. Die zijn het werk van Sue Hedges (79) en John Carter (83), twee vrienden die wonen in Slades Cottage, een 16de-eeuws boerderijtje waar een beetje Hollander amper rechtop kan lopen. Het levendige duo (Sue: 'Misschien moeten we eens trouwen, dat is fatsoenlijker') zit in de serre, die uitzicht biedt op de wilde tuin met een ondersteunde olijfboom. Verderop in de tuin staat het tuinhuisje waar Johnny, zoals Sue haar maatje noemt, de verf maakt voor zijn schilderijen, zijn kunstboeken raadpleegt en zijn levensverhaal op papier zet.

Sue Hedges (79) woont met John Carter (83) in de 16de-eeuwse boerderij Slades Cottage. Beeld Sanne De Wilde

Vulpen en telefoon

Dat levensverhaal blijkt een eliotiaans karakter te hebben. Terwijl Sue vlierbloesemsap serveert, met Schotse koekjes, vertelt hij dat hij in Nieuw-Zeeland is geboren, 'maar ik heb me altijd Engels gevoeld. Ik vrat boeken over de historische dorpjes, de klassieke architectuur en het glooiende landschap, de harmonie tussen mens en natuur.' Na al eerder een paar jaar in Londen te hebben gewoond volgde in 1979 de definitieve overtocht. 'Ik verkocht mijn veehouderij en vestigde me in East Coker. Dit is mijn thuis.'

De twee spelen een actieve rol in het dorpsleven, vooral waar het de kerk aangaat. Contact met de buitenwereld is beperkt - door wantrouwen in moderne communicatiemiddelen. 'East Coker is voor mij vulpen en telefoon,' zegt Sue, 'maar het maakt ouder worden wel moeilijker. Vrienden sterven en soms weet je niet eens dat ze niet meer onder ons zijn.'

Wat East Coker óók is: een spiegel van de Britse geschiedenis. Een belangrijke rol daarbij vervult Coker Court, het uit Tudor-tijden stemmende herenhuis dat op de heuvel naast de kerk staat. Eeuwenlang woonde hier de Helyar-familie. Tijdens de burgeroorlog kozen ze de kant van de koning - kolonel William Helyar regelde een paard voor de later onthoofde koning Karel I - en onder hun auspiciën zou East Coker uitgroeien tot een bedrijvig dorp. Vanwege de aanwezige vlas- en hennepteelt zouden hier de zeilen en touwen van de Britse vloot worden gemaakt, onder meer voor de schepen waarmee Horatio Nelson de Slag bij Trafalgar won.

Ganzen van de ganzenfarm. Beeld Sanne De Wilde

William Dampier

Tevens ontfermden de Helyars zich over de bekendste zoon van het dorp: hydrograaf, natuurkenner en zeevaarder William Dampier, die in de 17de eeuw, lang voor Thomas Cook, de tweede westerse voet op Australische bodem zette. Hij stond model voor Gulliver en heeft de Engelse taal verrijkt met woorden als 'barbecue', 'chopstick' en 'avocado'. Zijn geboortehuis staat er nog: een grote gele boerderij die thans bewoond wordt door een handelaar in kristallen.

Het wapenschild van de Helyars - een haan met een kruis - siert nog altijd het plaatsnaambordje waar de bestelbusjes en wielrenners langs racen, maar de landeigenaren zijn er niet meer. Door de hoge erfbelasting zagen ze zich begin jaren vijftig genoodzaakt afstand te doen van hun landhuis en boerderijen. De 88-jarige veeboer Bob Mead kocht de boerderij Towns End Farm. Lopend tussen zijn koeien blikt hij terug op een rijk leven. 'Nooit heb ik genoeg gekregen van het landschap, hoe zwaar het werk ook was. Gaandeweg hebben de machines het overgenomen. We hadden een ploeg. Nu doet hij al het werk,' zegt hij, wijzend op zijn achterneefje.

De Helyars Arms, de 16de-eeuwse kroeg schuin tegenover de boerderij, merkt de gevolgen van de nieuwe manier van boeren. Rond lunchtijd zit Jerry Hodgson aan de bar met een pint. 'Vroeger zat het vol met pauzerende boerenjongens, allemaal aan de cider. Nu zijn er minder veehouders en degenen die er zijn mogen niet meer drinken tijdens hun werk. Je weet wel: gezondheid en veiligheid.'

Een meisje in de tuin van de kroeg. Beeld Sanne De Wilde

Secularisering van het land

Hodgson, een vijftiger, heeft de verandering van East Coker goed kunnen zien. Als twintiger vertrok hij naar Londen om te werken als theatertechnicus. Vier jaar geleden keerde hij terug en ging wonen in het relatief moderne huis van de baas van een ter ziele gegane plaatselijke brouwerij.

'Er was hier een schoenmaker, een garagehouder, een smid, drie dorpswinkels, een postkantoor, noem maar op. Nu zijn ze allemaal weg', zegt Hodgson. De pub, met dank aan de plaatselijke historicus behangen met oude dorpsfoto's, is alleen nog rond het middaguur en 's avonds open. 'We staan weer te koop', zegt de bardame, 'ik werk hier 22 jaar en heb al zes eigenaren voorbij zien komen.' Helyars Arms is geen uitzondering. Jaarlijks veranderen honderden kroegen in huizen. Het rookverbod, goedkope supermarktdrank en een cultuurverandering spelen mee.

Iets dergelijks geldt ook voor de kerk, beweert pastoor Charles Hatton, met zijn cocker spaniel George gezeten in de pastoorswoning. 'We ondervinden de secularisering van het land. Bij dopen en begrafenissen loopt de kerk wel vol. En bij de dienst voor Valerie Eliot, een hoogtepunt van mijn tijd hier, was het ook druk. Maar de congregatie veroudert en wordt kleiner. We overwegen op te houden met de avondmis. Het is te veel om iemand uit Yeovil te laten overkomen om de kerk te verwarmen als er maar zes mensen komen opdagen. We houden maandelijks kerklunches in de kroeg, om mensen bij de kerk te betrekken. De kroeg kan ook steun gebruiken.'

Pastoor Charles Hatton met zijn cocker spaniel George. Beeld Sanne De Wilde

Stil, mooi en veilig

Bij de Evensong is het inderdaad rustig. Een man, John Carter, en twee vrouwen zitten in de bankjes, met The Book of Common Prayer en twee psalmenboeken binnen handbereik. Er zijn drie misdienaren en een organist. Aan het enthousiasme van de voorgangers kan het niet liggen. Geoff Doye houdt een erudiete toespraak waarin hij milde kritiek levert op het 'Ik denk dus ik ben' van Rene Descartes. 'Ik heb lief, dus ik ben' acht hij belangrijker. Hij vraagt de aanwezigen onder meer stil te staan bij de boeren 'die ons voeden vanaf ons prachtige land'.

Van dat prachtige land geniet ook de andere voorganger Michael, de buurman van John Carter. Hij gaat voor naar het dak van de kerk, dat uitzicht biedt over de valleien. 'We moeten ons gelukkig prijzen, hier in East Coker', zegt hij ten overvloede. 'Het is hier stil, mooi en veilig.' Om dat laatste te benadrukken loopt hij even later naar het graf van de politieman Nathaniel Cox, die 140 jaar geleden is neergeschoten. 'Daarna hebben we amper misdaden gehad, al is er ooit een inbraak geweest in de kerk.' Onder het wapenschild van William and Mary ('Feare thou the Lord, and King') bij de ingang hangt nu een alarm.

Aan de voet van de kerk ligt nog een aandenken aan de vervlogen tijden: de begijnenhuizen die in de 17de eeuw door de Helyars zijn gebouwd voor de onbemiddelde bejaarden uit het dorp, of, zoals een bordje zegt, 'voor elf vrouwen en een gelukkige man'. Maar omdat deze doelgroep is gekrompen, zijn nu ook buitenstaanders welkom.

Rijke stedelingen

Het tuinonderhoud van de begijnenhuisjes is een van de taken van Garry Pollard, die lijkt te zijn weggelopen uit een roman van D. H. Lawrence. Hij brengt zijn meeste tijd door bij Coker Court, waar het enige teken van leven bestaat uit een spinnende kat op een dekstoel. Het landhuis, dat door de jaren heen is uitgebreid met georgiaanse, victoriaanse en edwardiaanse vleugels, wordt nu vooral nog in het weekeinde bewoond, door rijke buitenstaanders, onder wie een Londense advocaat en een Hongaarse zakenman. Pollard probeert er de dassen van het terrein te houden door kuilen te graven aan de rand van het landgoed. En hij draagt een tennisracket bij zich waarmee hij tussen het tuinieren door werkt aan zijn opslag ('Ik moet testen of het gras wel kort genoeg is'). Ook kijkt hij vaak in zijn vergeelde exemplaar van Jean Palaiseuls Grandmother's Secrets. Her Green Guide to Health from Plants. Tussen de belangrijkste pagina's heeft hij gescheurde lottobriefjes gestoken. 'Kijk, dat is valeriaan, goed tegen slapeloosheid. En die kamperfoelie, daarmee bestrijd je ontstekingen. En buxus werkt tegen de griep.'

Het liefst zou hij in East Coker willen wonen, zegt Pollard, in zo'n monumentaal kabouterhuis. Maar dat is te duur. Nu fietst hij op en neer tussen East Coker en het naburige stadje Yeovil, waar hij in het weekeinde steward is bij de plaatselijke voetbalclub.

Rijke stedelingen doen waarvan Pollard droomt. Maar dan alleen in het weekeinde, tot ergernis van de plaatselijke bevolking. Al zijn er ook die echt een bijdrage proberen te leveren aan het leven in het dorp.

Zoals een stel uit Yorkshire dat er alles aan heeft gedaan om het postkantoor annex dorpswinkel open te houden, zonder succes. Alleen op houten wegwijzers staat nog 'Post office'.

Garry Pollard onderhoudt de tuinen van de begijnenhuisjes. Hij brengt zijn meeste tijd door bij het landhuis Coker Court. Beeld Sanne De Wilde
Beeld Sanne De Wilde

Nederigheid

East Coker is dus uiteindelijk niet ontkomen aan de massale sluiting van postkantoren onder de regeerperiode van Labour, dat het platteland indachtig Marx beschouwde als 'idioterie'. Het was een plek waar iedereen wel eens per week kwam - voor postzegels, pakketjes of pensioenen - zodat de dorpswinkel ook kon bestaan. Toen een paar jaar geleden de Tories weer aan de macht kwamen, gloorde er hoop. Zeker toen de nieuwe afgevaardigde tijdens zijn eerste Lagerhuistoespraak Eliot citeerde: 'De enige wijsheid die we kunnen hopen te verwerven is nederigheid: nederigheid is eindeloos.'

Voorlopig moet je nog de auto naar Yeovil nemen als je levensmiddelen wilt kopen. Of lopen naar de rand van het dorp. Daar opende Phil Dunning twaalf jaar geleden een ganzenboerderij met biologische winkel. 'We zaten midden in het dorp, maar uitbreiden was onmogelijk,' zegt de 66-jarige boer, die afstamt van een plaatselijke boerenfamilie. 'Sommige nieuwkomers houden niet van de meststank, van de kerkklokken, van kraaiende hanen. Ze willen rust; ze willen wonen in een ansichtkaart. Voor ons zat er niets anders op dan te vertrekken.'

De plek waar de dorpelingen nu bijeenkomen, is het Courtyard Cafe. Dat is tevens de uitvalsbasis van de dorpelingen die met protesten en processen strijden tegen de uitbreidingsplannen van grote buur Yeovil. Op de vruchtbare akkers tussen East Coker en Yeovil - motto: 'The heart of the country, the mind of a city' - waren 3.700 betonnen dozen gepland. De in reactie daarop opgerichte East Coker Preservation Trust werd gefinancierd door de opbrengst van braderieën, muziekfestivals en veilingen, waarbij een landschapsschilderij van John Carter 500 pond opbracht.

Een groene hemelpoort leidt vanuit het westen naar East Coker. Beeld Sanne De Wilde

Dichtersroute

In het café legt medeoprichter Martyn Sowerbutts twee luchtfoto's neer. Op de ene is een grote olievlek te zien. 'Dat was het oude plan, maar dankzij ons protest is de olievlek met driekwart afgenomen.' Tevreden toont hij de tweede foto. Zijn collega Sandra Snelling - 'de dame om wie alles in East Coker draait' aldus elke dorpeling - legt uit dat de projectontwikkelaar, die door Eliot zou zijn omschreven als een 'industrial lord', de laatste twintig jaar het land beetje bij beetje heeft opgekocht en nu zijn slag wil slaan, gesteund door politici. 'Alles draait om geld. Er zijn genoeg plekken om te bouwen in Yeovil, maar het is lucratiever om op maagdelijk land te bouwen. Maar wij gaan door tot het einde.'

Naast haar knikt Bridget Sugg instemmend. De voorzitter van de parochieraad, die opkomt voor de belangen van de 1.400 inwoners en tegen de plannen is: 'Het erge is dat de boeren worden uitgekocht. Ze krijgen een bod dat ze niet kunnen weigeren. Hun schuld is het niet.'

De plannen hebben ook gevolgen voor de wandelclub van East Coker, die vijf routes heeft, waaronder de Dichtersroute. Namens de East Coker Society vouwt Sarah Owen de wandelkaart open. 'Kijk, de huizen komen precies te staan op de Koningsroute. Over mijn lijk. Ik ga daar liggen als de graafmachines komen.'

Bij de 'Crops, not concrete'-campagne was, een halve eeuw na diens dood, ook een rol weggelegd voor T.S. Eliot. Vanuit Amerika meldde de T.S. Eliot Society dat de band met Eliot en de ongeschonden schoonheid van dit plattelandsdorpje ervoor zorgen dat East Coker een geliefde bestemming is voor Eliot-liefhebbers. 'Net als Eliot waarderen we het dorp op innige wijze als een herkenningspunt en een toevluchtsoord.' In zijn gedicht had de dichter al gezinspeeld op de kwetsbaarheid.

Houses rise and fall, crumble, are extended / Are removed, destroyed, restored, or in their place / Is an open field, or a factory, or a by-pass.'

Idyllisch oord

Er is nog een andere manier waarop Eliot postuum bijdraagt aan het leven in het dorp, dat zomaar het decor had kunnen zijn van The diary of an Edwardian lady. Hij heeft East Coker op de literaire kaart gezet, met toerisme als gevolg. Vier jaar geleden hebben nieuwkomers uit Londen een bed & breakfast geopend. Gastvrouw Vicky zegt het platteland te verkiezen boven de hoofdstad, die zich op drie uur autorijden bevindt. 'Is dit geen heerlijke plek om kinderen op te voeden?' Van Chapel Cottage hebben ze een idyllisch oord gemaakt compleet met een uilenhuis, indachtig Eliots dichtregel: 'Wait for the early owl'.

Onder de Eliot-pelgrims bevinden zich veel Amerikanen, maar ook in zijn uiteindelijke vaderland is de dichter populair, ondanks de moeilijkheidsgraad van zijn poëzie. De BBC riep na een peiling T.S. Eliot uit tot dichter van de eeuw, boven de toegankelijke John Betjeman, de zwartgallige Philip Larkin en de kleurrijke Dylan Thomas.

De kerk in East Coker krijgt heden ten dage meer Eliot-adepten over de vloer dan gelovigen. In 1965 kwamen er volgens het gastenboek tachtig mensen voor Eliot naar het plattelandskerkje, een aantal dat door de jaren meer dan vertienvoudigd is. Een recente bezoeker was Deborah Barnes uit Crystal, Minnesota, die een simpele maar sprekende mededeling achterliet. 'Ik ben de achterkleindochter van Greame Eliot, en een achternicht van T.S. Eliot.'

Zoals de dichter zelf al zei in de slotregel van zijn gedicht East Coker: 'In my end is my beginning.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden