Eenzaamheid en educatie

Het voormalige gevangeniseiland voor de kust van Kaapstad is een veelbezochte attractie. Nell Westerlaken duikt in de massa, maar krijgt pas iets mee van het pijnlijke verleden als ze alleen door de gangen dwaalt....

Het licht is melkachtig, de nevel dun. Meeuwen zweven op de thermiek naast de boot alsof ze worden meegetrokken aan onzichtbare touwtjes. Door de mist verdwijnt het silhouet van Kaapstad met de alomtegenwoordige Tafelberg uit beeld. Het eiland dat een half uur later tevoorschijn kruipt, oogt weinig spectaculair: struikgewas, een met keien afgezet havenhoofd, een dorp, een kerktoren, aalscholvers.

Het is rustig aan dek. De meeste passagiers zitten binnen en kijken naar een documentaire. Ze waren vrolijk aan boord gestapt in Kaapstad, ze zijn stil als aan het einde van de film het Nkosi Sikelel’ iAfrika klinkt, het vroegere strijdlied van de anti-apartheidsbeweging dat nu onderdeel is van het meertalige Zuid-Afrikaanse volkslied. Sommigen neuriën mee; het lied lijkt de uitwerking te hebben van een gebed.

De 466ste gedetineerde die in het jaar 1964 naar Robbeneiland werd gebracht, was de advocaat en ANC-leider Nelson Rolihlahla Mandela. Achttien jaar zou gevangene 466/64 doorbrengen in een extra beveiligd cellencomplex, sectie B. ‘Als ik ging liggen, kon ik met mijn voeten de muur voelen, en mijn hoofd raakte de betonnen wand aan de andere zijde’, schreef hij later. ‘De muren waren altijd vochtig.’

Robbeneiland groeide in de jaren zeventig en tachtig uit tot mondiaal symbool van lijden en verzet. Tegelijk belichaamde het een droom: die van de ultieme overwinning op de apartheid. Toen voormalig gevangene 466/64 in 1994 het presidentschap van Zuid-Afrika aanvaardde, ging die droom in vervulling. Het was Robbeneiland – ‘een leerschool’, zou hij later verklaren – dat de bruggenbouwer in hem wekte. Op Robbeneiland werd hij gevormd tot vader van de Zuid-Afrikaanse ‘regenboognatie’.

Alleen zijn naam is voldoende om massa’s toeristen te trekken. Naar het bescheiden huisje in Soweto waar hij ooit woonde, en naar het eiland waar de boot nu aanlegt.

Eenmaal aan wal keert de schoolreisstemming onder de bezoekers terug, niet in het minst door de matte routinegrappen van de gids die zijn gehoor eerst heeft geïnventariseerd: ‘Welcum’ ladies ’n gemmun, welkom kaaskoppen uit Holland, gauchos uit Argentinië en fellow-South-Africans, welkom op Robbeneiland. We sluiten u allemaal op. Accommodatie genoeg.’ Bussen staan klaar om de massa – want dat is het – over het 574 hectare metende eiland te voeren.

Het beruchte cellencomplex is voor het laatst bewaard tijdens de eilandtour, die begint met verwarring over de bussen. Er is niet voor iedereen een zitplaats, onze bus wordt haastig volgepropt terwijl de gids al is begonnen met zijn verhaal.

Het lijkt een wrang gegeven dat een aantal eilandgidsen voormalige politieke gevangenen zijn die dagelijks hun gruwelijke ervaringen vertellen aan vreemdelingen. Maar de onze – ‘mijn naam is Sedick Levy, gevangene nummer 60/63’ – ontleent er een bescheiden heldendom aan: ‘Dit werk is voor mij een eeuwigdurende therapie. Elke dag zie ik mensen ontroerd raken, zwart en blank. Elke dag zie ik verzoening en broederschap, dankzij onze strijd.’ Sedick Levy preekt dagelijks broederschap, het is zijn brood.

Het valt niet mee om staande in een volle bus veel op te vangen van het uitzicht; Zuid-Afrikaanse jurken en Argentijnse achterwerken belemmeren het zicht. Van het landschap krijgen we dit mee: een ruige, stenige omgeving begroeid met jeneverbesachtige struiken. Aan de zeezijde is een tapijt van kelp te zien dat meedeint op de golfslag. Twee bibberende pinguïns staan dicht bijeen onder een boompje. Een konijn hipt weg, een verre nakomeling van de knaagdieren die Nederlandse kolonisten hier uitzetten in de 17de eeuw.

De geschiedenis van het eiland, 12 kilometer uit de kust, is veel ouder dan die van het apartheidsregime. Sinds de VOC-tijd eeuw werd Robbeneiland gebruikt voor het isoleren van lepralijders en gevangenen. In 1959 besloot het apartheidsregime er een extra beveiligde gevangenis te vestigen voor politiek gedetineerden. ‘Door de afgelegenheid was het niet zo maar een andere gevangenis’, schreef Mandela, die er al enkele van binnen had gezien, ‘maar een wereld op zichzelf, ver verwijderd van die waar wij vandaan kwamen.’

Het leprozenkerkhof, het dorp waar eens de blanke bewakers woonden, de garnizoenskerk en de vuurtoren zijn voor de bezoekers nauwelijks aanleiding hun camera’s tevoorschijn te halen. Gefotografeerd wordt er pas bij de kalksteengroeve.

De grijswitte wand is uitvoerig beschreven door dwangarbeiders. Mandela noteerde in zijn autobiografie Long walk to Freedom: ‘De groeve zag eruit als een enorme witte krater, uitgehakt in de rotsige wand. De wanden en de basis van de heuvel waren verblindend wit.’

Dertien jaar moest hij er werken, nadat hij de eerste periode op het eiland stenen had fijngehakt op een ommuurde binnenplaats zonder uitzicht. Hij was blij met zijn overplaatsing, het veel zwaardere werk ten spijt. ‘Ondanks onze bloedende en met blaren bedekte handen, voelden we ons gestimuleerd. Ik gaf er de voorkeur aan in de natuur te zijn, (...), om te kijken naar de overvliegende vogels, om de wind te voelen waaien uit de richting van de zee.’ Uitgeput en witbestoft als spoken keerden de gevangenen ’s avonds terug naar hun cellen, met tranende ogen, sneeuwblind haast, van het helle licht.

Levy wijst op een uitgehakte grot. ‘Dat was een deel van onze universiteit, die we nu de Mandela Universiteit noemen.’ De gevangenen, die tot begin jaren zeventig geen boek of krant onder ogen kregen, ontwikkelden een clandestien educatiesysteem, each one has to teach one. In de groeve probeerden ze stukjes krant te bemachtigen waarin de bewakers hun boterhammen hadden verpakt; een snipper van de buitenwereld.

Het cellencomplex van Robbeneiland kan in die jaren weinig van zijn naargeestigheid hebben verloren. Wachttorens, barakken, hekken, grauw en kil.

Door de hoog geplaatste, betraliede ramen van de slaapzalen waar gevangenen met een minder streng regime gezamenlijk werden ondergebracht valt nu een bleek licht.

Een nieuwe gids geeft hier uitleg. ‘De grootste fout die de blanken maakten, was om ons gezamenlijk onder te brengen. We bedachten slinkse manieren om informatie tussen de afdelingen uit te wisselen en stimuleerden elkaar om vol te houden.’

In de douches bleef tot laat het licht branden, ‘daar konden we onze educatie voortzetten zonder dat de bewakers erachter kwamen.’ Hij wijst op een luidspreker aan de muur. ‘Door de intercom kregen we bevelen toegesnauwd. Het werkte twee kanten op, zodat ze ons konden afluisteren. Maar we bouwden er kistjes omheen, om ze om de tuin te leiden.’

De gids moet luid praten om het geroezemoes van zijn bezoekers te overstemmen. Achter hem hangt een bord met de dagelijkse voedselporties die de gevangenen werden toebedeeld. De rassendiscriminatie werd weerspiegeld in het menu. Kleurlingen en Indiërs kregen iets beter te eten dan zwarten. De autoriteiten spraken van een uitgebalanceerd dieet, schreef Mandela. ‘Uitgebalanceerd – tussen niet te verteren en oneetbaar.’

Maar noch de verhalen over het rauwe verleden, noch de spartaanse gangen en zalen, kunnen vandaag veel beklemming teweegbrengen. Daarvoor is de tour te gehaast, de groep te groot en zijn de verhalen te routinematig.

Wie zich onttrekt aan het gezelschap en door de lege gangen wandelt, wie de kans krijgt om een moment alleen op de afgesloten binnenplaats te staan en naar de hoge muren en de meeuwen erboven te kijken, begrijpt iets meer van de totale isolatie en de wanhoop.

‘De tijd vertraagt in de gevangenis’, schreef Mandela, ‘de dagen schijnen eindeloos. Het cliché dat de tijd langzaam gaat, heeft meestal van doen met luiheid en inactiviteit. Maar dit was niet het geval op Robbeneiland. We waren bijna altijd bezig met werk, studie, het oplossen van geschillen. Niettemin ging de tijd heel langzaam voorbij.’

De gang waar Mandela en vele andere anti-apartheidsstrijders in aparte cellen werden opgesloten vult zich met toeristen. Voor de cel van gevangene nummer 466/64 ontstaat een opstopping. Iedereen wil een blik naar binnen werpen, door de traliedeur. Een lichtgroen met wit minikamertje; een toiletemmer, een kruk met twee paardendekens, een tafeltje met een metalen mok. Hier is het dan. Dit is de plek waar de ‘ziel van de anti-apartheidsstrijd’ tot bloei kwam.

Iedereen wil een foto maken van de kleine cel waar die grote man jaar na jaar doorbracht en van waaruit hij ongebroken tevoorschijn kwam. De gids maant tot doorlopen, de boot wacht.

Als de Tafelberg weer verschijnt uit de mist – het uitzicht dat voor veel gevangenen zowel hoop belichaamde als een onbereikbare wereld – laat een toerist zich aan dek fotograferen. Hij draagt een nieuw T-shirt: no struggle has ever been won from outside, it’s won from within.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.