de gids luieren

De kunst van het flierefluiten

Lekker lummelen lijkt zo makkelijk. Dat hardnekkige misverstand leidt elke zomer tot schrijnende taferelen in drukke steden en aan hete stranden. Jammer, want het kan je intens gelukkig maken. Hoe moet het wel, niets doen?

Het nut van het niets doen. Beeld Krista van der Niet

Speciaal voor dit verhaal over het nut van nietsdoen ben ik naar Italië afgereisd - iemand moet het doen. Het was nog een hele klus om de juiste werkplek te vinden. Italië mag dan het land zijn waar ze het begrip dolce far niente hebben uitgevonden, het zoete, zalige nietsdoen, het barst hier van de plekken waar het hinderlijk druk is. Stranden bijvoorbeeld zijn druk en bovendien zeer heet. Steden zijn ook druk en nog heter dan stranden. Wegen zijn niet zozeer heet maar wel gevaarlijk druk: als automobilist ben je na een uur meestal gesloopt, door alle oude mannetjes, kinderen op fietsjes en schurftige honden die voortdurend uit onverwachte hoeken de weg op schieten; als wandelaar ben je na een uur meestal dood.

Maar nu lig ik veilig in een groot bed in een zonovergoten kamer. Het is vroeg in de ochtend; het enige wat je hoort, is het gekwetter van een stuk of duizend zwaluwen en het gerammel van de ontbijtspullen die beneden worden klaargezet. De geur van versgebakken brood zweeft de kamer binnen; die van een schuimende caffe latte kringelt er reclamefolderig achteraan.

De omstandigheden voor een verhaal over het nut van nietsdoen zijn gerust optimaal te noemen. Uitvalsbasis is de 18de-eeuwse Villa Pardi vlak bij Lucca, gelegen aan het einde van een lange oprijlaan en omgeven door een enorme tuin met grote magnolia's en pijnbomen erin. Onder de bomen hebben de eigenaressen Giovanna en Cinzia stoeltjes neergezet voor mensen die in de schaduw rustig willen nadenken, met links uitzicht op de bergen en rechts op een schattig dorpje. Er waait een lauw windje.

Tot grote vreugde van het meegebrachte vakantiegenootje is er ook een zwembad.

‘Kom’, roept hij terwijl hij monter uit bed springt. ‘We gaan eerst even lekker vijftig baantjes trekken en daarna ontbijten. Een volle maag, die zwemt niet graag, zeg ik altijd maar!’ Ik leg uit dat ik helaas niet meekan omdat ik dringend research moet doen voor mijn verhaal over het nut van nietsdoen, en sukkel weer in slaap.

Nietsdoen is een sterk onderschatte bezigheid.

Veel mensen denken dat nietsdoen een kunst is die iedereen zomaar uit zichzelf beheerst. Dat je op bevel kunt nietsdoen en daar dan ook enorm van zult genieten. De dramatische gevolgen van deze denkfout zie je elke zomervakantie als je, verdwaald of bezweken onder de druk van tirannieke gezinsleden, toch op een hinderlijk druk strand of in een walgelijk volle stad bent terechtgekomen.

Zie die arme man daar steels op zijn iPhone loeren, voor de etalage van de tassenwinkel; hij heeft nog een paar minuten om zijn mail te checken voor zijn vriendin de winkel weer uit komt. Als hij wordt betrapt met de mobiel in zijn hand, is ie de lul; eerst zal ze hem bits toesnauwen of hij dat rottige werk nou écht niet een weekje kan laten voor wat het is, ze zijn toch gezellig met vakantie, niet dan? nou dan! en de rest van de avond gaat ze ijzig zwijgen.

Zie dat zielige meisje op haar handdoek liggen, zwetend in de zon; voor haar ligt een dik boek waar ze geen moer aan vindt, maar ze leest hardnekkig door want in haar koffer liggen nóg drie boeken te wachten, allemaal gekregen voor ‘straks als het zomer is en je eindelijk heerlijk de tijd hebt om lekker ontspannen te lezen!’ Mensen op vakantie leveren schrijnende taferelen op. Hun ogen staan dof, hun handen zijn plakkerig van de lekkende ijsjes, ze sjokken doelloos in het rond en tellen stiekem de dagen af.

In het zweet uws aanschijns...

Stumpers zijn het. Slachtoffers van een cultuur die de dingen in tweeën is gaan splitsen. Die, in plaats van het grote geheel te omarmen, de nadruk is gaan leggen op tegenstellingen: tussen mannen en vrouwen, tussen goed en kwaad, tussen werken en nietsdoen. Waarbij mannen beter worden gevonden dan vrouwen, goed beter dan kwaad en werken beter dan nietsdoen. ‘In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren’, dreigt de Bijbel in de Statenvertaling (Genesis 3:19).

In het nieuwe testament slaat Jezus weliswaar een luchtiger toon aan: ‘Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last!’ (Mattheüs 6), maar over het algemeen heeft het christendom niet veel op met luiaards en nietsnutten. Wie zijn talenten fluitend in de grond begraaft in plaats van ze ploeterend te verdubbelen, kan het schudden: ‘Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.’ (Mattheüs 25: 28-30).

De oude Grieken schaarden luiheid onder de zeven hoofdzonden (acedia: gemakzucht, traagheid, luiheid), maar wisten tegelijk het zalig nietsdoen op waarde te schatten. Een van de beroemdste flierefluiters aller tijden is Diogenes van Sinope (412-323 v Chr), filosoof uit de school der cynici die er schik in hadden de hardwerkende inwoners van Athene tot in hun huizen te achtervolgen met de vraag waar ze in godsnaam mee bezig waren. Wie werkte voor zijn geld kon rekenen op hun diepe minachting, want werk belemmerde mensen maar in hun vrijheid. En vrijheid, vonden de cynici, was het hoogste goed.

Even daarvoor was in India het boeddhisme ontstaan, dat het nietsdoen tot allerhoogste kunst verhief met de Boeddha als lichtend voorbeeld; die had de staat van verlichting niet bereikt door zich het schompes te schoffelen op het land, maar door op zijn gemakje onder een bodhiboom te mediteren.

Beeld Krista van der Niet

Zo’n beetje vanaf de achttiende eeuw begon de idee post te vatten dat de mens zichzelf via zijn werk vervult. Inmiddels geldt op feestjes de vraag ‘wat doe je’ als meest effectieve manier om zicht te krijgen op iemands persoon. Werk en identiteit zijn in onze tijd grotendeels gaan samenvallen. Wie niet werkt, is een loser. Afgelopen voorjaar organiseerde het Vlaamse centrum voor kunsten en media een debat over nietsdoen in de hedendaagse maatschappij. ‘Luiheid: het laatste taboe’ was de titel van de avond waar de filosofes Isabelle Stengers en Petra Van Brabandt luiheid definieerden als laatste zonde, in een wereld waarin mensen als lemmingen achter alweer een volgend project aanrennen, een nieuwe opdracht, een kakelverse uitdaging.

In het onlinetijdschrift Hard/Hoofd pleitte de Duitse theaterwetenschapper Lisa Skwirblies, geboren in 1985, voor herwaardering van de ledigheid. ‘Wij vormen een groeiend leger van lompen-zzp’ers’, schreef Skwirblies. ‘In plaats van dat we kritisch commentaar leveren op de moeilijke omstandigheden van het creatieve bestaan, zie ik bij mijn generatiekameraden steeds vaker een schichtige blik in hun vermoeide ogen. Burn-out en uitbuiting zijn salonfähig geworden in de coffee companies van de metropool Amsterdam. De stagegeneratie heeft haar opium gevonden: om maar vooral dicht bij het vuur te zitten, zetten we overdag uiteraard onbetaald de obligate café-stagiaire in de theaters waar we 's avonds als vrijwilliger de kaartjes scheuren. Natuurlijk doen we dit alles omdat we geloven in de belofte van een vast dienstverband.’

Nietsdoen als werk

Zo dominant is werk in onze cultuur, dat het zijn wetten en normen ook aan het nietsdoen heeft opgelegd. Nietsdoen wordt net als werk gezien als een klus, als een project waarvoor tijd in de agenda moet worden ingeruimd. Terwijl ik door de grote tuin loop op zoek naar een plekje om rustig te werken, belt een vriendin. Ze is blij dat ik opneem en klaagt dat een andere vriendin nooit tijd voor haar heeft. ‘De afgelopen maanden was ze steeds te druk met haar werk om iets af te spreken; nu is ze eindelijk klaar en gaat ze drie weken op retraite, om even helemaal niets te doen. Maar tijdens die retraite kan ik haar dus óók niet bellen! Dat is toch raar?’

Echt een vraag om bij het zwembad verder over na te denken, besluit ik, en ik vlij een handdoek in een luie ligstoel. Het vakantiegenootje is alweer driftig aan het zwemmen: vandaag moeten er 75 baantjes worden weggewerkt. Hij schiet door het water als een heet mes door de boter en hij vindt het zo te zien nog leuk ook. Is wat hij doet inspanning, ontspanning of allebei? Na anderhalf uur word ik wakker met verbrande schouders.

Beeld Krista van der Niet

In 1886 publiceerde de Britse schrijver Jerome K. Jerome zijn Idle Thoughts of an Idle Fellow. Luieren, schreef hij, was altijd zijn sterke punt geweest. ‘Ik laat me er niet op voorstaan - het is een gave. Weinigen hebben die gave. Er zijn heel wat luiwammesen en slome duikelaars, maar een authentieke luiaard is een zeldzaamheid. Het is niet iemand die met zijn handen in zijn zakken rondhangt. Integendeel, zijn meest opzienbarende kenmerk is dat hij altijd druk bezig is.’

Jerome schrijft hoe hij in zijn jonge jaren een ziekte opliep die niet heel ernstig was, maar wel ernstig genoeg om van zijn arts een maand het bed te moeten houden. Geen mededeling had hem blijer kunnen maken: een maand helemaal niets doen, niet eens uit zuivere luiheid maar omdat het moest van de dokter, wat een feest! Hij zag zichzelf al kwijnend in de tuin in een hangmat liggen en sentimentele romans lezen die droevig afliepen, waarna het boek uit zijn krachteloze hand zou vallen en hij naar het geluid van de vogels ging luisteren en het geruis van de bladeren in de bomen.

De maand verplicht luieren werd een hel. De verveling was ondraaglijk. Luieren, concludeerde Jerome K. Jerome, is alleen maar leuk als je geacht wordt niet te luieren: ‘Niets doen als je niets te doen hebt, is niet grappig. Je tijd verdoen is dan louter een bezigheid, en een zeer vermoeiende bezigheid ook nog. Net als kussen is luiheid alleen dan zoet als ze gestolen wordt.’

Zo is dat. Nooit voelt uitslapen zo prettig als op een doordeweekse ochtend, wanneer je geacht wordt op je werk te zijn; nergens werk je zo lekker als tijdens je vakantie, in een lustoord in Toscane, met uitzicht op de bergen en een schattig dorpje. Mensen hebben de neiging zichzelf telkens wisselende rollen toe te dichten - het ene moment zijn ze vader, dan weer bedrijfsleider, minnaar, vakantievierder of vriend - maar in werkelijkheid zijn ze natuurlijk gewoon één iemand, overal en altijd.

Luierende dieren

Dieren zijn niet zo schizofreen. Die doen niks als ze zin hebben om niks te doen, spelen als ze zin hebben om te spelen en werken op het moment dat er een prooi langskomt. Volgens bioloog Tijs Goldschmidt weten dieren veel beter dan mensen wanneer het tijd is om te niksen, en nemen ze die tijd ook volop. Lummelen is voor dieren van levensbelang, zei hij twee maanden geleden in zijn Kousbroek-lezing, die is afgedrukt in De Gids. Goldschmidt beschrijft hoe de Zuid-Amerikaanse luiaards het grootste deel van een etmaal roerloos aan een boomtak hangen, cheeta’s zich héél af en toe inspannen om als een gek achter een gazelle aan te jagen om vervolgens weer lekker te gaan luieren in de schaduw, en hoe de zwaluwen die mij ‘s morgens wakker kwetteren vermoedelijk niet zozeer aan het werk zijn, als wel aan het spelen: ‘Wie weet vangen ze en passant een vliegje, maar het maakt toch vooral de indruk van een plezierige vrijetijdsbesteding.’

Nietsdoen en werken hoeven elkaar niet uit te sluiten, vindt Goldschmidt. ‘In biologische zin nuttig bezig zijn en plezier maken is vaak goed te combineren. Mensen die gaan wielrennen of skiën vermaken zich ook, maar oefenen tegelijkertijd allerlei nuttige vaardigheden en blijven in één moeite door in goede conditie.’

Ik schuif de luie ligstoel aan de kant en duik het vakantiegenootje achterna: op naar honderd baantjes heerlijk nietsdoen. 

‘Ik beschouw het nietsdoen als het werkelijke geluk, maar dat is nu weer iets wat de gewone mensen erg vervelend vinden. Daarom zeg ik: het volmaakte geluk is geen geluk; de hoogste waardering is geen waardering. De wereld kan uiteindelijk niet beslissen wat juist is en wat niet, maar desondanks kan het door niets te doen wel bepaald worden. Het volmaakte geluk en het lichaam in leven houden, daar kan alleen het nietsdoen je nader toe brengen.’

Uit: Zhuang Zi: De volledige geschriften (vertaald door Kristofer Schipper)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden