Interview Hans Dorrestijn

Hans Dorrestijn doet het niet rustiger aan op zijn oude dag

Ouder worden: als het iemand deugd doet, is het Hans Dorrestijn wel. Hij heeft een boek af, Het rimpelperspectief, en gaat daarna welgemoed aan een nieuwe show werken die op zijn 80ste verjaardag af moet zijn. ‘Waarom zou mijn laatste show niet mijn beste kunnen worden?’

Foto Aisha Zeijpveld

De goedheid van een paar leraren vroeger – daar kan Hans Dorrestijn (78) om huilen. Hij doet het ook, aan tafel gezeten in zijn achter grote bomen en struiken schuilgaande huis in Bennekom. Buiten knalt de zon uit de hemel, binnen is het duister – de lamp boven tafel heeft hij aangedaan. De tranen biggelen Dorrestijn over de wangen, hij zet zijn bril af om ze weg te wrijven met een katoenen zakdoek. ‘Er was er een, Brandenburg, die stak met kop en schouders boven alle andere leraren uit. Hij gaf op zaterdag les in klassieke muziek. Extra, voor degenen die dat wilden. Hij nam ons serieus, hij behandelde ons echt als medemens. De onbegrijpelijke vriendelijkheid van zulke docenten, ja, zie je, dat ontroert me nu nog steeds.’

Van huis uit was u zoveel vriendelijkheid niet gewend. 

‘Ik weet nog dat ik bij een vriendje speelde, we zaten op zijn kamer. Opeens stond zijn vader in de deuropening, ik schrok me wezenloos. Ik dacht: o jee, nu krijgen we op ons donder. Ook al deden we niks kwaads, hoor. Zegt die vader: zijn jullie lekker aan het spelen? Ik dacht dat hij ons belazerde, dat de uitbarsting nog zou komen. Dat een vader zomaar zo aardig was, kon ik niet geloven.’

Hoe was dat bij u thuis? 

‘Ik had een boze stiefvader en een zwakke moeder, maar ik zeg er meteen bij dat ik aan die jeugd ontzettend veel te danken heb gehad. Er gebeurde van alles: mijn stiefvader sloeg ons, hij schreeuwde, smeet met deuren, mijn broertje en ik waren doods- en doodsbang voor die man. Maar ik weet nog wel dat ik in die halve hel die Irisstraat nummer 104 in Hilversum vormde, al dacht bij mezelf: straks ga ik naar mijn vriendjes Tjeerd en Rob om alles te vertellen. En dan wist ik dat ze zich kapot zouden lachen om mijn verslag.’

Dorrestijn heeft van zijn ellende altijd al een verhaal gemaakt om anderen te laten lachen. Hij is cabaretier en schrijver sinds hij op zijn 35ste ontslag als leraar nam. Hij maakte met onder anderen Willem Wilmink deel uit van het Schrijverscollectief, dat teksten en liedjes schreef voor tv-programma’s als De Stratemakeropzeeshow en Sesamstraat. Hij staat nog steeds met shows in het theater en presenteert Baardmannetjes, een humoristisch natuurprogramma. Nieuwste project: het boek Het rimpelperspectief, dat in september verschijnt. Ondertitel: Hoe overleef ik de oude dag?

Hoe overleeft u de oude dag?

‘Ik mag zeker niet mopperen. Kijk, ik kan geen sprintje meer trekken en ik moet ’s nachts steeds mijn bed uit om te plassen, maar het grote voordeel voor mij is natuurlijk dat mijn echte succes, mijn populariteit pas een paar jaar geleden begonnen is. Ik word nu erg gewaardeerd, vooral sinds Baardmannetjes. Steeds komen mensen op me af vliegen om te vertellen hoe geweldig leuk ik ben. Ik moet oppassen dat ik het zelf niet ga geloven. In winkels is iedereen even aardig, ze dringen niet meer voor. Daar heb ik enorm onder geleden.’

Onder voordringen?

‘Ze zagen me niet. Mijn stem is zwak en ik had ook aanwezigheidszwakte, zoals iemand het een keer uitdrukte. Ik moest op de toonbank klimmen om aan de beurt te komen. Nou, dat geeft je niet het gevoel dat je iemand bent.’

Want u bent gevormd door die jeugd.

‘Natuurlijk, ik ben er een enorme zenuwlijder door geworden. Bang voor alles, bang om te reizen, bang voor meisjes. Ik was wel voortdurend verliefd, maar mijn liefdesleven kwam heel moeilijk op gang omdat ik zo geweldig zenuwachtig en angstig was. Ik was 26 toen ik voor het eerst met een meisje naar bed ging, en toen was ik er eigenlijk nóg niet aan toe. Ik kwam er heel laat achter dat je echt een vrouw ín moet, snap je, mijn bek viel ervan open.’

Foto Aisha Zeijpveld

Uw stiefvader was niet rustig op de rand van uw bed komen zitten om eens over meisjes te praten. 

‘Ondenkbaar. We werden niet opgevoed, of eigenlijk: we werden zo opgevoed dat we ons eigen lichaam niet accepteerden. Ik schaamde me vreselijk voor mijn stoelgang bijvoorbeeld. Ik durfde het woord ‘zitten’ niet uit te spreken bij een meisje, omdat dat verwees naar het achterwerk. Ik schaamde me ook verschrikkelijk voor mijn uiterlijk, ik voelde me zo lelijk dat ik meende dat iedereen terugdeinsde die naar me keek. Op de wereldtentoonstelling in Brussel moest ik eens iets vragen aan een meisje achter de balie, dat was een enorm stuk. Ik heb me jarenlang verbaasd over hoe aardig ze me te woord stond, dát ze me te woord stond. Het is zestig jaar geleden en ik weet het nog. Tegelijkertijd had ik mezelf hoog zitten hoor, dat is vaak de andere kant van dezelfde medaille. Ik ben mijn leven lang heen en weer geslingerd tussen hoogmoed en wanhoop. Een minderwaardigheidscomplex, ja, maar dat vind ik een beetje nare term. Want daardoor ontstaat er weer zo’n treurig beeld, terwijl, in wezen ben ik een opgewekte jongen. Toen ik het huis uitging, kon ik de deur achter me dichtdoen en van mijn stiefvader heb ik eigenlijk nooit meer last gehad. Mijn moeder, daar heb ik pijn van gehad, maar van mijn stiefvader niet echt.’

Waarom hebt u wel pijn gehad van uw moeder?

‘Omdat zij me in de steek heeft gelaten. Zij liet het maar voortduren, die situatie bij ons thuis.’

Waarom greep ze niet in?

‘Daar was ze te zwak voor. Ze is wel eens weggelopen met ons nadat het weer helemaal fout was gegaan. Liepen we naar het station, dan reed mijn stiefvader ons achterop met de fiets, hij beloofde een nieuwe jurk en dan gingen we weer terug. Het was allemaal geen pretje, maar het ergste wat ik heb meegemaakt, gebeurde pas een paar jaar geleden, ik was al in de zeventig en mijn stiefvader was al heel lang dood. Toen heb ik haar gevraagd: waarom ben je nooit bij hem weggegaan? Ze zei: ik hield echt van hem – dat vond ik zo waanzinnig slecht om te horen, dat vond ik zo’n belediging. Als ze bij hem gebleven was uit zwakte had ik het nog kunnen begrijpen. Maar liefde, voor iemand die ons zoveel had aangedaan. Dat vond ik vreselijk om te horen, ja, toen ben ik beroerd naar huis gefietst.’

Uw moeder is dus heel oud geworden. Hoe lang is ze nu dood?

‘Een paar jaar. Ik weet het niet eens. Ik heb ook nog tot het einde geprobeerd een goede zoon te blijven, daar heb ik spijt van. Ik ging bij haar op bezoek en zo, dat had ik niet moeten doen. Ik had thuis moeten blijven en lekker naar Bach moeten luisteren. Ze is de eerste twintig, dertig jaar niet naar mijn voorstellingen komen kijken, want dat du-hurfde ze niet – aan de manier waarop ik dat lijzige stemmetje nadoe, hoor je al wat een geweldige afkeer ik daarvan had.

‘Ik kom weleens jonge mensen tegen die me vertellen wat hun is aangedaan door hun ouders. Dan zeg ik: luister, je kan breken met ze, je mag weggaan, het is genoeg geweest. Maar zelf durfde ik het niet aan.’

Met zijn kinderen heeft Hans Dorrestjjn wel – tijdelijk – gebroken; in zijn documentairereeks Over vaders & zonen (2008) wijdde Hugo Borst er een aflevering aan. De breuk was jaren eerder, eind jaren negentig. Toen stuurden de pubers Jesse (nu 36) en Kirsten (34) Dorrestijn – hun ouders waren al jaren gescheiden – een brief naar de VPRO-gids: onze vader heeft ons zijn huis uit gestuurd, hij wil ons nooit meer zien. Op tv blikten vader en zoon, inmiddels al lang weer verzoend, terug op die tijd. Hugo Borst neemt ze mee de garage in en laat Hans Dorrestijn onder de balken aan het plafond voorlezen uit een verhaal dat hij schreef over dat jaar zonder zijn kinderen. ‘We stonden jammerend van opluchting met zijn drieën in de garage tegen elkaar aan gedrukt’, leest Dorrestijn voor over de verzoening. ‘Onder dezelfde balk waar ik een half jaar eerder...’ Dan vlucht hij huilend de garage uit. Zoon Jesse gaat hem achterna.

Vraag je Dorrestijn nu waarvan hij spijt heeft in zijn leven, dan noemt hij de breuk met zijn kinderen niet. Hij zegt: ‘Spijt... Nou, soms heb ik spijt dat ik mijn studie Nederlands niet heb afgemaakt, ik heb maar MO-B. Maar dit is een flauw voorbeeld, hoor – waar ik echt spijt van heb, durf ik jou niet te vertellen.’ Later in het gesprek: ‘Mijn kinderen hebben allebei een moeilijke tijd gekend, ze hebben een flinke knauw van de scheiding gekregen en van alles wat er daarna is gebeurd. Dat vind ik verschrikkelijk. Schuld – ik kan er bijna niet mee omgaan, zo moeilijk vind ik dat.’

Na de dood van Joost Zwagerman in 2015 schreef u een gedicht over uw eigen suïcidepogingen van vele jaren eerder. 

 ‘Ja, omdat hij gedaan had wat ik niet durfde – ik had er ergens ook nog bewondering voor. Dus weer een negatieve conclusie over mezelf, hè, dat ik daar niet krachtig genoeg voor was. Terwijl het eigenlijk mijn grote geluk is dat ik er niet zo van overtuigd ben dat het een goede zaak is als de mensen die het wel doen. Ik stond op het op station Ede-Wageningen al op de doorgaande trein te wachten, maar ik heb toch de psychiater gebeld. Hij zei: kun je hier nog op eigen kracht komen? Toen heb ik de stoptrein genomen naar de psychiatrische inrichting in Bosch en Duin.’

Foto Aisha Zeijpveld

Dat was de eerste keer. Waarom maakte u toen zo’n slechte periode door?

 ‘Dat was in 1986, toen mijn huwelijk mislukte. De kinderen waren 2 en 4. Dat was echt een zware tijd voor mij, want ik wilde helemaal niet weg. Ik was gestopt met drinken, omdat mijn vrouw had gezegd: Hans, de drank wordt een probleem. En ik wist meteen: godverdomme, ze heeft gelijk. Ik zat avonden in Amsterdam te vergaderen met het Schrijverscollectief en als ik dan gedronken had, miste ik de trein. Stond zij op het station van Culemborg te wachten, ik kwam gewoon niet opdagen. Dat kun je niet maken, dus ik heb de volgende dag meteen de Jellinek gebeld. Toen heb ik vier jaar niet gezopen. Maar mijn vrouw ontwikkelde in die tijd een schoonmaakwoede, ze was de hele dag aan het stofzuigen en altijd chagrijnig, en het huwelijk is ontspoord. Dan blijft er geen spaan van je over, hoor. Ik was een pantoffelheld, ik kon niet tegen haar op. Dat zeg ik niet omdat ik een goed mens ben, ik kan me heel goed voorstellen dat ze niet meer van me hield. Maar de agressie waarmee zo’n scheiding gepaard gaat, dat is erg. Dus toen ben ik in het gekkenhuis terecht gekomen. Daar ben ik overigens zeer van opgeknapt.’

Die keer waarover het gaat in de documentaire Over vaders & zonen, in de garage, was veel later, toen de kinderen al pubers waren en u dat jaar geen contact met ze had. Wat was er toen gebeurd? 

‘Ik had een boek geschreven over mijn huwelijk, maar daar wil ik het liever niet over hebben. En mijn ex was met haar nieuwe man een oorlog tegen mij begonnen, waar de kinderen deel van uitmaakten. De kinderen zeiden tegen mij: door jou heeft mama nooit carrière kunnen maken. Dat was gewoon gelogen, want ik had juist altijd veel gedaan in huis. Toen heb ik ze de deur uit gezet, ik lag ook ziek op bed in die tijd, ik kon het allemaal niet meer aan.’

Ik heb begrepen dat uw ex-vrouw die roman, Finale kwijting, door de rechter wilde laten verbieden omdat het één grote afrekening was met haar.

‘Nou nee, ja, ik schreef het van me af. Ik moest het kwijt. Alleen, er is door recensenten... Er is geen enkele goede recensie gekomen op dat boek. Het is volkomen afgebrand. Zij van NRC met dat rode haar, Elsbeth Etty, schreef: dit is het einde van de roman.’

De recensent van Het Parool schreef: wat een verongelijkt mannetje is hier aan het woord. Dorrestijn is een zielig geval.

‘Precies. O, ik heb mijn klappen gehad.’

Heeft u zich dat verschrikkelijk aangetrokken?

‘Och man, dat was de zwaarste klap die ik mijn leven heb gehad, op werkgebied. Ik was wel wat gewend op het gebied van slechte recensies, maar dit sloeg alles. Ik heb toen echt geduizeld van wanhoop. Het bloed zat aan het plafond, ik dacht: hoe moet ik in hemelsnaam verder? Ik ben eigenlijk doodsbang voor het oordeel van de mensen. Ik durfde me een tijdlang niet te vertonen buiten.’

Waarom was dat? Vond u diep in uw hart dat ze gelijk hadden, de recensenten?

‘Nou, zo slecht als ik toen ben afgeschilderd, hoop ik toch niet dat ik ben. Maar het klopt, ik kon niet denken: ze hebben ongelijk. Dan werkt toch het verleden door, zo’n jeugd als ik heb gehad met een boze stiefvader en een slappe moeder.’

U bedoelt: weinig zelfvertrouwen. Niet het gevoel: laat iedereen maar lullen, ik mag er zijn.

‘Nou, ik mag er zijn, dat is van dat moderne jargon, dat klinkt wel vreselijk, hoor. Maar ik was kapot, ja. Ik voelde me alsof ik in een beerput had gezeten en op straat iedereen aan me zag: die is besmeurd.’

En daarvan werd u zo depressief dat u dacht: ik wil niet meer leven?

‘Nee, nee, het is niet zo dat je door slechte recensies zelfmoord pleegt. Het was één grote troep in die tijd. Doordat ik dat boek schreef voerden mijn ex en haar man oorlog tegen mij, en ik zag de kinderen dus ook niet meer.’

Waarom had u dat boek geschreven veertien jaar na de scheiding? Bent u iemand die daar heel lang in blijft hangen?

‘Ja, ik ben beslist – dat werkt heel lang door. Maar luister, mijn ex en ik waren een hele tijd redelijk goed met elkaar omgegaan, tot ze die nieuwe man tegenkwam, daardoor werd het strijd. Overigens is ze later weer van hem gescheiden omdat hij gewelddadig werd en toen moest ík haar komen redden. Dus ik ben niet de enige krankzinnige gek in dit verhaal.’

Is het daardoor weer goed gekomen tussen u en uw ex, hebben jullie nu weer redelijk contact?

‘Ik ben nog wel vaak boos over dingen van vroeger, maar we gaan weer goed met elkaar om. Zeker als de kinderen het moeilijk hebben, dan bellen we elkaar. Dus zo slecht als de recensenten schreven ben ik ook weer niet. Mijn ex heeft ook toegegeven dat ik gelijk had wat die schoonmaakwoede betreft. Ik heb haar vaak gezegd: ik weet wel wat jij staat weg te poetsen. Mij.’

Ik zit nog na te denken over waarom u de kinderen uw huis uit stuurde na de opmerking: door jou heeft mama nooit carrière kunnen maken. Was dat nou zo erg? Kinderen, zeker van gescheiden ouders, zeggen dit soort dingen, verbreek je daarom het contact?

‘Geweldig, juist, precies, nu raak je de kern van het betoog. De kinderen worden de dupe. Maar dat had ik misschien kunnen inzien met een vlekkeloze jeugd, en die had ik niet, dus hier geef ik gewoon ronduit mijn jeugd de schuld, snap je? Maar dat is een zwaktebod, want die kinderen wegsturen, dat blijft een slechte daad.’

Foto Aisha Zeijpveld

Hoe is nu jullie band?

‘Ik hou ontzettend veel van de kinderen. Ik ben net voor het eerst grootvader geworden, Kirsten heeft nog met haar dikke buik hier bij mij een kamertje leeggeruimd zodat ze met de baby kan komen logeren. Dan kunnen we lekker in de tuin zitten papa, zei ze. Dus zo slecht heb ik het misschien toch niet gedaan.’

Hebt u na uw huwelijk nog wel eens een lange, serieuze relatie gehad?

Never nooit meer. Ik kan het niet meer en ik wil het ook niet meer. Iedereen zei altijd: Dorrestijn vrouwenhater, maar ik hou juist van alle vrouwen, echt, ze zijn een troost voor mijn oude dag. Maar meer dan een glimlach of een lief woordje hoef ik niet, dan zit ik een half uur later nog te glunderen op mijn snorfiets.’

Echt? Bent u nooit meer verliefd geworden?

‘Jawel, op iedereen. Maar dat is altijd mijn handicap geweest. Als ik de ene gezien had, zag ik tien minuten later de ander die nog veel mooier was.’ Hij wist naar zijn hoofd. ‘Dus nee, hier klopt iets niet.’

U hebt het over uw oude dag, gaat u het rustiger aan doen nu Het rimpelperspectief af is?

‘Nee, ik ben alweer begonnen met nieuwe dingen schrijven. Een nieuw theaterprogramma. Over twee jaar ben ik 80, dan neem ik een sabbatical en daarna ga ik weer optreden met een nieuwe show.’

Is dat verstandig? Ik vraag het omdat u het afgelopen seizoen met dichters Ingmar Heytze en Vrouwkje Tuinman in het theater stond met het programma Neurosen en andere hobby’s. De zalen zaten lang niet vol, er liepen zelfs mensen weg.

‘Ja, ik heb een zwaar jaar gehad, dat programma was niet zo goed. Al werd er om mijn grappen wel gelachen.’

Publieksreacties op internet zeiden dingen als: treurnis compleet, wat is er overgebleven van de oude Hans Dorrestijn?

‘Is dat zo? Ik heb dat allemaal niet zo meegekregen. Ik merkte wel dat de zaal weinig geneigd was tot lachen, maar dat kwam ook doordat het meer een literair dan een theaterprogramma was, terwijl ik het moet hebben van de grap. Het programma dat ik nu ga schrijven, is weer lekker voor mezelf. Zoals mijn voorlaatste show, Het einde is zoek. De zaal lachte zich kapot, ik kreeg allemaal complimentjes. Ik had helemaal niet het gevoel dat ik op mijn retour was.’

Nu ook niet, na deze laatste show?

‘Dat is een terugslag, ja, daar moet ik overheen zien te komen. Dus eigenlijk vind ik het vreselijk dat jij zegt: is dat nou wel verstandig? Daarmee ontneem je iemand alle moed. Ik wil nog doorgaan. En je hebt geen zekerheid – er kan best iets heel goeds uitkomen. Neem Jan Blaaser, dat was echt een mediocre cabaretier, een beetje in de marge, nog meer dan ik. Die maakte zijn laatste programma en dat was echt prachtig, zijn beste. Waarom zou ik dat ook niet kunnen?’

Verrassend: Hans Dorrestijn, de rasoptimist.

‘Dat ben ik, ja. Ik zie alles somber in, en toch ook niet.’

Hans Dorrestijn (Ede, 1940) heeft een onwaarschijnlijk groot oeuvre, van inmiddels klassiek geworden kinderliedjes als Pieleman en het Poep- en piesmenuet uit de Stratenmakeropzeeshow tot Dorrestijns Volkomen vogelgids (2016). Hij maakte meer dan twintig cabaretprogramma’s met veelzeggende titels als Mooi van lelijkheid (1977), Liederen van wanhoop en ongeloof (1987) en Neurosen en andere hobby’s (2017, met Ingmar Heytze en Vrouwkje Tuinman). Zijn eigen vermeende lelijkheid, schaamte en ‘zuivere onversneden wanhoop’ zijn steeds weer thema’s in zijn werk en, zegt hij zelf opgewekt, ze hebben ook de beste liedjes opgeleverd. Zoals De Lelijkheid (1977):

Meisjes met een paardenbek / Vol groezelgeel ivoor / Op feestjes wordt ge nooit genood / In winkels dringt men voor / Gij ziet van mannen slechts de nek / En nooit hun fonk’lend oog / Laat staan hun fiere apparaat / Voor u kwam ’t nooit omhoog 

Troost biedt Dorrestijn ook, middels dit couplet:

Lelijkheid, als ’t zeldzaam was / De vraag ernaar was groot / Wie nu niet is om aan te zien / Was dan een stuk of stoot 

En het refrein: 

Schoonheid is niet wezenlijk / Zij vergaat heel snel / Wat blijft, dat is de lelijkheid / Dus onderhoud haar wel

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.