Doordringen tot het hart van Tibet

DE MEEST excentrieke onder de avonturiers die ruim een eeuw geleden probeerden Lhasa, de hoofdstad van het verboden Tibet te bereiken, hadden - hoe kan het haast anders - de Britse nationaliteit....

Met voldoende proviand en munitie, plus de bereidheid desnoods elk tegenwerkend individu op hun pad schaamteloos om te kopen, zou de expeditie ongetwijfeld slagen, meende Littledale. Hij ging hiermee achteloos voorbij aan zeven eerdere onfortuinlijke pogingen van buitenlanders om de hoofdstad van de Himalaya-staat te bereiken. Iets té achteloos.

Niet alleen werden de Britten op grootse wijze bedrogen door een deel van hun karavaanpersoneel, ook werden na een paar weken de lastdieren en de als proviand meegenomen schapen opgevreten door de wolven, voorzover de dieren al niet waren omgekomen in de ijzige kou. De Littledales wisten zich in leven te houden met blikjes Silverdales zelfverhittende soep.

Toen in arren moede werd besloten zoveel mogelijk bagage, inclusief kleding, achter te laten, mocht het overgebleven personeel de Britse kleren hebben, op voorwaarde dat ze een soortgelijk kledingstuk uit hun inheemse tenue achterlieten. Het was een tikkeltje moeilijk, constateerde de landheer luchtig, 'om het juiste equivalent voor bepaalde dameskleren vast te stellen'.

Hoe dichter bij Lhasa, hoe vaker de slinkende karavaan werd tegengehouden door Tibetaanse soldaten, totdat ook de Littledales onverrichter zake moesten omdraaien. Een blik op de hoofdstad, de zetel van de dalai lama, was hun niet gegund, laat staan de gedroomde ontmoeting met deze geheimzinnige leider, ook al liet Littledale het gerucht verspreiden dat zijn vrouw een zuster was van koningin Victoria zelf.

Het barre avontuur leverde hem uiteindelijk een gouden medaille op van de Royal Geographical Society in Londen, de hond ontving het erelidmaatschap en een zilveren halsband, maar neef William moest eerst nog een heldendaad verrichten in de Boerenoorlog, voordat ook hij een onderscheiding kreeg. Over enige publieke waardering voor mevrouw Littledale is niets bekend. .

In De weg naar Lhasa beschrijft Peter Hopkirk de pogingen die eind negentiende, begin twintigste eeuw werden ondernomen door te dringen tot het hart van Tibet. Om zijn religie en cultuur te beschermen liet het koninkrijk in de Himalaya geen buitenlanders toe, behalve Chinezen. De dalai lama, de religieus-politiek leider, was bang voor de expansiedrift van zowel Rusland als Groot-Brittannië, dat vanuit het aanpalende India zijn blik op het Oosten had laten vallen.

Het gebrek aan grensbewakening werd ruimschoots gecompenseerd door moordlustige stammen en struikrovers, die de ruige grensstreken tot hun werkterrein hadden gekozen. Verder moesten reizigers bereid zijn zeer lage temperaturen, barre sneeuwstormen, haast onbegaanbaar terrein en uiterst primitieve omstandigheden voor lief te nemen, naast het eeuwig dreigende gevaar te worden opgepakt.

Hoe dichter men Lhasa naderde, hoe groter de kans op ontdekking door soldaten of gezanten van de regering. Wie geluk had werd teruggestuurd, wie pech had werd omgebracht. De straffen waren niet mals. Hoewel er bij het waarheidsgehalte van zijn memoires vraagtekens worden geplaatst, beschrijft de Brit Henry Savage Landor in zijn gruwelverhaal hoe hij tijdens een tocht naar Lhasa in 1897 vernuftige martelingen onderging. Hij werd onder meer gedwongen een ponyrit te maken op een zadel doorboord met spijkers.

Uiteindelijk wist een boeddhistische monnik uit Japan de Tibetaanse hoofdstad als eerste te bereiken. Hij bracht er enkele maanden door en wist zelfs een audiëntie te regelen met de dalai lama. Deze Ekai Kawaguchi bereikte Lhasa in maart 1901 na vier jaar reizen en studeren in kloosters onderweg. Hopkirk beschouwt hem echter niet als 'winnaar van de race naar Lhasa', omdat hij als Aziaat ruim in het voordeel was ten opzichte van westerse - voornamelijk Russische, Britse en Franse - mededingers. Het is een vraag die er ook weinig toedoet, blijkt uit zijn fascinerende en met humor geschreven boek.

De invloeden van buiten waren uiteindelijk ook in de moeilijk toegankelijke bergstaat niet tegen te houden. De geschiedenis leert dat het vele decennia later uitgerekend de Chinezen waren die er onherstelbare verwoestingen aanrichtten. China bezette het land in 1950 en voerde precies veertig jaar geleden dusdanige 'democratische hervormingen' door dat het land er cultureel nooit meer bovenop zal komen.

Het verslag van Kawaguchi verscheen in vertaling onder de titel Drie jaar in Tibet bij uitgeverij Atlas in het kader van een Himalaya-boekenactie. In het bijbeldikke relaas beschrijft de Japanse monnik vrijwel elk detail van zijn reis, die was ondernomen uit religieuze nieuwsgierigheid naar stokoude boeddhistische manuscripten.

Kawaguchi gaf zich uit voor een Chinese arts-monnik. Niet alleen maakte hij zich het Tibetaans eigen, zijn Chinees moest geheel vlekkeloos zijn om undercover Lhasa te kunnen bereiken.

Zijn verhaal is des te fascinerender omdat hij als boeddhist en Aziaat naar Tibet kijkt, en dus niet elk ritueel als een exotische openbaring beschouwt zoals indertijd veel van zijn westerse collega's. Toch was ook hij soms diep geschokt. Bijvoorbeeld door de onvoorstelbare smerigheid van vooral de lagere bevolkingsklassen. Velen waren sinds hun geboorte niet meer gewassen en hoe dikker de korst vuil op het lijf, hoe begeerlijker een meisje of jongen was als huwelijkspartner.

Het vuil was maar een detail vergeleken bij het barbaarse strafregime. Zelfs op de kleinste overtredingen stonden algauw een paar honderd zweepslagen. Verminking - zoals het uitsteken van de ogen en het afhakken van beide handen - was een alledaagse straf voor diefstal, waarna de strafmaat kon oplopen tot langzame en ingenieuze folteringen met de dood tot gevolg. De 'stenen hoed' was zo'n foltering; het slachtoffer kreeg net zo lang stenen op het hoofd gestapeld tot zijn oogbollen uit hun kassen plopten.

Maar Kawaguchi zag ook de mooie en bijzondere kanten van het Tibetaanse leven. Zijn poëtische stijl, zijn open blik op de samenleving en zijn levendige beschrijvingen geven een prachtig en gevarieerd beeld van Tibet zoals het een eeuw geleden moet zijn geweest. Hij raakte vaak onder de indruk van de natuur. 'Ik stond vrijwel alleen op de grote hoogte', schreef hij ontroerd in de bergen, 'en zag hoe zwarte wolken de zichtbare wereld met onvoorstelbare snelheid in een angstaanjagende duisternis hulden, een duisternis die des te volmaakter was vanwege het contrast met de kortstondige verblindende bliksemschichten, bleek en fel, die niet alleen de glinsterende sneeuw op de indrukwekkende toppen van de Himalaya openbaarde, maar ook de diepste afgronden, duizenden meters daaronder.'

Een kwarteeuw na de Japanse monnik arriveerde een andere opmerkelijke persoonlijkheid in de Tibetaanse hoofdstad. De in Frankrijk geboren Alexandra David-Néel wist als pelgrim vermomd door te dringen tot Lhasa, waar ze zelfs een bezoek bracht aan het Potala, het reusachtige tempelpaleis van de dalai lama.

Ze was de eerste blanke vrouw in Lhasa en wist die prestatie jarenlang uit te buiten, hoewel haar reis en haar ideeën over boeddhisme en occultisme altijd omstreden zijn geweest. Haar weinig wetenschappelijke achtergrond, haar ijzeren volharding in het verbergen van haar zwakheden, en haar buitengewone interesse voor paranormale verschijnselen stelden haar prestaties als ontdekkingsreizigster later in een negatief daglicht.

In een nieuwe biografie De verborgen levens van Alexandra David-Néel - er zijn al veel boeken aan haar gewijd - beweren Barbara en Michael Foster dat ze met haar geschriften over het Tibetaanse boeddhisme invloed heeft gehad op de ideeën van Beat-schrijvers als Jack Kerouac en Allen Ginsberg.

Maar ook zouden haar esoterische filosofieën L. Ron Hubbard, de oprichter van de scientologykerk, van dienst zijn geweest. Het maakt David-Néels persoonlijkheid en haar zeer opmerkelijke leven er niet minder boeiend om.

Religie, zweverigheid en hang naar esoterie hebben sindsdien vele westerlingen naar de Himalaya gevoerd. Een van hen is de dochter van een Engelse visboer, die ter wereld kwam op de dag dat Londen door de Duitsers werd gebombardeerd. Het meisje kon om onduidelijke redenen noch in Engeland noch in haar eigen lichaam aarden, en besloot op 20-jarige leeftijd Londen achter zich te laten en verder door het leven te gaan als de boeddhiste Tenzin Palmo.

Ze raakte zo in de ban van het boeddhisme dat ze zich gedurende twaalf jaar moederziel alleen terugtrok in een Himalaya-grot. In een ongelooflijk Spartaans bestaan en volstrekte afzondering vond deze vrouw datgene waar het allemaal om is begonnen, 'Verlichting', op een spiritueel niveau waar menig mannelijk yogi zijn vingers bij zou aflikken.

Het had een boeiend levensverhaal kunnen opleveren, een boek over de haast onbegrijpelijke verandering van een westerse ziel in een oosterse, als het niet was geschreven door een al te blinde volgelinge. Vicki Mackenzie schrijft in Innerlijk vuur al bewonderend over 'Tenzin Palmo' in de periode dat de dochter van een visboer uit Londen nog gewoon Diane Perry heette en haar interesse in Aziatische zaken beperkt was tot Chinese restaurants. Mackenzie's heldin zou wellicht zelfs hebben gewoond in het hol van een yeti. Een onduidelijk Chinees onderzoek moet het bestaan van deze verschrikkelijke sneeuwman vervolgens aannemelijk maken.

Een van de boeiendste Tibet-uitgaven in de actie is het boek van de befaamde Heinrich Harrer Terug naar Tibet, oorspronkelijk verschenen in 1983. Het is min of meer een vervolg op de bestseller Zeven jaar in Tibet dat de Oostenrijker in de jaren vijftig wereldfaam opleverde. Na al die jaren keert de Tibet-kenner terug naar de Himalaya-staat en maakt een vergelijking met toen. Tibet is inmiddels onder de voet gelopen door de Chinezen, de dalai lama is gevlucht, een ontelbaar aantal Tibetanen vermoord, tijdens de Culturele Revolutie is een onbeschrijflijke schade aangericht aan het Tibetaanse cultuurgoed en China is nog steeds druk doende het land te 'ver-chinezen.'

Harrer toont zich tijdens zijn terugkeer geen melancholische oude man met een hang naar vroeger-toen-alles-beter-was. Scherp en analytisch beschrijft hij de verschillen, inclusief enkele schaarse wendingen ten goede. Hij herinnert zich een Tibetaanse minister die in 1949 nog de voorkeur gaf aan China in plaats van India of Rusland als aansluiting bij een grootmacht echt nodig mocht zijn. 'Na alle gruwelen en wreedheden zou hij dat beslist niet meer zo zeggen', schrijft Harrer. 'De grote fout van China was dat het heeft verzuimd er een vriend bij te krijgen. In plaats daarvan werden de Tibetanen vijanden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.