De GidsSociale ongemakken

Eerste Hulp Bij Ongemak: gênante situaties en hoe we er mee om zouden moeten gaan

Beeld Brian Rea

Een open gulp, een pijnlijke stilte, het leven is een mijnenveld vol gênante situaties. Maar onthoud: je bent niet alleen. 

De stilte in de lift. De ontdekking van een open gulp. Het grapje dat iemand niet verstond en dat je nu moet herhalen en ineens niet meer grappig is. Het moeten wegmoffelen van een snotklodder in je elleboogholte, waar je nu juist zo discreet mogelijk in had geniesd. Prettige sensaties zijn het allemaal niet. En toch, toch is ‘sociaal ongemak’ een misleidende term. Want een ongemak is al gauw iets waar je last van hebt en waar je vanaf wilt, misschien wel vanaf moet. Terwijl sociáál ongemak een kwaal is waar je niet alleen mee moet leren leven – want hebben we überhaupt een keus? – maar die het misschien ook waard is om te omarmen.

Denk maar eens aan mensen die te weinig sociaal ongemak ervaren. De dicht-op-je-lip-prater, de onderbroek-als-laatste-aantrekker in de mannenkleedkamer, de corporale handsfreebeller, de openbare nagelknippers, de deospuiters op kantoor. Goed, je zou ze kunnen benijden om de ontspanning die hun onderontwikkelde omgevingsbewustzijn ogenschijnlijk met zich meebrengt. Maar je wilt hen niet zíjn, want je weet welke diepgevoelde haat ze opwekken. Dat ongemak van jou, de schaamte die daaronder ligt, daar heb je je beschaving aan te danken en de acceptatie door je omgeving.

Sterker nog, door ongemakkelijke situaties die je hebt meegemaakt breed uit te meten, kun je je ronduit populair maken. Wanneer je een gênant verhaal vertelt aan iemand zeg je eigenlijk: ik ben niet bedreigend voor jou, ik heb zelfspot. En: ik vertrouw jou, want ik vertel je dit in de wetenschap dat je mij er niet keihard op zult afrekenen, maar dat je dit ontwapenend zult vinden. Hele vriendschappen en liefdesrelaties worden gebouwd op uitgewisseld ongemak.

Het is wel oppassen, want koketterie ligt op de loer. Het ongemak in kwestie moet het navertellen waard zijn. Wie vertelt dat hij juichend en zwaaiend de straat uit en de hoek om is gerend, om maar te verhullen dat hij in die straat eigenlijk een willekeurige voorbijganger voor zijn beste vriend had aangezien en daar aanvankelijk op afstoof, is geestig en innemend. Maar wie zegt: ‘O zo erg, ik liep de hele dag rond met een vlek in mijn trui’, zegt eigenlijk: ik zie er altijd tiptop uit. En dat is niet innemend, dat is praalziek.

Hetzelfde geldt voor de verzuchting dat ‘iedereen naar je keek’. Na een avond zuipen worden veel meer mensen wakker met de gedachte ‘o god, wat heb ik gezegd’ dan met ‘o god, wat heeft híj gezegd’. Of voor opzichtig dubben over wat je toch moet zeggen tegen iemand met een ernstige ziekte. Wie dat doet, is niet empathisch bezig, nee, die steekt meer energie in zijn eigen triviale beslommeringen dan in het steunen van pakweg een kankerpatiënt. Mensen met te veel sociaal ongemak lijken kwetsbaar en onzeker, maar zijn in feite vals bescheiden en egocentrisch.

De auteur Helen Fielding legde het ooit al eens vast in een kloeke leefregel: ‘Niemand denkt aan jou. Ze ­denken allemaal aan zichzelf. Net als jij.’

Of nou ja, bijna allemaal. Want het kan soms natuurlijk best lonen om iemand achter zijn rug uit te lachen. We mogen onszelf dan graag kunnen relativeren, we willen ook weer niet voor sukkels doorgaan. Door ‘moet je mij zien’ nu en dan af te wisselen met ‘moet je hem zien’ blijf je sympathiek, maar zit je toch hoog genoeg in de pikorde.

Daarbij is het niet alleen maar lekker om de afgang van een ander te bekijken. Een stroef gesprek in First Dates is vermakelijk, maar je maag draait zich ook een beetje om. Zie een aangeschoten oom de dansvloer opstuiven en geheel incongruent met de gedraaide muziek de twist inzetten en jíj gaat plaatsvervangend door de grond. Omdat je ergens wel beseft dat jou dit net zo goed kan overkomen.

Elke dag, de hele dag maak je – zo snel dat je het nauwelijks merkt – inschattingen: hoe voorkom ik dat ik mezelf verneder? Zo’n dag is lang, de omstandigheden wisselend. Het vergt een permanente inspanning. Je beweegt je op een dun laagje ijs waar je elk moment doorheen kunt zakken. En dat ervaar je, naast leedvermaak, als je iemand anders in een wak ziet spartelen.

Treur kortom niet om de gulp (maar sluit die wel even). Beschouw het herhaalde grapje als verloren en ga ervan uit dat er wel weer een nieuw grapje komt. Stroop blijmoedig de van snot doordrenkte mouwen op. En aanvaard de liftstilte (want iedereen weet dat de seconden pas écht traag gaan nadat iemand iets heeft gezegd als ‘ah, daar gaan we’ of – nog erger – ‘en toen werd het stil’). Verzet je niet, maar wentel je in al dat ­ongemak, het is de lijm die ons bij elkaar houdt. 

Kustaw Bessems

Kom niet in mijn zone

Wie zich in een verder lege treincoupé zetelt naast de enige andere aanwezige, overtreedt een ongeschreven regel. De vreemdeling begaat een moedwillige territoriumbreuk. Daar de mens geen ongecastreerde kater is, leidt dit zelden tot een matpartij, al zou dat wel op zijn plaats zijn.

In diezelfde trein reist de soort der mensen gedurende de spits als een blik sardientje zij aan zij. Kwestie van nood breekt wet. De sardines ondergaan het passief, pogen de territoriale aantasting te verzachten met een geluidsdrager of dagdroom, blik op oneindig en vooral niet op elkaar.

Maar de goede verstaander weet: er is sprake van een bloedbad. De ene na de andere onzichtbare bubbel van persoonlijke ruimte gaat aan gort. Wellicht heeft u het nooit zo bekeken, maar ook u draagt zo’n onzichtbare cirkel met zich mee.

De eerste wetenschapper die het begrip ‘personal space’ beschreef was geen psycholoog, maar een antropoloog. In zijn klassiek geworden boek The Hidden Dimension uit 1966 benoemt de Amerikaan ­Edward T. Hall vier territoriale menselijke zones die we nog altijd ­hanteren: de intieme, persoonlijke, sociale en publieke.

De intieme zone is opgedeeld in twee ringen. De eerste is gereserveerd voor geliefden (0-15 cm) en onze kinderen (mits nog niet puberend, want dan wensen ze meer ouderlijke afstand) en zeer goede vrienden (15-45 cm). Waagt een vreemd persoon zich in deze zone, dan ­verandert intiem in intimiderend.

Als iemand dichterbij komt staan dan we wenselijk vinden – uiteraard afhankelijk van de plek, situatie en manier waarop – zorgt dit voor een prikkeling van het zenuwstelsel, dat alerter wordt. Onder meer de bloeddruk, huidtemperatuur en de spiegel van het stresshormoon cortisol kunnen stijgen. Instinctief wil ons lichaam afstand nemen.

Voor de containercategorie van (vage) bekenden, familieleden, vrienden en collega’s geldt een ruime persoonlijke zone van 45 tot 120 centimeter. Hier geldt: hoe meer we de persoon mogen en vertrouwen, hoe naderbij hij/zij mag komen.

Voor gesprekken met mensen die we niet kennen hanteren we een nog ruimer domein: de sociale zone reikt van 120 tot 360 centimeter. De laatste zone is eigenlijk meer een richtlijn voor de afstand tussen een spreker en zijn publiek, variërend van 3,5 meter tot 7 meter – al naar gelang de grote van het gezelschap.

Beeld Liana Finck

De genoemde afstanden zijn uiteraard gemiddelden. Welke afstand mensen als prettig ervaren is namelijk onderhevig aan tal van factoren, zegt hoogleraar sociale psychologie Paul van Lange (VU Amsterdam). Zoals culturele verschillen, opvoeding, leeftijd, sekse, of het gebruik van bedwelmende middelen (alcohol verkleint zones vaak). Ook speelt veiligheid en vertrouwen vaak een grote rol. ‘Argwaan ten aanzien van anderen zorgt voor meer afstand’, zegt Van Lange. ‘We gaan bijvoorbeeld wat verder af zitten van skinheads dan van mensen die direct vertrouwen inboezemen.’ En tenslotte sociale angst. ‘Mensen verschillen erg in het ongemak dat ze voelen bij een kleine afstand. De een voelt zich prettig bij fysiek contact, terwijl mensen die kampen met sociale angst vrijwel iedereen op veilige afstand willen houden.’

In grote lijnen hanteren onderzoekers twee manieren om de persoonlijke zones van proefpersonen te testen. Het meest gebruikt, vanwege tal van ethische dilemma’s, zijn tekeningen met afstanden, waaruit proefpersonen kunnen kiezen. Iets meer gelijkend op de realiteit is de methode van het langzaam naderbij komen bij een proefpersoon tot die ‘stop’ zegt.

Nog wat weetjes: zowel mannen als vrouwen laten een vrouw dichterbij komen en hoe jonger het kind, hoe kleiner de ­behoefte aan persoonlijke afstand. Dat ouderen meer afstand wensen, kan overigens ook met opvoeding te maken hebben, merkt Van Lange op. ‘Er is een hele ­generatie ouderen die nooit of zelden door hun ouders werd omhelsd.’

Een recente studie haalde het vooroordeel onderuit dat de persoonlijke afstand van mensen in warmere landen geringer zou zijn. Het blijkt genuanceerder te liggen. Zo naderen vreemden in Latijns-Amerika en het Midden-Oosten elkaar meer dan in het Hoge Noorden, maar staan goede vrienden juist in landen als Noorwegen dichter bij elkaar. Waarom? Daar kan Van Lange met veel plezier vergaand over speculeren, maar volgens hem is het eerlijke antwoord: op dit moment weten we het niet.

Dan nog even over de territoriale jungle op het forensend hoogtepunt. Die blikvermijding van de sardientjes onderling: trek het u niet aan. Heeft niets met u te maken, noch met onbeschoftheid of onwil. Kwestie van evolutionair survivallen. Bij overprikkeling kalmeren we de sensoren door stimuli weg te nemen. Bij gebrek aan ontsnappingsmogelijkheid, is het het negeren van de omgeving second best.

Doet u toch zelf ook?

Ianthe Sahadat

Een zwaai beantwoorden

Sinds een paar weken kom ik nauwelijks meer op straat. Voor mijn werk hoef ik de deur niet uit, boodschappen en maaltijden worden bezorgd en met een hometrainer in de kelder hoef ik niet langer naar de sportschool.

Als het niet anders kan, verlaat ik het huis, maar dan alleen als het schemert. Ik beweeg me in de schaduwen van de gebouwen, weg van het schijnsel van de straatverlichting. Capuchon over het hoofd, blik strak op de stoeptegels.

Misschien durf ik over een maand of twee weer eens overdag naar buiten.

Een paar weken geleden wandelde ik door de stad. Midden op de dag. De zon scheen, het werk was af. Het soort dag waarop je net wat minder op je hoede bent voor ellende dan anders.

In een uitgestorven straat naderden een jongen en een meisje, hand in hand. Ze liepen aan de overkant, en ik zag ze eerder dan zij mij. Automatisch deed ik wat ik altijd doe: controleren of het niet toevallig vage bekenden waren, met wie je dan een kort, voor niemand aangenaam gesprekje moet voeren.

Goddank: geen vage bekenden.

Het meisje moest mijn blik hebben opgemerkt, want zij keek nu in mijn richting. Herkende zij mij wel? Daar had je het al: ze maakte haar hand los en stak hem in de lucht.

Ik word zelden herkend door mensen die ik niet zelf eerst heb herkend. Nooit, eigenlijk.

Omdat er kennelijk dus echt voor alles een eerste keer is, stak ik mijn hand op en zwaaide uitbundig terug. ‘Die Frank… Jaren niet gezien en hij zwaait meteen terug. Leuke vent’, zou ze later tegen haar vriend zeggen.

Tussen ons zaten nu vijf meter. Ik herkende haar nog steeds niet.

Toch duurde het nog tot ik achter me een vrouwenstem ‘Hé, hallo!’ hoorde roepen, dat ik begreep wat er was gebeurd.

Wie een situatie als deze wil vermijden, kan het best altijd binnenblijven. Voor wie dat geen optie is, staan nog twee alternatieve straathoudingen open: De Maniak (die zwaait bij ieder oogcontact) of De Maniak II (die ieder oogcontact in de publieke ruimte vermijdt).

Frank Heinen

Beeld Jip van den Toorn

Een bekende (op het perron (in alle vroegte))

‘Hé! Hé! Ja, ik dacht al dat jij het was. Ik herkende je aan je jas. Ook op weg naar Amsterdam? Ja, ik ook. Werk. Work hard, play hard, toch? Waar zit jij tegenwoordig? Nog steeds eh…? Niet? Oké. Ik doe nu iets heel anders. Brand design assistant bij Love Life Inc. Heel tof, superhard werken ook. Nee, van die koelkastmagneetjes maken we. Alles eigenlijk, als het maar Hollands is. Molens natuurlijk. Ik was vorig jaar in China, daar hebben we een kantoor. Veel Chinezen daar. En jij nog steeds samen met dinges? O. Nou, ik ook, hoor. Plenty of fish, zeggen ze dan. O, omroepberichtje… Já hoor, altijd deze trein. Vijf minuten, ja, dat kennen we. En dan nog eens vijf en dan nog eens vijf. Zeg maar dag tegen je aansluiting. Spreek jij hoe-heet-ze nog? En die kleine? Nee, ik ook niet, hoor. Koud, hè? Sowieso word ik heel treurig van die donkere ochtenden. Hé, daar is-ie, dat valt nog mee. Niet bovenin gaan zitten hoor, dat is een stiltecoupé. Hier is nog plek, als die meneer even zijn tas even weghaalt. Zó, we rijden. Hèhè. Jij nog vakantieplannen?’

Voor wie iets dergelijks nooit (meer) wil meemaken, is de belangrijkste tip: schuil in de kiosk en kom pas tevoorschijn als de trein zijn deuren opent. Is een ontmoeting onvermijdelijk, houd dan een belangrijk uitziende stapel paperassen bij de hand. Geen boek of krant – dat kan altijd wachten. Paperassen moeten altijd nu. Nepbellen kan ook, maar er zijn mensen, mensen met geduld, die bereid zijn te wachten tot u bent uitgebeld. Een halfuur lang tegenover een vage bekende een fictief telefoongesprek volhouden, is zelden wenselijk.

Frank Heinen

Beeld Rogier Roeters

‘En met jullie kind?’

Een kamer vol mensen. Tafel met hapjes, flessen, glazen. Vrienden, kennissen, collega’s, buren. Een feestje waarschijnlijk. Misschien wel het jouwe, wie zal het zeggen?

Jij niet, jij zegt al een tijdje niets meer. Jouw gedachten zijn tot de nok toe gevuld met kindernamen. Daniel. Daan. Daaf. Alice. Ella. Anna. Oona. Bob. Ben. Bart. Blub. De ouders bewegen zich door de kamer, zoemend van ontspanning. Eindelijk zijn ze een avondje zonder kinderen op pad.

Je ziet het voor je, het krioelende nageslacht. Baby’s, peuters, een enkele kleuter. Ze zijn met tientallen. Sommigen ken je slechts van de foto’s die je online hebt zien passeren, een ander heb je wel meermaals in een wagentje zien maffen. Denk je.

Op een moment van onoplettendheid word je klemgezet door een goede bekende. Ook al net een kind gekregen, je ziet het geboortekaartje nog voor je. Blauwig, met verfvlekken.

Helaas: naam noch geslacht schieten je te binnen. Het is even stil. Een uur of drie.

‘Hoe gaat het thuis?’, vraag je tenslotte.

‘Verbouwing gaat door.’

‘Te gek! En verder?’

‘Prima.’

En dan, als al je weerstand gebroken is, stel je de vraag waarvan je je had voorgenomen hem nooit aan iemand te stellen: ‘En met jullie kind?’

Om dergelijke flaters te voorkomen, dient u zichzelf grondig voor te bereiden. Voeg de namen van de kinderen in uw telefoonlijst toe aan die van uw vrienden. Of maak uw eigen kwartetspel van bevriende families en speel dit ten minste eenmaal per week.

Frank Heinen

Beeld Liana Finck

De ontmoeting

Je wilt iemand drie zoenen geven, de ander stopt na één; het baken van elk sociaal ongemak is de ontmoeting. Gaat de begroeting mis, is er een kleine kans dat het gesprek dat volgt wél soepel verloopt.

Helaas bestaan er geen internationale regels voor hoe we een vreemde begroeten. In Noord-Europa volstaat een ferme handdruk, in het zuiden van Europa is zoenen gebruikelijker, al is het onduidelijk hoe vaak je moet kussen. Zo verschilt het in Frankrijk per regio: in Brest blijft het bij één, in Nantes kan het oplopen tot wel vier zoenen. Let wel: dit zijn luchtkussen, waarbij jouw wang de wang van een ander raakt – het is niet de bedoeling dat je daadwerkelijk met je lippen kust, al moet je wel een kusgeluid maken.

In Nederland geldt doorgaans: vreemden geven we een hand, kennissen of familie drie zoenen, vrienden één zoen of een knuffel. Maar ook dat is chaos: iedereen heeft wel eens per ongeluk een oor gekust, een boks geschud, een high five gemist of een knuffel gekregen terwijl jij ging voor de hand waardoor je opeens iemands kruis betastte.

Eigenlijk is er maar één oplossing voor ongemakkelijke begroetingen: omarm ze. Zeg: ‘O, dat ging even mis’ of begin hartelijk te lachen (niet te manisch, dat maakt het nog ongemakkelijker). Nu alleen maar hopen dat je niet over drie jaar nog steeds wakker ligt van die ene keer dat jij je buurvrouw per ongeluk op de mond kuste.

Dorien van Linge

Beeld Paul Faassen

Oogcontact op afstand

In het Volkskrant-gebouw is een lange gang, van pakweg 50 meter. Een succesrecept voor sociaal ongemak, door de plek (het kantoor: per definitie een ongemakkelijke plek), de mensen (je collega’s: je ziet ze vaker dan je vrienden of partner, en toch zijn jullie niet echt intiem), en de situatie (begroeten: zie ‘De ontmoeting’). Je ziet je collega al van een afstand aankomen, maar wat doe je? Een probleem dat natuurlijk niet alleen op kantoor voorkomt, maar ook op straat, als je een kennis van verre aan ziet komen.

Eén ding moet je in elk geval niet doen: de hele tijd oogcontact houden. Dat vinden we ongemakkelijk, blijkt uit onderzoek van het University College in Londen. Hierin moesten 498 personen van tussen de 11 en 79 jaar naar video’s van een acteur of actrice kijken die hen aanstaarde met een neutraal gezicht, en aangeven hoelang het duurde voordat het oogcontact ongemakkelijk werd. Gemiddeld haakten de proefpersonen na 3,3 seconden af. Niet zo gek, want in het dierenrijk staat lang oogcontact voor bedreiging of seksuele interesse – twee gevoelens die je niet wilt opwekken bij je collega of kennis.

In een artikel in The Cut  geeft Ronald Riggio, psychologieprofessor aan Claremont McKenna College in Californië, een oplossing voor het langegangenprobleem. Als je iemand ziet aankomen, kijk hem of haar dan aan en knik, lach of trek subtiel je wenkbrauwen op. Verbreek vervolgens het oogcontact. Vlak voordat je elkaar passeert zeg je gedag. Hiermee erken je dat je de ander herkent, maar kom je niet over als een starende creep.

Dorien van Linge

Beeld Brian Rea

De wurggreep van de appgroep

Je wilt uit de appgroep. Een probleem: het verlaten van een appgroep kan niet stilletjes. Bij het eruit stappen verschijnt bij de achterblijvers de genadeloze zin: ‘(naam) heeft de groep verlaten’.

Het is de wurggreep van de appgroep; al ben je al een jaar non-actief, eruit stappen is een statement. Diep van binnen ben je bang dat mensen over je gaan roddelen als je dat doet. Of nog erger: ze zijn verbaasd dat je er nog in zat en zien je als een voyeur.

Maar wat moet je dan doen? Helaas maar waar; het werkt het beste om je vertrek aan te kondigen. Geen dramatisch afscheid, een: ‘Hoi, ik merk dat ik al een tijdje niet actief ben, dus ik stap eruit!’ voldoet. Besef wel dat je hiermee jezelf buitensluit en dus riskeert borreluitnodigingen of gezamenlijke uitjes te missen.

Dorien van Linge

Beeld Rogier Roeters

De per ongeluk foute opmerking

In de film Four Weddings and a Funeral vraagt Charles (Hugh Grant) aan een kennis: ‘Hoe is het met je vriendin?’, waarop hij antwoordt: ‘Ze is niet langer mijn vriendin.’ Grant zegt dan: ‘Ach, ik zou er maar niet te verdrietig om zijn. Het gerucht gaat dat ze tijdens jullie relatie seks had met Toby de Lisle.’ Er volgt een pijnlijke stilte, waarna de man zegt: ‘Ze is inmiddels mijn vrouw.’

Oei. De foute opmerking waarna je je niet meer kan redden; weinig ongemakkelijker dan dit. Per ongeluk tegen iemand zeggen: ‘Dat is echt een slecht restaurant/dat is echt een stom feest/dat zijn echt lelijke schoenen’, en dan blijkt het de plek te zijn waar hij werkt, het feest dat hij organiseert of de schoenen die hij draagt.

Het ergste hieraan is dat dit eigenlijk niet meer te lijmen is. Zoals psycholoog Chris MacLeod zegt in zijn boek The Social Skills Guidebook: geef toe dat je een eikel bent en bied je excuses aan.

Dorien van Linge

Wat te zeggen tegen rouwende mensen?

Een beroemde rouwscène, uit de verfilming van het toneelstuk Steel Magnolias (1989). Moeder M’Lynn, gespeeld door Sally Field, staat aan het graf van haar dochter Shelby, de begrafenis is net achter de rug.

‘Gaat het met je?’, vraagt vriendin Claire (Olympia Dukakis), voorzichtig, bedeesd.

‘Natuurlijk gaat het met me’, snauwt M’Lynn haar vriendin toe.’ ‘Ik kan naar Texas rennen, en terug. Maar mijn dochter niet.’ Ze raakt nu buiten zinnen van verdriet. Terwijl haar vriendinnen haar onhandig proberen te kalmeren, schreeuwt ze: ‘Ik wil gewoon iemand slaan, ik wil iemand heel hard slaan!’

De reactie van de rouwende moeder uit Steel Magnolias is precies wat ik vrees als ik in de rij sta om nabestaanden te condoleren op een begrafenis of crematie. Ik ben bang om het verkeerde te zeggen (‘Gecondoleerd? Gecondoleerd? Daar heb ik toch NIETS aan?’) of te doen (‘Jij dacht, ik neem een bosje anjers mee? Met anjers krijg ik Henk-Jan niet terug!’).

Die angst is niet ongegrond. Rouwende mensen kunnen onaangekondigd aanbelanden in de rouwfase ‘woede’ (opgelet, er zijn er vijf). En dan kun je de pech hebben net op dat moment in de buurt te zijn, en iets onhandigs te zeggen. Ik weet hoe dat gaat, ik ben zelf uitzinnig geweest van verdriet. Woedend was ik op die collega die belde om te ‘overleggen’ of hij naar de begrafenis van mijn vader moest gaan, of toch op die geplande weekendtrip. Ik wist zeker: ik zou nooit zo’n fout maken. Maar nu mijn eigen rouwproces is afgerond, ben ik daar niet langer  van overtuigd.

De dood maakt me onzeker, en ik ben daarin niet alleen. In een sterk geseculariseerde, hypergeïndividualiseerde samenleving missen we een script of programma om collectief om te gaan met rouw, en het verdriet van een ander.

Toch zijn er wel degelijk regels: gedragscodes die houvast bieden en er tegelijkertijd toe dienen om de nabestaanden goed te begeleiden.

De eerste regel: wees oprecht geïnteresseerd in een ander en vergeet jezelf. ‘Eerst en vooral moet je luisteren’, schrijft klinisch psycholoog en rouwdeskundige Manu Keirse in zijn handboek Helpen bij verdriet en verlies. ‘En daarna moet je luisteren. En als je dit hebt gedaan, probeer dan nog eens te luisteren.’

Raad geven, opbeuren, vergelijkingen trekken met je eigen verdriet: het hoeft niet, sterker nog: niemand zit daarop te wachten, zeker niet als het verlies nog vers is. Je hoeft dan ook geen enkele oplossing aan te dragen, en geen eind-goed-al goed opmerking te verzinnen als: ‘Gelukkig heeft tante X of oom Y niet erg geleden.’ Een eenvoudige betuiging van medeleven is genoeg, en een blijk van interesse is genoeg.

Regel twee: wees praktisch. Concrete hulp is niet alleen gewenst, het geeft iedereen houvast. ‘Laat mij maar weten als ik iets kan doen’, is dan ook funest. ‘Het is vaak een exit line, een manier om te ontsnappen na de begrafenis of herdenking’, werd de Amerikaanse psycholoog Ann Weber geciteerd in The New York Times . ‘En het legt de verplichting bij de rouwende om hulp te vragen.’ Kom zelf met concrete voorstellen, liefst in de vorm van de gesloten vraag: ‘Wil je dinsdag met mij gaan wandelen?’, ‘Zal ik volgende week voor je koken?’. De nabestaande hoeft dan slechts ‘ja’, ‘nee’, of ‘misschien’ te zeggen. Belangrijk: laat die praktische insteek niet varen in de weken en maanden na een begrafenis. Rouwen duurt lang, heel lang.

Nog een tip om ongemak in tijden van rouw te voorkomen: weet wie je moet troosten, en door wie je zelf getroost kunt worden. Niet zelden vliegen bezoekers van een begrafenis de directe nabestaanden snikkend in de armen. Niet handig, deze mensen maken emotionele overuren, ze hebben geen ruimte voor jou. Zoek troost bij mensen die verder afstaan van de overledene dan jij, en biedt troost aan mensen dichter bij het verlies.

Tot slot: soms vormen onhandige opmerkingen of daden de katalysator van een emotioneel proces dat op gang moet komen. In de Steel Magnolias-scène projecteert M’Lynn haar gevoelens op de goedbedoelende vriendinnen. Ze kan zo eindelijk haar ingehouden frustratie en woede kwijt, wat volgt is catharsis. Rouwende mensen leggen soms op elke slak zout, het uiten van dat chagrijn helpt hen in de verwerking van hun verlies. Nabestaanden hebben daarbij het volste recht onredelijk te zijn.

Geef ze die ruimte, en neem het ongemak voor eigen rekening.

Esma Linnemann

Beeld Paul Faassen

Vallen

Ik heb een angst. Het gaat zo: ik loop in een stevig tempo over straat, kilometertje of 6 per uur. Niet hard, wel snel genoeg om anderen in te halen. Dan is er iets waardoor ik uit balans raak. Misschien is het een scheef liggende stoeptegel, misschien een stoeprand, misschien zijn het de iets te grote schoenen die ik draag. Ik struikel, probeer met mijn eerstvolgende stap de boel te herstellen, de balans te herstellen. Ik weet dat het mijn enige kans is. Als het me met die stap niet lukt, ben ik verloren. Het lukt niet. Ik weet dat ik ga vallen, maar ik wil het niet. Waarom niet? ‘Mensen begeven zich continu in sociale vergelijkingen en competitie’, zei hoogleraar psychologie Leif Edward Ottesen Kennair tegen de website Sciencenorway. ‘We kiezen vrienden, geliefden en partners op basis van hoe we over anderen oordelen. Deze evaluatie bevat iemands persoonlijkheid, uiterlijk en sociale status in een groep.’ En je sociale status binnen een groep holt achteruit op het moment dat je ‘tekenen van zwakte en controleverlies vertoont, of klungelig of hulpeloos overkomt’.

Controleverlies, klungeligheid, hulpeloosheid, dat is precies wat me te wachten staat als ik straks mijn armen naar voren gooi in een poging mezelf op te vangen en daarbij de boodschappentassen vol eieren en sinaasappels (ik heb in mijn nachtmerries altijd eieren en sinaasappels bij me) als stootkussens gebruik. Het laatste greintje waardigheid verdwijnt als mijn bilspleet, boven mijn net iets afgezakte joggingbroek, even komt kijken wat er allemaal aan de hand is.

Herstel is onmogelijk. Niet hier, niet voor deze mensen. Voor hen ben ik verloren. Maar ik kan mezelf nog redden. Niet door te doen alsof het niet gebeurd is en snel door te lopen – een begrijpelijke fout die veel onervaren straatvallers maken. Maar door mijn eigen val ruimhartig te erkennen. Misschien door even te blijven liggen, te lachen, oogcontact te maken met een toeschouwer. Door rustig op te staan en nog rustiger mijn eieren en sinaasappels terug in de tassen te stoppen. Daarna sla ik het vuil van mijn handen, recht mijn rug en loop ik door. En gebeurt alles weer van voor af aan.

Julien Althuisius

Beeld Studio Ski

Tocht

Er zijn weinig zaken die zo’n hevige schade aan iemands waardigheid toebrengen als een openstaande gulp. Natuurlijk, een onopgemerkt snotje in een neusgat is vervelend, net als eten tussen de tanden of babybraaksel op de schouder. Maar dat valt allemaal in het niet bij de sociale ramp die een openstaande gulp is. In principe is er niets ergs aan het feit dat de gulp open is. In veruit de meeste gevallen valt er niets te zien – en als er dan wel wat te zien valt, is het een stukje stof van het ondergoed (in zeer, zeer uitzonderlijke gevallen misschien een stukje penis of vagina, maar nu ontsporen we een beetje). 

Wat er nu zo erg is aan de open gulp? Hoe onmogelijk ook, het liefst willen we onszelf allemaal voordoen als onberispelijke wezens die niet plassen, poepen of masturberen. Die dingen willen we het liefst zo ver mogelijk van ons af houden. Misschien omdat ze ons menselijk maken en daarmee kwetsbaar. Een open gulp is een barst in de façade, een herinnering dat de drager van de open gulp naar de wc is geweest, of iets anders heeft gedaan wat hij of zij liever verborgen houdt. In The Book of Emotions schrijft Salman Akhtar dat een belangrijk onderdeel van schaamte het gevoel is alleen te zijn. ‘Je open gulp, de natte vlek op je broek en dat verschrikkelijke geluid van je doorgaans stille achterste, zijn van jou en jou alleen.’ In tegenstelling tot woede, verdriet en angst, schrijft Akhtar, ‘kan je schaamte niet met elkaar delen. Je moet het helemaal zelf dragen.’

Een open gulp kun je (in tegenstelling tot een natte vlek) het best zo snel mogelijk benoemen. Een discreet wijsvingertje zou voldoende moeten zijn. Als dat niet werkt, kan je nog altijd iets zeggen in de trant van ‘sorry, maar je gulp staat open’, op dezelfde manier waarop je iemand zou wijzen op broodkruimels in de mondhoek. Wat je ook doet, lach iemand niet uit. En begin helemaal niet over tocht.

Julien Althuisius

Beeld Jip van den Toorn

Bril

Als mensen er wat afwijkend uitzien, is het altijd verleidelijk om daar iets over te zeggen. Kijk die mevrouw met dat paarse haar, zie die kerel met dat volgetatoeëerde gezicht, die gast met z’n gigantische zonnebril, die chick met haar opgespoten hoofd. Niets menselijks is ons vreemd, en het is ook heel menselijk om het vreemde op te merken. Meestal gaat dat goed, maar soms kan het misgaan. Zo was er een twitteraar die kinderboekenschrijver Paul van Loon verweet altijd maar een zonnebril te dragen. ‘Paul van Loon met z’n stoere zonnebril in het Jeugdjournaal #rocknroll.’ Maar Paul van Loon bleek dat te doen omdat hij een oogziekte heeft. Een tijdje later plaatste deze zelfde twitteraar een fotocollage van mannen die sjaaltjes dragen – met onder anderen Matthijs van Nieuwkerk, Mart Smeets, Sven Kockelmann en Mario van der Ende – begeleid met de tekst ‘#stophetsjaaltje. Ook dit keer moest hij wat herstelwerkzaamheden uitvoeren toen hij er op gewezen werd dat Van der Ende een sjaaltje droeg omdat hij geopereerd was aan keelkanker.

Nu hadden Van der Ende en Van Loon waarschijnlijk niet meegekregen dat iemand op Twitter wat over ze had gezegd, dus hier is de schade redelijk beperkt gebleven (behalve dat de Volkskrant er vierenhalf jaar na dato nog aan refereert). Maar een directe opmerking kan wel wat pijnlijker uitpakken. Op Reddit, dat een goudmijn is voor anekdoten over ongemakkelijke situaties, vertelt Reddittor thidwhickthemoose over haar man, die op een ochtend bij zijn werk aankwam en op de lift moest wachten toen hij een man naast zich zag staan met zijn ogen halfdicht. ‘Hij sloeg die kerel op zijn rug en riep: ‘Hé, er wordt hier niet geslapen, hè! Look alive!’ De man bleek blind te zijn.

Wat opvalt bij anekdoten over dit soort ongemakkelijke situaties is dat degene die iets onhandigs heeft gezegd vaak zonder iets te zeggen de benen neemt – de haalbare variant van het gat in de grond waarin je wil verdwijnen. Maar ook hier is de beste en elegantste oplossing om je eigen fout te erkennen, de ongemakkelijkheid te benoemen, je excuses aan te bieden en dan pas op zoek te gaan naar een wormgat (‘O, wat dom van me. Het spijt me, dat was superlomp. Goed, dit is heel ongemakkelijk. Excuseer me, maar ik ga nu even een gat zoeken waarin ik kan verdwijnen’).

Julien Althuisius

Beeld Studio Ski

Waar kom je vandaan?

Probleem: Je bent op een sympathiek feestje met vrienden. Bijna iedereen werkt in de progressieve culturele sector. Ze drinken uit papieren bekers en eten met biologisch afbreekbaar bestek. Dit zijn vast GroenLinks-stemmers, denk je. Het enige verschil tussen jou en de rest: je hebt een lichtgetinte huidskleur en en donker haar. Maar hier maakt dat niet uit, hier is iedereen een Nederlander. Dus je gaat er lekker heen en eet nog een falafeltje.

Na een kwartier spreekt iemand je aan. Het wordt een knus gesprekje over werk en hobby’s, totdat je gesprekspartner opzichtig begint af te geven op PVV-stemmers en FvD-leiders. Je knikt vriendelijk, maar je voelt De Vraag al aankomen. Het duurt inderdaad niet lang. ‘En waar kom jij eigenlijk vandaan?’, vraagt de kombucha-theedrinker tegenover je. Je weet uit ervaring dat de vraag niet over je geboortestad gaat, maar een poging is om te achterhalen of je met je donkere smoelwerk nou Marokkaans of Turks bent.

Oplossing: Je kunt in een gespannen tango om je Nederlanderschap heen dansen door de vraag een beetje tof te omzeilen, maar dat kost je alleen maar tijd en energie. Ontspan, vertel maar wat je afkomst is en vraag waarom de ander dat wil weten. En vergeet niet dat je zelf ook zat vooroordelen hebt en mensen in hokjes stopt. Met je ‘dit zijn vast GroenLinks-stemmers’.

Nadia Ezzeroili

Beeld Liana Finck

De yogascheet

Er zijn mensen, best veel naar het schijnt, die tijdens de yogales in tranen uitbarsten. Ik heb dat één keer mogen aanschouwen. Er zijn ook mensen die tijdens de pilates- of yogales een wind laten. Ik heb dat meermaals gehoord. Dat je op je matje ligt in een moeilijke pose, de Eenpotige Koningsduif of de Happy Baby of zo, en er elders in het doodstille – want steevast muziekloze – zaaltje vol theelichtjes en boeddhabeeldjes een zachte maar duidelijke pfffft klinkt. Kan gebeuren. Maar gek genoeg is er dan nooit iemand die zegt: ‘oeps!’ of ‘sorry, jongens!’. Of een gesmoord giecheltje laat horen. Nooit.

De rest van de groep en de docent, zeker als het een ervaren groep en een doorgewinterde juf is, zegt ook niets. He-le-maal niets.

Ik vind dat reuze ongemakkelijke stiltes.

Het zal er mee te maken hebben dat in de yogafilosofie alles en iedereen ‘er mag zijn’. Een van mijn vroegere docenten zei graag en vaak: ‘Wat is, dat is’, en daar was natuurlijk geen speld tussen te krijgen. Speaking words of wisdom, let it be. Bovendien is de bedoeling van yoga dat je alle negatieve energie, spanningen en emoties leert losssslaten. Dat geldt kennelijk ook voor darmgassen en welgemanierdheid.

Tuurlijk, ik eet ook weleens bruine bonen met uien, of prei, maar als ik in de Extended Puppy zit en merk dat mijn darmen rommelen, doe ik mijn uiterste best om de nakende flatus binnen te houden. De sluitspier is ook een spier tenslotte, en ik ben in de sportschool om te trainen.

Het is niet dat ik het yogi’s die wél een ruft laten glippen kwalijk neem. We zijn allemaal mensen tenslotte, en een windje laten is een teken dat de spijsvertering werkt, dat je gezond bent.

Maar het gekke is: als die wind er ‘mag zijn’, is het dan niet ontzettend onaardig jegens de scheet dat niemand hem (haar?) vergoelijkt, benoemt, uitzwaait of begroet?

Ik moet op deze momenten altijd denken aan mijn schoonmoeder zaliger. Een geboren en getogen Enkhuizense, die het – mocht het al ter sprake komen – nooit had over een scheet laten maar ‘een skeet geven’. Wat je als je niet bekend bent met de Westfriese tongval zou kunnen verstaan als: ‘een skate geven’, maar daar heb je niets aan, want op één skate kun je niet schaatsen.

Maar goed, we dwalen af.

Terug naar dat ‘geven’, dat is verrassend verfrissend. Het plaatst het broekhoesten in een heel ander licht. Alsof het niet iets is wat je pardoes overkomt, maar wat je doelbewust de wereld in stuurt. Een cadeautje aan je omgeving.

Ik stel daarom voor dat we ‘sorry!’ en ‘oeps!’ inderdaad maar helemaal lossssssslaten. Dat we de afzender van de prot verder met rust laten. Hij of zij heeft de bijdrage immers al geleverd. Ik stel voor dat we ons als toehoorders van de scheet (of skeet) van onze beste kant laten zien. En bijvoorbeeld bemoedigend ‘santé’ of ‘gezondheid’ zeggen, net als bij een nies. Of een ferm ‘Welkom!’. Helemaal next level zou het zijn om, gezien het feit dat ons iets gegeven is, netjes dankjewel zeggen.

Maar misschien is het ook een idee om gewoon wél muziek te draaien.

Een blazersensemble. Of The Best of Earth, Wind & Fire.

Cécile Narinx

Beeld Paul Faassen

Over- of underdressed

Op een bijeenkomt verschijnen en je realiseren dat je totaal uit de toon valt door wat je aan hebt: dat is niet fijn en al helemaal niet feestelijk. Je voelt je als Bridget Jones in bunnykostuum op het tuinfeest tussen de bloemetjesjurken en kunt alleen maar tot Onze-Lieve-Heer bidden dat je snel de backward shuffle richting uitgang kunt doen.

Herkenbaar? Vast.

Rijst de vraag: is het erger om overdressed of underdressed ergens te verschijnen? Na lang nadenken vind ik: overdressed, omdat je dan meer in het oog springt dan als je underdressed bent. Bovendien is het makkelijker om een outfit snel op te pimpen dan om hem af te zwakken. Voorbeeldje: je verschijnt in een flamboyante panterprintjurk met pofmouwen op een receptie waar iedereen in minimalistische effen japonnen en pakken rondloopt. Dat kan, tenzij je de nieuwe Nel Veerkamp bent of wil worden, ongemakkelijk zijn. Andersom: als jij in een zwarte jurk verschijnt tussen de bloemen-, glitter- en Barbieroze jurken kun je altijd nog een paar hysterische oorbellen of een knoeperd van een ketting uit je tas vissen om jezelf iets aan te passen aan het umfeld.

Mijn brave, maar veilige advies is daarom: bij twijfel niet inhalen. Houd het rustig en simpel, maar zorg dat de basisingrediënten goed zijn. Als je niet kunt koken moet je je ook niet wagen aan Bocuses soupe aux truffes V.G.E., maar met spaghetti aglio e olio kun je bijna de bietenbrug niet op – mits je de goede ingrediënten kiest. De pasta is een puik zittend pak of passende jurk (zwart, donkergroen, donkerblauw of grijs zijn altijd goed), de kaas is een mooi paar gepoetste schoenen, de olie een bescheiden tas en de knoflook je juwelen – te doseren naar smaak. Daarmee, en met goed geknipt en gewassen haar en schone nagels, val je ook buiten Nederland, nergens uit de toon – wat je wél kan gebeuren als je in een snowwashed spijkerbroek met scheuren en op modderige sneakers of juist in een vacuüm getrokken pimpelpaarse latex jurk met verenboa naar een borrel gaat.

Mocht je dat allemaal belegen tips vinden, toch lekker puh in het knalpaars of in een pofpanterpak op een fuifje arriveren en daar iemand treffen met exact dezelfde uitdossing? Dan zit er maar één ding op: op je fashion twin afstappen en haar hartelijk feliciteren met haar fan-tás-tische smaak.

Cécile Narinx

Beeld Paul Faassen

Hoe maak je een vriendschap uit?

Ze praatte alleen maar over zichzelf. Elke keer als we samen sushi hadden gegeten tussen de plastic orchideeën van het all-you-can-eatrestaurant waar zij altijd heen wilde, voelde ik me na afloop een beetje misselijk: onze vriendschap was een vergissing. Ik wilde haar drama’s en bekentenissen, puur geuit om een soort valse intimiteit te creëren, niet meer, maar net als met een liefde had ik onze vriendschap al wel geconsumeerd door haar geheimen te ontvangen en de mijne uit me te laten trekken, elke keer weer aangemoedigd door de dure, vieze witte wijn in het restaurant met de paars fluwelen banken. Het was dus ook mijn schuld. En nu wilde ik er vanaf, maar ik lag er net zo wakker van als bij het verbreken van een verkering: hoe moest ik vertellen dat ik haar wilde verlaten nu onze levens al zo verstrengeld waren? Hoe zeg je op een aardige manier dat iemand, o nee sorry, tóch niet voldoet?

Vriendschap is liefde zonder seks, schrijft Beatrijs Ritsema in Het grote etiquetteboek, maar in tegenstelling tot een huwelijk of een verkering kun je volgens Ritsema de intensiteit van een vriendschap best een beetje op- of terugschroeven, als naar gelang van je levensfase. Dat maakt daadwerkelijk uitmaken misschien wel niet nodig: het zou goed kunnen dat de dynamiek na een jaartje afstand compleet veranderd is, en de vriendschap daarmee weer werkt. In de woorden van Godfried Bomans: ‘Voor vriendschap is de tijd een bondgenoot, voor de liefde een gevaar.’ Helpt dat niet, dan kun je de relatie altijd nog verbreken met een eerlijk gesprek, heb ik geleerd na 30 jaar vrouwenbladen lezen. Daarin maak je de ander geen verwijten, maar, zoals ze dan zeggen, houd je het bij jezelf: ik merk dat ik geen plezier meer uit onze vriendschap haal, dus het lijkt me beter als onze wegen zich scheiden.

Mijn ex-vriendin is inmiddels verhuisd naar een andere stad en heeft een dochter gekregen, zag ik op Facebook. Want natuurlijk was ik niet zo moedig om haar onder ogen te komen. Ik heb het enige gedaan wat je in de liefde níet kunt doen: onze relatie laten doodbloeden. Steeds korter reageren op appjes, voorstellen om weer eens sushi te gaan eten, beantwoorden met ‘ik kijk straks even wanneer ik kan’ en dan nooit meer wat laten horen. Je kunt het ghosting noemen, al vindt Ritsema het te verkiezen boven een harde breuk: ‘Bij vriendschappen wordt eerlijkheid niet gewaardeerd, het leidt alleen maar tot boosheid bij degene die wordt ontvriend.’ Bovendien, zei socioloog Gerard Mollenhorst in de Belgische krant De Morgen, ‘verglijdt het leeuwendeel van vriendschappen simpelweg in sluimermodus’. Hij onderzocht de vriendschappen van ruim duizend mensen. Toen hij jaren later weer bij ze terugkwam, bleek de helft ervan gesneuveld.

Mijn nooit afgeronde vriendschap rot echter door als een stukje rauwe vis dat tussen een fluwelen bank is gevallen, gedoemd om voor eeuwig te blijven stinken. Minstens een keer per week vrees ik haar op straat te zien, of in de tram, of per ongeluk op haar Linkedinprofiel te klikken zodat zij dát weer ziet – en dan? Kijk ik in het echt ook straal door haar heen, of besluiten we tot een zeer ongemakkelijk kopje koffie waarna ze me zelfs dít geheim ontfutselt?

Als je dit leest, ‘Michelle’: het spijt me. Ik voel me nu al langer schuldig dan we ooit vrienden zijn geweest.

Margot C. Pol

Beeld Nastia Cistakova

Om 5 uur weg moeten om je kind op te halen

Om 5 uur ’s middags van kantoor weggaan om mijn kind op te halen van het kinderdagverblijf: ik vind het elke dag weer extreem ongemakkelijk. Alsof ik de kantjes ervan af loop, als ik mijn jas al aantrek terwijl iedereen nog in het volle tl-licht zit te tikken – bij een ochtendkrant wordt tot laat gewerkt. Maar elke middag weer uitleggen dat ik nu eenmaal mijn kind moet ophalen omdat het anders met een zeer geïrriteerde leidster van het kinderdagverblijf op me zit te wachten, en dat ik daarom vanochtend echt al vroeg aanwezig was terwijl kleuterloze collega’s thuis nog rustig een hapje kwark namen, is natuurlijk stom. ‘Koffie?’, appte ik een tijd ostentatief om kwart voor 9 in de bedrijfsappgroep. Het deed niet voor mijn reputatie wat ik hoopte.

‘Het verlangen om bij je kinderen te zijn en de ambitie die je carrière voortstuwt, zijn twee conflicterende belangen’, verwoordde The Guardian een paar jaar geleden maar weer eens het eeuwige dilemma. En dan heb ik zelf nog niet eens te maken met studiedagen van de juf of meester, eindmusicals, optredens en alle schijnbaar 98 vakantiedagen die basisschoolouders maar weer in moeten zien te passen. Tegelijkertijd zorgen kinderen natuurlijk ook voor balans, betoogde trainer/coach Caroline Schenk-Kwint in de Intermediair-podcast Work in progress. Omdat je ze nou eenmaal op moet halen, dwingen ze je tot efficiënter werken, en inderdaad: vaak ben ik rond 5 uur best wel klaar en anders is er thuis altijd nog de laptop. Maar daar gaat het niet om. Image is everything en wie zien de collega’s, de chef en de nieuwe hoofdredacteur om 5 uur haar fietssleutel zoeken? Dat klaplopende wezen met die wallen. Een smoesje bedenken dan maar? Je kunt nog beter zeggen dat je je hond naar de dierenarts moet brengen dan dat je je zieke kind op gaat halen, beschreef een Australische columnist het carrièreadvies dat ze ooit kreeg: anders val je voor eeuwig in de categorie: ‘moeder, dus laat maar zitten die promotie’. En wegsluipen via nooduitgang en trappenhuis? Kan, maar daarmee maak ik mezelf sociaal onzichtbaar, ook niet zo handig in de kantoorpolitiek.

Daarbij ondermijnen smoesjes en onzichtbaarheid natuurlijk het enige wat er écht opzit: iets veranderen in hoe we met kinderen en werk omgaan. Waarom bestaan er bijvoorbeeld niet meer bedrijfscrèches, of beter nog: waarom houden we zo krampachtig vast aan werkdagen van acht uur? Breng het terug naar vijf of zes en zie: massa’s banen erbij, minder burn-outs, weg werkeloosheid. Twintig uur per week zou eigenlijk de norm moeten zijn voor de hedendaagse mens, zei evolutionair psycholoog Mark van Vugt recent in Psychologie Magazine: meer werken past niet bij ons oerbrein. En natuurlijk: wie wil, mag best langer achter de computer zitten. Maar de daling in inkomen die zo’n kortere dag oplevert, zou ik persoonlijk graag voor lief nemen in ruil voor een schuldloze exit.

Terwijl ik hier hardop over nadenk, kijkt een collega me verbaasd aan: ‘Ga jij elke dag om 5 uur de deur uit? Joh, dat heeft toch niemand door.’ Ik weet niet of dat helpt.

Margot C. Pol

Beeld Jip van den Toorn
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden