Egoïst zijn, dat zit in de aard van de klimmer

Het leven van de Engelse bergbeklimmer Joe Simpson (36) veranderde in 1985 drastisch na een val van de Peruviaanse Siula Grande (6356 meter)....

Je weet toch wat ze over de Matterhorn zeggen? Dat er altijd zoveel mensen op de berg zitten dat je de meeste kans loopt te worden gedood doordat je uitglijdt over een sinaasappelschil of wordt getroffen door een vallende fles zonnebrandolie.

Uit: Dit Schimmenspel

K ging een paar maanden geleden naar Nepal. Een dag voor ik vertrok, viel een vriend dood van een berg. Toen ik weer uit Azië terugkwam, waren er in de tussentijd vier andere vrienden van me omgekomen bij het klimmen. Stel dat zoiets zou gebeuren bij de golfsport; vijf vrienden dood binnen een paar maanden, dan zou je toch onmiddellijk stoppen met golfen? Ik wel tenminste. Maar met die bergen is het toch iets anders, die blijven roepen, ondanks, of misschien wel dankzij, dat gevaar.

In Dit Schimmenspel, mijn vorige boek, heb ik een gedicht van Siegfried Sassoon opgenomen, een tekst geschreven na een verblijf in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog: Dan ga ik wel met jullie mee, als jullie zo nodig dit schimmenspel moeten spelen. Oorlog en de klimsport, ik zie er parallellen in, met al die jongemannen die naar het front in Noord-Frankrijk trokken. Ze hóefden niet, maar ze gíngen allemaal, en velen vonden er de dood. Een jongen die thuisbleef, werd nagewezen door de hele buurt, die was laf.

Ik weet wel, het is een onzinnige, ongemakkelijke vergelijking. Een man die thuisblijft omdat hij niet gaat klimmen, zal niet van lafheid worden beschuldigd. Dat is natuurlijk bullshit, maar een zekere vergelijking gaat wel op. Je kiest zelf voor het gevaar, het hoeft niet. De bergen trekken omdat, ja omdat je daar weer heel klein kunt zijn, je wordt ontzettend met jezelf geconfronteerd, in het hooggebergte kom je erachter wie je eigenlijk bent.

Wat voor persoon ik daar dan tegenkom? Tsja, moeilijke vraag. Ik ben niet gemakkelijk in de omgang. Ik ben vrijgezel. Een vriendin, prima, maar samenwonen, nee. Als ik morgen naar de Andes of Himalaya wil afreizen, moet dat meteen kunnen. Kinderen, ik moet er niet aan denken, ik ben veel te bang voor de verantwoordelijkheid. Kinderen opvoeden, dat is veel zwaarder dan het beklimmen van een gevaarlijke Alpenwand. Dus als je me een egoïst wilt noemen, ga je gang, dat zit in de aard van de klimmer.

Ja, in Orkaan van Stilte kom ik ook niet altijd als de meest aimabele mens over. Ik klim in Nepal, op de grens met Tibet, en word daar geconfronteerd met Tibetaanse vluchtelingen, die in dunne broeken en op goedkope gymschoenen over hoge besneeuwde passen de Chinese dictatuur in hun vaderland ontvluchten. Op het moment dat ik ze tegenkom, kan ik er eigenlijk niks mee. Ik kan ze niet helpen, ik ben doodmoe, zet m'n walkman nog wat harder, laat Billy Idol nog wat harder blèren.

Dan ben ik dus een grote klootzak. Een creditcard-avonturier, die daar een beetje zijn eigen paradijs komt zoeken, een mannetje dat wat in de bergen komt klauteren, een mannetje dat niet geconfronteerd wil worden met andermans ellende.

Mijn slaapzak is al meer waard dan een yak. Zo'n beetje het grootste bezit dat je daar kunt hebben. En dat is alleen nog maar een slaapzak, verdomme, een ding om in te slapen. Dan heb ik het nog niet eens over mijn dure Gore Tex-kleding, mijn klimuitrusting of het geruststellende vliegticket in de binnenzak.

Die twijfels beschrijf ik, naar ik hoop, op een eerlijke manier. Ik heb er veel moeite mee dat een land als Nepal door al die klimmers en trekkers naar de verdommenis wordt geholpen. We zoeken het paradijs, we vinden het en vervolgens verneuken we het. Jezus, waar zijn we mee bezig? Is het dat allemaal waard? Nee, zegt het rechtschapen deel in me, niet meer gaan. Ja, zegt de egoïst in me, we gaan wél, die bergen zijn te mooi om links te laten liggen. En de egoïst wint.

Ik schrijf in mijn nieuwste boek uitgebreid over de misstanden in Tibet, over de Chinese overheersing, over de 1,2 miljoen mensen die sinds 1950 zijn vermoord of verdwenen. Ik had er vooraf natuurlijk wel 'ns iets van gehoord, maar ik had me er verder nauwelijks mee beziggehouden. Ik kom om te klimmen, jongens! Maar dan zie je die vluchtelingen en dan wil je er achteraf toch meer van weten.

Tears of Blood: A Cry for Tibet, een schokkend boek van Mary Craigs, lees het en ween, de boeken van Heinrich Harrer, van Jung Chang. Iedereen weet het, en de gehele wereld doet geen ene fuck. Tibet, wat moeten we er mee, er is immers geen olie. Toen de Dalai Lama de Nobelprijs won, verstevigde George Bush de handelsbetrekkingen met China. En wij raakten vertederd bij de aanblik van een Chinese kunstrijdster op de schaats die wereldkampioene werd. En ik, de lul, ga er weer klimmen.

E MAKEN ons hoogstens een beetje druk om de doden van het Plein van de Hemelse Vrede, omdat daar toevallig de camera's van CNN stonden. Een paar honderd doden, het is een gruwelijke grap, vergeleken bij de tien miljoen Chinezen en Tibetanen die in de loop der jaren stilzwijgend vermoord zijn. En volgend jaar gaat Hongkong over in Chinese handen, en John Major glimlacht en denkt aan de enorme afzetmarkt.

Op een kleinere schaal wordt het paradijs dat Nepal was, volledig verwoest. En dat doen wij, de trekkers en de klimmers. De ontbossing neemt zeer ernstige vormen aan, het verkeer in Kathmandu staat meer stil dan dat het rijdt, de regering steekt het vele geld uit het toerisme in eigen zak. Sommige boeren zijn al zo desperaat dat ze hun dochters voor een handvol roepies verkopen aan de pooiers van de bordelen in Bombay en Calcutta. En wij maar klimmen, ja ja.

Het wordt te gek. Neem de Mount Everest, iedereen gaat daar toch naar boven, desnoods met een duwtje in de rug. Ze staan daar godbeterhet in de file op de Southcol te wachten of ze naar boven mogen. Die klimmer van jullie, die Ronald Naar, ik ken hem verder niet, maar die laat daar gewoon op een paar meter van zijn tent een Indiër sterven. Was niet meer te redden, zei hij. Maar dan ga je er tóch naar toe, dan haal je hem in je tent. Nee hoor, alleen de top telt.

Ik vind dat de Everest met rust moet worden gelaten. Alleen het handjevol echte topklimmers dat er zonder hulp van extra zuurstof naar boven kan, mag nog een poging wagen. Reinhold Messner heeft de top in 1980 op een prachtige wijze beklommen, solo en zonder zuurstofflessen. Daarna wordt elke andere beklimming al minder waard. Je moet de Everest, de hoogste berg van de wereld respecteren als een symbool, als iets heiligs. Het mag niet zo zijn dat, als je maar genoeg dollars hebt, naar boven kunt.

Wat heb je er bovendien nog te zoeken? Er zijn inmiddels meer dan zeshonderd mensen op de top geweest, dus zo uniek is het niet meer. Statistisch vallen er ook veel meer doden, niet alleen op de Everest, maar overal in de bergen. Iedereen kan overal klimmen. Vroeger vergde het een maandenlange expeditie om naar de hoge toppen te trekken, nu, met het moderne vliegverkeer, kun je binnen een paar maanden in de Alpen, Andes én de Himalaya aan de gang.

Met die commerciële expedities, voor zestigduizend dollar naar de top van de Everest, zal het aantal dodelijke ongelukken alleen maar toenemen. De klanten zijn eigenlijk niet goed genoeg om naar boven te gaan, de gidsen hebben een extra druk op hun schouders: het móet lukken, want het gaat om een hoop geld. Elke gelukte poging betekent reclame, en weer nieuwe, rijke klanten. Vind je het gek dat er dan meer ongelukken gebeuren?

Mijn leven is drastisch veranderd na mijn val van de Siula Grande in Peru. Het bleek dat ik kon schrijven, althans, mijn boeken verkochten. Verkoopcijfers zeggen natuurlijk niet alles. Jeffrey Archer verkoopt ook veel, en kan die schrijven? Maar serieus, normaal verkoopt een klimboek tweeduizend exemplaren, van Over de Rand gingen er honderdduizenden over de toonbank. Ik ben inmiddels in meer dan vijftien talen vertaald. Ik kan mijn hypotheek van de schrijverij betalen, en af en toe een tweede of zelfs een derde pilsje pakken in Sheffield, de stad waar ik woon, en die het klimmerscentrum van Groot-Brittannië is geworden.

Dat eerste boek moest ik wel schrijven. Er werd zoveel geluld over mijn ongeluk, dat de waarheid ver te zoeken was. Mijn klimmaat Simon Yates sneed het touw door waaraan ik hing, en ja, als je dat zo zegt, dan klinkt dat enorm harteloos. Maar dat hij mij even daarvoor, onder bijzonder extreme omstandigheden, duizend meter van een berg had laten zakken, dat wist niemand. Ik had een verbrijzelde knie, en dan ben je eigenlijk op die hoogte, waar geen helikopter kan komen, al hartstikke dood. Als hij het touw niet had doorgesneden, zouden we allebei dood zijn geweest. Nu leven we alletwee.

AT VERHAAL móest geschreven worden. De versies die de ronde deden, waren belachelijk. Op een gegeven moment werd ik door een ex-vriendinnetje opgebeld. Of het waar was, vroeg ze, of mijn been was geamputeerd. . . Nee, Simon moest gerehabiliteerd worden, hij heeft echt mijn leven gered, juist omdat hij dat touw doorsneed. Hier thuis, in een pub, is het gemakkelijk om kritiek op zo'n daad te leveren, maar de mensen weten niet waar ze over kletsen.

Ik heb erg veel geluk in mijn leven gehad, heb in de Alpen een nacht aan een draadje gehangen, voordat ik door een helikopter gered werd, ik viel in Nepal naar beneden, ik had dat ongeluk in Peru, ben verscheidene malen door lawines overvallen. Maar ik leef nog, en ik zal, ondanks mijn kapotte knieën blijven klimmen. Geen massale expedities, geen achtduizenders, maar mooie klassieke routes van pioniers als Messner of Walter Bonatti, of geheel nieuwe routes, dat blijft toch het mooiste, zoals indertijd op de Siula Grande.

Kortom, climbing is all I wanna do. En ik weet het, mijn geluk zal eindig zijn. Ik verwacht dan ook niet dat ik thuis in Sheffield, na een avondje alcohol, in mijn eigen bed zal sterven.'

Ik viel snel, sneller dan een gedachte, en mijn maag protesteerde tegen die snelheid. Ik schoot omlaag en van heel hoog zag ik mezelf vallen en ik voelde niets. Geen gedachten en geen angst. Het was dus zo ver.

Uit: Over de Rand

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.