de gids balkontips

Een balkon met 55 personages, van zorgenkindjes tot stoere karakters

Geen tuin, maar wel de behoefte om gastheer te zijn voor allerlei planten en dieren? In deze serie laat Caspar Janssen zien hoe zelfs een klein stadsbalkon mooi en nuttig wordt. Deel 6: Twijfels en zorgen over de verzameling planten, maar in grote lijnen staat alles er fantastisch bij.

Beeld Rebecca Fertinel

Het is zover, ik ben compleet. Ik heb een tableau de la troupe, een verzameling van rond de 55 plantensoorten. Dit kleine legertje moet het gaan doen, meer grondtroepen kan ik niet kwijt. Hoogstens komen er nog een paar plantjes bij in verticale zin, al wil ik de net opnieuw geschilderde muur niet al te veel beboren en behangen. Er zijn grenzen. Op één na alle balkondeuren zijn inmiddels geblokkeerd en het met de gieter manoeuvreren tussen de planten is al een acrobatische toer geworden.

Zo maak je een vlinder- en bijenvriendelijk stadsbalkon

Caspar Janssen probeert dit voorjaar en deze zomer een vlinder- en bijenvriendelijk stadsbalkon te creëren. Hij doet tweewekelijks verslag van de ontwikkelingen

Voor mijn gevoel is het seizoen al een eeuwigheid gaande, maar strikt genomen staat het nog aan het begin. Sinds een week of twee zie ik hier pas gierzwaluwen. Ze vliegen laag, tussen de huizen soms, het voedselaanbod (insecten) hoog in de lucht is blijkbaar nog niet overweldigend. Het hoogtepunt moet nog komen. Op mijn balkon zijn de vroege voorjaarsbloeiers – longkruid, gele dovenetel – nu uitgebloeid, een paar voorjaarsbloeiers verliezen hun laatste bloemen.

Bij mij slaat de twijfel toe. Is dit wel het goede pakket aan planten? Is er op elk moment van het jaar wel voldoende voedselaanbod? Kan ik de bijenboog gespannen houden? Wat als de drie smeerwortels, tot nu toe mijn succesnummers, zijn leeggegeten? Dat is nu aan de hand. De hele dag door zijn de akkerhommels, weidehommels en af en toe een aardhommel met de bloemen in de weer, maar het lijkt wel alsof ze steeds wanhopiger en haastiger de overgebleven bloemetjes afschuimen. Ook de beemdkroon heeft niet veel nectar en stuifmeel meer te bieden. Gelukkig houdt de witte dovenetel het langer vol dan ik had verwacht. En ook de echte koekoeksbloem biedt nog soelaas.

Ik begin de planten soms te zien als personages, als karakters, met ieder een eigen rol in een deel van het toneelstuk. Nu komt bijvoorbeeld de veldsalie op, opeens in bloei, ook weer paars. De veldsalie doet zijn werk, de hommels hebben er een ankerpunt bij.

Kommazweefvlieg op echte koekoeksbloem. Beeld Caspar Janssen

Maar ik maak me dus toch zorgen. Die verzameling planten is niet met heel veel overleg ontstaan. Het is meer het resultaat van haastige beslissingen die ik in alle onwetendheid nam op basis van een advies hier of daar, of iets wat ik her en der las. En ik kreeg eens een plantje hier, of wat zaadjes daar. Wel allemaal bijen- en vlinderplanten, zoveel mogelijk inheems ook, vaak wild, en altijd biologisch en gifvrij (tip 1 t/m 5). Maar toch. Het gaat er niet alleen om wat spectaculaire bijen- en vlinderplanten neer te zetten of in te zaaien, nee, de kunst is om gelijkmatig over het seizoen een goed aanbod van bloeiende planten te hebben.

Meer informatie zoeken. Ik verdiep me in schema’s, in bloeikalenders die ik heb verzameld of die ik op internet vind. Het lijkt wel mathematica, al die tabellen, grafieken, namen en bijbehorende bijen- en vlindersoorten, bloei- en vliegtijden. Ingewikkeld en tegelijkertijd opwindend. Als je een groot stuk grond zou hebben, met verschillende bodemsoorten en microklimaatjes, zou je op basis van al die informatie het ultieme beestjesparadijs kunnen maken. Ik zie ook een superorganogram voor me, waarin alle bijen-, vlinder- en zweefvliegsoorten en alle inheemse wilde planten voorkomen, door het jaar heen. Duizenden soorten in één afbeelding, met plaatjes, en dan over een hele wand in een natuurmuseum.

Beeld Rebecca Fertinel

Goed, ik draaf door. Terug op aarde, naar het balkon. Naar mijn 55 plantensoorten, mijn pionnen op het schaakbord. Ik scan de bloeikalenders op die soorten. En ik zie dat ik – ik weet niet of het toeval is – toch aardig goed zit. Een aardige mix van voorjaars-, zomer- en najaarsbloeiers. En een paar struiken en planten die nog kunnen dienen als waardplant of drachtplant, om straks te overwinteren. De aalbes en vuurdoorn die nog vogels gaan lokken, vogels die kunnen helpen om zaadjes te verspreiden. Mijn wilgentak die hard op weg is boom te worden en die al vroeg in het volgend voorjaar voedsel levert. Hoogstens zou er nog een goede najaarsbloeier bij kunnen. Goed, van sommige soorten zou je kunnen zeggen dat die normaal gesproken nooit op een balkon zouden staan, of in de stad, of in dit deel van het land, maar ja, te wetenschappelijk hoeft het nu ook weer niet te worden.

Gewone geurgroefbij op beemdkroon. Beeld Caspar Janssen

Vogels voeren

In de vorige aflevering stopte ik met het voeren van vogels, alleen een houdertje met zaadjes liet ik nog even hangen. ‘Geen nootjes voeren in het voorjaar’, drukte iemand me op het hart. Want jonge koolmeesjes kunnen daarin stikken. Dat wist ik al, maar het kan geen kwaad om het nog even te vermelden: geen nootjes voeren in het voorjaar. Sowieso leven meesjes in het voorjaar vooral van insecten. Wat betreft het principe van voeren van vogels in tuin en op het balkon: er zijn drie scholen en een schooltje. School 1 keurt het voeren van vogels af, gewoon nooit doen, want niet natuurlijk, verstoring van evenwicht, et cetera. School 2 keurt vogels voeren in de winter goed, want dan is er weinig voedsel. School 3 voert ook in het voorjaar, want al die in de winter bijgevoerde vogels hebben geleid tot grotere overleving, en al die meesjes krijgen ook nog eens jonge meesjes, dus is er ook in het voorjaar extra voedsel nodig, bijvoorbeeld in de vorm van meelwormen. Schooltje 4 voert gewoon het hele jaar door, want dat garandeert een permanente nabijheid van vogeltjes. Zelf behoor ik tot geen enkele school, of tot alle scholen. Wel is het in het kader van dit project mooi meegenomen als ook vogels mijn balkon frequenteren.

Gerustgesteld het balkon weer op. Om nieuwe soorten te ontdekken, om een zonnebloem overeind te zetten – soms vallen ze gewoon om – om te zien dat de vuilboom (sporkehout) ook in bloei komt en is ontdekt door hommels, zweefvliegen, luizen en lieveheersbeestjes. Personages worden het dus, de planten, karakters. Er zitten zorgenkindjes tussen, zwakke broeders. De beemdooievaarsbek, die af en toe lijkt in te zakken, de akelei die niet echt opschiet, de judaspenning die het lang slecht deed, maar nu eindelijk begint op te komen. Stoere karakters zijn er ook: de ijzerhard die fier overeind staat, de aalbessen die stevig uitdijen.

Beeld Rebecca Fertinel

Een softe bezigheid, dat gedoe met die plantjes en die beestjes, zo zullen veel mensen het zien. En dat klopt, dit is keihard een zo zacht mogelijk project. Geen politiek, geen loopgravenoorlog tussen natuurbeschermers en boeren over het verlies aan soorten, geen cynisme. Gewoon zelf iets doen. Ingebed in een vruchtbare omgeving, moet ik zeggen, want Amsterdam doet het best goed, sinds een jaar of vijftien. Bloemrijke bermen en parken met inheemse planten, geen gifgebruik meer in de openbare ruimte, een subtieler maaibeleid. Er zijn inmiddels rond de 100 wilde bijensoorten in Amsterdam, een flinke stijging sinds 2000, dat gaat aardig tegen de landelijke trend in.

Maar ja, waar ik dan vervolgens naar kijk op het balkon zijn wrede taferelen. Strijd om te overleven, seks met de dood die op de loer ligt. Wat ik eigenlijk doe is het faciliteren van die overlevingsstrijd van honderden soorten. Op een dag zie ik dat het tot nu toe zo onopvallende zonneroosje een bloem heeft, rood. Helemaal open staat de bloem, met de stamper omringd door meeldraden. Uitnodigend, nu is het toch echt de bedoeling dat een bij of een andere bestuiver het stuifmeel gaat verspreiden, in het kader van de voortplanting. Anders is het leven van deze plant toch voor niets geweest. Maar er meldt zich geen bij en na een paar dagen open en dicht gaan van de bloem lijkt er nog geen stuifmeel verspreid. Wel verliest de bloem blaadjes. De zaak is nog niet verloren, maar een plant die zich zo uitslooft voor niets, daar zie ik de tragiek wel van in.

Beeld Rebecca Fertinel

Nog zoiets: voor ons zijn al die kleurige en fleurige planten vooral mooi om te zien, maar de enige reden voor al die planten om allerlei kleuren en vormen aan te nemen is aandacht trekken. In tientallen miljoenen jaren ontwikkelde strategieën om zich te onderscheiden van andere planten, om bijen en andere bestuivers te lokken die hun stuifmeel kunnen verspreiden en – hopelijk – naar een stamper, het vrouwelijke geslachtsorgaan van een andere plant te brengen. Dat gebeurt ook wel door de wind, maar die methode is zo inefficiënt dat planten zijn begonnen met het lokken van bestuivers. Dat vergt creativiteit, het specialiseren in kleur, geur en vorm. Op hun beurt specialiseerden bijen zich in verschillende planten en in methoden om stuifmeel en nectar te verzamelen, door beharing en de vorm en lengte van hun tong. Zo evolueerden ze tot vele verschillende soorten, met al die kleuren, geuren en vormen dus. En al die soorten bij elkaar zorgen dan weer voor de bestuiving van onze voedselgewassen.

Sluipvlieg Beeld Caspar Janssen

De buxus, de buxusmot en de dode mezen

Zelf ben ik niet zo’n liefhebber van buxushagen, maar om nu te beweren dat de buxus niet inheems is, zoals ik in de vorige aflevering deed, gaat wat ver. De buxusfamilie heeft veel loten aan de stam en een van die loten, de Buxus sempervirens, komt wel degelijk van nature in West-Europa voor. De buxusmot daarentegen – die buxushagen aantast – is wel een (invasieve) exoot, oorspronkelijk uit Azië, en in 2006 onbedoeld geïntroduceerd via verpakkingshout uit Azië. De buxusmot heeft zich sindsdien razendsnel over Europa verspreid. Het lijkt erop dat – onder andere – mezen de rups van de buxusmot inmiddels hebben ontdekt als voedsel. Dat is een van de redenen waarom het gebruik van insecticiden bij de bestrijding van de buxusmot ernstig is af te raden. Overigens hebben koolmezen ook geleerd om de harige eikenprocessierups te eten. Op sommige plekken in Nederland worden nu nestkastjes voor koolmezen geplaatst om de eikenprocessierups te bestrijden.

Snorzweefvlieg Beeld Caspar Janssen

Goed, 55 personages dus, waarvan sommige soorten in meerdere aantallen aanwezig zijn. De ontwikkelingen op het balkon. In grote lijnen staat alles er fantastisch bij, vind ik zelf. De eerste, nog groene bessen in de aalbes! Lichte zorgen over de vlindermengsels die ik veel te overvloedig en te dicht op elkaar heb ingezaaid; ik vermoed dat sommige soorten andere gaan overwoekeren. De Oost-Indische kers (fijn voor het najaar) wil nog niet ontkiemen. De smeerwortels hebben luizen, een van de aalbessen ook, en het aantal lieveheersbeestjes neemt evenredig toe. De laatste weken helaas alleen het Aziatische lieveheersbeestje, in vele gedaanten. Een uitheemse, agressieve predator, ooit geïntroduceerd als effectieve bestrijder van bladluizen, in kassen en voor laanbomen. Al snel bleek dat het Aziatisch lieveheersbeestje ook de larven van inheemse lieveheersbeestjes at, inmiddels staat de introductie te boek als vergissing. Maar goed, ze doen hun werk, hier en nu. Andere ontwikkelingen: de junidip onder vlinders is vroeg begonnen. Slechts een enkel koolwitje en wat boomblauwtjes. Ook qua bijen is het rustig, al kan ik een nieuwe soort bijschrijven, een gewone geurgroefbij op de beemdkroon. En net als ik me afvraag of ik nog eens andere hommels te zien krijg dan de akkerhommel, de weidehommel en de aardhommel, vliegt er een afwijkend exemplaar tussen de smeerwortels. Witte kont, zwart achterlijf, oranjebruin behaarde borst. Kan niet missen: de boomhommel! Die had ik nog niet.

Maar het mooiste vind ik dat het zo onaanzienlijke plantje dat zich vorig jaar spontaan in een van mijn plantenbakken vestigde, floreert en nu in bloei komt: het vlasbekje. Een algemene soort, die je overal op zandgronden kunt zien, in bermen en in duinen. Maar vooral een fijn plantje voor hommels en andere bijen, en waardplant voor tal van (nacht)vlinders. Een welkom personage.

Beeld Rebecca Fertinel

Nieuw geïdentificeerde soorten

- boomhommel
- gewone geurgroefbij (vrouwtje)
- huiszebraspin
- kommazweefvlieg (Eupeodes sp.)
- sluipvlieg (familie Tachinidae)

Nieuwe planten op het balkon

- Nagelkruid (oranje). Al in bloei gekocht, in een opwelling, in het tuincentrum, bij de biologische afdeling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden