ONZE GIDS DEZE WEEK William Sawaya

Hij ontwierp de Fifa-wereldbeker: ‘De bokaal mag niet afleiden van degene die hem vasthoudt’

Ontwerper William Sawaya tekende voor de trofee van het WK vrouwenvoetbal 2019. En als huisontwerper van de Fifa is dat niet zijn enige ontwerp. Onze gids deze week deelt zijn favorieten.

Ontwerper William Sawaya met het prototype van de trofee van het WK vrouwenvoetbal. Beeld Daniel Cohen

‘De contouren moeten vrouwelijk zijn, maar niet sexy, dat kan beledigend zijn in sommige culturen. De uitstraling moet feestelijk zijn maar ook statig. Niet protserig maar wel... eh, rijk.’

Kortom, het valt nog niet mee om de wedstrijdbeker voor het WK vrouwenvoetbal te ontwerpen, ­aldus de Libanees-Italiaanse ontwerper William ­Sawaya (1948). En dat heeft hij inmiddels ervaren: ook de bokalen voor het WK onder 20 voor mannen én vrouwen, het WK zaalvoetbal en de Confederations Cup zijn van zijn hand. Hij is zeg maar de huisontwerper van de wereldvoetbalbond Fifa. Al is uitgerekend dé wereldcup – die wereldbol die door engelen op handen wordt gedragen – juist niet van zijn hand. ‘Die is helaas van mijn voorganger.’

Het is inderdaad een vrouwelijke trofee die 7 juli zal worden uitgereikt in het Parc Olympique Lyonnais in Lyon. Op een welvende krul, die zich als een kelk openvouwt, balanceert een bal. Geen opzichtig goud of fonkelende diamanten maar ‘gewoon’ zilver. Sierlijk, groots en toch eenvoudig. ‘De bokaal mag niet te veel afleiden van de persoon die hem vasthoudt.’ Het is Sawaya’s meest begeerde en tegelijkertijd zeldzaamste ontwerp. ‘Wist je dat de winnaars een replica krijgen? Het origineel ligt in een Zwitserse kluis.’

CV William Sawaya

1948 Geboren in Beiroet

1973 Afgestudeerd in architectuur aan de Libanese Academie voor Schone Kunsten, Beiroet

1975 Verhuizing naar Milaan

1978 Oprichting design- en ­architectuurstudio Sawaya & Moroni met zakenpartner Paolo Moroni

1984 Designlabel ­Sawaya & Moroni

1985 Showroom aan Via Manzoni in Milaan

1999 Ontwerp ­bokaal WK voetbal voor vrouwen

2000 Presentatie van zitbank ­Moraine, het ­debuut van ­architect Zaha Hadid als meubel­ontwerper

2001 Stoel Calla aangekocht door Metropolitan ­Museum of Art in New York

2013 Bekendste ontwerp: fauteuil Olga

2019 Lancering kastcollectie ­Alessandro

William Sawaya woont in Milaan. Hij is nooit ­getrouwd en heeft geen kinderen.

De bokaal is zeker niet zijn enige ontwerp. Tientallen meubels ontwierp hij in de afgelopen veertig jaar, waarvan sommige zijn opgenomen in de collecties van vooraanstaande musea. Zijn stijl is helder maar wulps, ronduit sexy soms. Zijn meubels – stoelen hoofdzakelijk – zijn abstracte sculpturen met soms slechts een hint van functionaliteit. Kijk naar de celebrale fauteuil Darwish (1999) of de sierlijke Gravity (2002) en je begrijpt waarom de Fifa hem vroeg. Niet gek voor een man die feitelijk niet van voetbal houdt. ‘Of ik weet wat buitenspel is? Ik heb genoeg wedstrijden moeten zien om in elk geval iets van de regels te begrijpen, hoor.’

Sawaya oogt als de archetypische ontwerper uit een Hollywoodfilm. Gesoigneerde snor, vrolijk brilmontuur en een flamboyant overhemd met tamelijk opvallende print. Duidelijk creatief maar te zorgvuldig gestyled voor een kunstenaar. De blik is onderzoekend en zijn zinsopbouw doordacht maar doorspekt met relativerende humor. Geboren in invloedrijke kringen van Libanese christenen raakte hij midden jaren zeventig door geopolitieke krachten in diaspora. ‘Na mijn afstuderen kon ik voor heel veel geld in Saudi-Arabië gaan werken als architect voor de koninklijke familie. Ik wilde voor een half jaar gaan, maar in 1975 brak de burgeroorlog in Libanon uit en kon ik niet terug. Omdat ik zo goed verdiende, reisde ik maar elke maand naar Europa.’

Daar neemt zijn leven een ­onverwachte wending als hij ­Paolo Moroni ontmoet. In ­Milaan beginnen ze samen de ontwerp­studio ­Sawaya & ­Moroni en bouwen ze villa’s, hotels en superjachten voor rijken. ‘Ik heb het geluk dat de mensen die van mijn werk houden het ook kunnen betalen’, glimlacht Sawaya met gevoel voor understatement. Het gouden duo begint vervolgens een design­label met behalve ­eigen ontwerpen meubels van hoofdzakelijk architecten. Dankzij ­Sawaya’s feilloze gevoel voor de tijdgeest wordt het label een platform voor het dan opkomende postmodernisme. 

William Sawaya in zijn studio in Milaan. Beeld Daniel Cohen

Trots leidt Sawaya ons rond door de showroom van drie verdiepingen aan de Via Manzoni, de chique winkelstraat waar filmsterren, voetbalvrouwen, rappers zich met glimmende bolides en geblindeerde limo’s laten afzetten. ‘Dit is een Ron Arad uit de tijd dat hij zijn meubels nog zelf maakte’, zegt hij bij een stoel met golvende lijnen die elke natuurwet lijken te tarten. Even verderop bij een aerodynamische bank van Zaha Hadid (1950-2016), zonder twijfel de grootste vrouwelijke architect ooit: ‘Dit is haar allereerste meubelontwerp.’

Zo gaat het door tot in de kelder. ‘Hier een Libeskind-kandelaar’, verwijst hij achteloos naar Daniel Libeskind, de grondlegger van het deconstructivisme. ‘Daar een dienblad van Michael Graves’ – de Amerikaanse apostel van het postmodernisme. Met daartussen allerhande tafelstukken van eigentijdse architectenbureaus als Jean Nouvel, het Noorse Snøhetta en rijzende ster van de Afrikaa­nse architectuur David Adjaye. Met Nederlandse architecten heeft hij gek genoeg nog niet gewerkt. ‘Wij vragen nooit, wij wórden gevraagd. Pas als wij ook een klik voelen, volgt een uitnodiging voor lunch of diner. En pas daarna wordt er over zaken gepraat. Of niet.’ Het klinkt nogal achteloos voor de samensteller van deze eregalerij van de mondiale architectuurelite. Maar vergis je niet: de peperdure sierobjecten zijn maar voor een select gezelschap weggelegd. ‘Maar iedereen is welkom in onze winkel.’

Shoppen: vlooienmarkten

‘Mijn favoriete tijdverdrijf is verdwalen op een vlooienmarkt en de tijd vergeten. De sfeer op een vlooienmarkt is geweldig, vooral ’s ochtends vroeg. Dan is iedereen opgewonden van het idee dat de ontdekking van de eeuw eraan zit te komen. De Marché aux Puces bij Porte de Clignancourt in Parijs is de grootste ter wereld, daar vind je alles. Maar in Bangkok zag ik eens een opgezet olifantje op een markt. Hier in ­Milaan is er elke laatste zondag van de maand een geweldige markt aan de kanalen van de wijk Navigli. Je maakt er in een paar uur een reis over de wereld en door de eeuwen. Tegelijkertijd geeft een vlooienmarkt een goed beeld van de cultuur waar je je in bevindt. Welke spullen vond men belangrijk? Hoe werden deze spullen gemaakt? Waarom zijn ze nu op een vlooienmarkt beland? Het is het geheugen van een stad. Elk stuk vertelt een verhaal. Van wie is het geweest? Waarom heeft die persoon het weggedaan? Tegelijkertijd is totaal onbelangrijk wie de ontwerper of de maker is. Ik zou het geweldig vinden als mijn werk ooit op een vlooienmarkt belandt. Dat zou betekenen dat het voortleeft als ik al ben vergeten.’

Mercatone del Naviglio Grande, vlooienmarkt op Naviglio Maggiore, Milaan. Beeld Imageselect

Automerk: Mercedes

‘Een Mercedes start altijd. Mijn huidige Mercedes C-320 is zelfs nog nooit naar de garage geweest. Daarom zal ik nooit een Alfa Romeo rijden. Een auto met prachtige lijnen en mooi ronkend motorgeluid, maar wat heb je daaraan als je stilstaat. Hoe mooi ook, een auto moet in de eerste plaats fijn rijden. Punt. Ook reis ik graag met de trein. Het trage tempo past eigenlijk niet meer bij deze tijd maar dat maakt het zo prettig. Je wordt gedwongen om te onthaasten.’

Mercedes C-320.

Gebouw: Bosco Verticale, Milaan

‘Er bestaan veel vooroordelen over Milaan. Deels waar, deels onzin. Ja, het was conservatief, maar sinds de World Expo in 2015 is het een kosmopolitische stad. Het is een stad van industrie en mode, van het snelle geld. Maar het heeft ook een rijke designhistorie, voor wie er oog voor heeft. Daarvoor moet je beginnen in het Musea Nazionale della Scienza e della Tecnologia met de machines van Leonardo da Vinci. Daarna de studio van Achille Castiglioni, die nog steeds in originele staat is. Om je heen zie je de gebouwen van Aldo Rossi en het straatmeubilair van Enzo Mari. Het nieuwste icoon is Bosco Verticale, twee woon­torens van mijn vriend en architect Stefano Boeri. Op de lange uitstekende balkons zijn bomen geplaatst, waardoor de flats er inderdaad uitzien als een verticaal bos midden in de stad. De torens veranderen met de seizoenen, doordat telkens andere bomen in bloei staan of van kleur veranderen. De bomen zorgen voor frisse lucht en koelte in de zomer. Bovendien dempen ze het geluid van de stad.’

Woontorens Bosco Verticale, Milaan. Beeld Getty

Stad: Parijs

‘Parijs is mijn tweede thuis. Wij spraken Frans thuis. Arabisch spraken wij alleen buitenshuis en dan alleen als het echt nodig was. Ik houd van de Franse arrogantie. Dat gevoel dat er slechts twee dingen zijn: Frankrijk en de rest van de wereld. Je moet ze nooit het gevoel geven dat je onder de indruk van ze bent, want dan walsen ze over je heen. Meteen je tanden laten zien, dan word je serieus genomen. Ik heb niet echt één plek die er uitspringt in Parijs. Gewoon een beetje lopen langs winkels en galeries. En het eten natuurlijk. Mijn favoriete lunchplek is het Baskische restaurant Pottoka, 4 Rue de l’Exposition, met verse vis. Reserveren is noodzakelijk, anders moet je heel lang wachten – en wat is nou heerlijker dan een rij met Fransen voorbijlopen.

Mijn favoriete museum is Musée du quai Branly met misschien wel ’s wereld beste Afrikaanse kunst. Ik houd van de levenslust en de fantasievolle vormen ervan. Ik ontdek daar ook altijd iets nieuws. Het gebouw zelf met de groene gevel van planten van Jean Nouvel is trouwens ook adembenemend.’

Restaurant Pottoka in Parijs.

StoelLC2 van Le Corbusier

‘Wat een ding. Die stoel is bijna een eeuw oud en nog zó modern. Het was de eerste comfortabele stoel van leer en metaal met een radicale vorm, een massief blok. De LC2 is voor mij het ijkpunt voor de juiste afmetingen en verhoudingen van een stoel. Hij is mede-ontworpen door Charlotte Perriand en Pierre Jeaneret, die op het architectenbureau van Le Corbusier werkten. Er bestonden toen nog helemaal geen ontwerpers zoals we die nu kennen. Bij Sawaya & Moroni werken wij voornamelijk met architecten. Een productontwerper wil altijd de producent, de consument én de criticus tevreden stellen, en dan het liefst met een meubel waarvan er zo veel mogelijk gemaakt worden. Een architect is gewend om een uniek object te maken dat een weerspiegeling is van zijn architectonische visie en zelfs van een compleet wereldbeeld. Dat compromisloze en complexe, daar houd ik van.’

Beeld Daniel Cohen

Modemerk: Diesel

‘Ik houd van mode maar ben geen victim. Ik houd van sportieve kleding. Je zult mij nooit in een donkergrijs pak met een blauwe stropdas zien. Ik draag graag Diesel. Die kleren zijn vaak kleurrijk en hebben een goede snit. Maar ik zorg altijd dat de labels onzichtbaar zijn. Ik maak niet graag reclame voor anderen’, zegt hij, met aan zijn voeten een paar knalgroene sneakers met een opvallende rode zool en op de wreef een geborduurde tijger waarin kenners direct het logo van Kenzo herkennen. Met een lach: ‘Ze zijn misschien wat luid voor een man van mijn leeftijd. Maar ach, dat houdt mij jong. Ik voel mij er comfortabel in. Pas als de kleren jou gaan dragen, is het tijd voor een andere look.’

Model op de catwalk tijdens de Diesel Black Gold show. Beeld Getty

KunstenaarAyman Baalbaki

‘Een jonge schilder uit Beiroet. Hij is amper dertig jaar oud maar behoort al tot de wereldtop. Hij maakt rauwe schilderijen van Palestijnse krijgers met een kaffiya voor hun gezicht, zo’n karakteristieke geblokte sjaal. Ook schildert hij gebombardeerde ­gebouwen en vluchtelingen. Heel confronterend maar niet uitgesproken politiek. Hij toont heel droog de impact van de oorlog. Zijn stijl is ­indringend met grove penseelstreken maar de kleuren zijn vaak zacht. Ik heb stom genoeg nooit iets van hem gekocht en nu is zijn werk niet meer te betalen. Mijn zakenpartner Paolo heeft een werk van één bij anderhalve meter. Dat is het enige van hem waarop ik jaloers ben.’

Ayman Baalbaki naast zijn schilderij ‘Al Mawzoud’. Beeld Getty

RegisseurAlfred Hitchcock

‘Als jongen wilde ik filmregisseur worden. In Libanon in de jaren zeventig stond dat in laag aanzien. Op aandringen van mijn ­ouders ben ik voor arts gaan studeren. Toen ik tijdens mijn eerste practicum echt bloed zag, viel ik flauw, haha. Mijn vader was architect dus lag dat vervolgens voor de hand. Al tijdens mijn studie raakte ik meer geïnteresseerd in meubels. Ik wilde afstuderen met een stoel van plexiglas, maar dat mocht niet. Dus heb ik er een interieur omheen ontworpen. Maar de liefde voor cinema is nooit uitgedoofd. Dat wil zeggen, voor kleine arthouseproducties. Film moet geënt zijn op het echte leven. Vooral regisseurs die met beperkte middelen werken vind ik interessant. Zwart-wit bijvoorbeeld, of alles op één locatie draaien. De meester daarin is Hitchcock. Hij schept een alternatieve werkelijkheid door te variëren met camerastandpunten, licht en schaduw, afwisseling van close-up en uitzoomen, ritmes en herhalingen. Het is echt maar ook niet. Omdat hij tijdens zijn loopbaan van zwart-wit moest overstappen op kleur, moest hij zichzelf bovendien opnieuw uitvinden. Dat kunnen alleen de grote creatieve scheppers.’

Filmbeeld uit Rebecca (1940). Beeld Getty

ArchitectRem Koolhaas

‘Rem Koolhaas heeft een nieuwe taal aan architectuur toegevoegd. Hij kan met minimale middelen iets heel bijzonders creëren. Zijn meesterwerk is de Fondazione Prada in Milaan, een afgedankte fabriekshal die nieuw leven is ingeblazen. Het is een gebouw dat je wil aanraken door al die diverse materialen. Rijk en goedkoop, eenvoudig en decoratief en zelfs oud en nieuw. Koele architectuur die toch heel menselijk is. Er is iets mis met veel hedendaagse architectuur. Er wordt ­alleen nog maar op de computer ontworpen, waarna er wordt ­gebouwd met golvende witte muren of glanzend glas. Alles draait om de vorm, waardoor het vakmanschap en de liefde voor het materiaal verdwijnt.’

Fondazione Prada in Milaan, ontworpen door Rem Kolhaas. Beeld Hollandse Hoogte

LandLibanon

‘Libanon is een echt multicultureel land waar zeventien religies al eeuwenlang vreedzaam samen­leven, zolang er maar geen buitenlandse inmenging is. Op straat lopen rijke patsers met hun vrouwen met hoge hakken, minirokken en opgespoten lippen en borsten naast gesluierde vrouwen. Kerken staan naast moskeeën. Iedereen houdt rekening met elkaar, omdat het niet anders kan. Na decennia van oorlog en verwoesting weet iedereen wat de consequenties zijn. Mijn broer woont er nog steeds en ik bezoek hem elke twee maanden. Tot 1975 was Beiroet de bloem van de Mediterranée, een stad die floreerde en bruiste. Nu beleeft de stad gelukkig een renaissance. Veel Libanezen hebben de afgelopen decennia goed verdiend in het buitenland en keren terug, al zullen ze altijd een huis ergens in Europa of de VS aanhouden. Ikzelf heb er ook een appartement. Nog steeds wordt elke dag geleefd alsof het de laatste kan zijn. Als een Libanees één dollar heeft, geeft hij er toch twee uit. Het nachtleven is onovertroffen. Heel interessant momenteel is de Libanese keuken, die wordt vernieuwd met westerse elementen meer de smaak blijft traditioneel.’

Beeld Getty
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden