Het aardse paradijs Canada

Canada: het enige goede land dat de wereld nog heeft

In zijn queeste naar het aardse paradijs, is Olaf Tempelman in Canada beland. De natuur is er zo overweldigend als de bewoners gastvrij zijn. Al valt ook direct de keerzijde op. 

Foto Joel Stevenett

‘Mama, wat is een Canadees?’

‘Niets bijzonders, kind. Dat is een ongewapende Amerikaan met een ziektekostenverzekering die vluchtelingen opvangt en zuinig is op moeder natuur.’

Niets bijzonders? Dit klinkt als een inwoner van een aards paradijs! Bovenstaande grap werd gemunt door de zuiderburen van de Canadezen. De volgende metafoor komt ook uit de Verenigde Staten: Noord-Amerika is een huis met twee verdiepingen. Op de benedenverdieping wordt geschoten en zetten ze tegen iedereen een keel op. Op de bovenverdieping wonen een paar nette mensen die warm zijn aangekleed en iedereen groeten. Vindt u het gek dat die wereldwijd minder over de tong gaan?

Vader en dochter in Salisbury Street, Vancouver. Foto Joel Stevenett

Troost voor die bovenburen is dat zij in aanmerking komen voor een serie over aardse paradijzen.

Dit aardse paradijs bezit befaamde wilde natuur, maar vele bewoonde stukken doen denken aan onze industrieterreinen maar dan eindeloos uitdijend en geornamenteerd met neonlichten. Ach, de Verenigde Staten liggen daar ook vol mee. Weinig mensen die in Noord-Amerika worden gedropt, raden of ze in het land zijn waar de president ‘America first’ twittert of het land waar de premier in tweets ‘Refugees welcome’ heet.

Slapend stel in het gras in Vancouver. Foto Joel Stevenett

Binnen ben je daar in 2018 zo achter. Op een gigantisch industrieterrein vlak bij Calgary ligt een supermarkt genaamd Maria, die de Roemeense vlag heeft uithangen. Hier word ik verwelkomd door een man die verrassend genoeg Mohamed heet. Tien maanden geleden vluchtte hij uit Syrië. ‘Waarom naar Canada? Omdat Europa en Amerika dicht zitten!’ Canada, weet deze Syrische ex-restauranthouder, ‘is het enige goede land dat de wereld nog heeft’.

Melissa, jurist uit Mato Grosso do Sul in Brazilië, werd vijf jaar geleden op straat bijna door een kogel geraakt en voelde zich daarna niet veilig meer. Ze werkt nu in een hotel in Vancouver.

Shamia uit Bangladesh bemachtigde een beurs voor Canada en verzuimde na afloop terug te keren omdat haar familie een echtgenoot voor haar had gevonden. Ze serveert nu in Cochrane.

De Petersburgse kunsthistoricus Vlad stak de oceaan over ‘omdat Poetin gif in Moeder Rusland spuit’. Hij werkt nu op een tankstation in Calgary.

De broers Ford

De VS halen vijftig of honderd maal vaker het nieuws dan hun noorderburen, maar de broers Rob en Doug Ford lukte het ’s werelds ogen op Canada gericht te krijgen. Als wordt betoogd dat niets ‘trumpachtigs’ Canada vreemd is, zijn de namen van deze rijkeluiszonen niet ver weg. Rob Ford (1969-2016) was de 150 kilo zware burgemeester van Toronto die met een discours tegen zakkenvullers en belastingheffers grote populariteit verwierf onder de Aziatische middenstand. Zijn loopbaan werd gekenmerkt door scheldpartijen en woede-uitbarstingen, en overmatige consumptie van alcohol, crack en cocaïne, ook in het openbaar. In 2016 overleed hij op 46-jarige leeftijd aan darmkanker. Zijn dood vormde het begin van de opmars van zijn oudere broer Doug (1964), die eveneens een drugsverleden heeft. Eind juni trad hij aan als premier van de provincie Ontario na een trumpachtige verkiezingscampagne. Zijn electoraat was net als dat van zijn broer divers, met name Indiërs stemden vaak Ford.

Verlaten straat in Vancouver. Foto Joel Stevenett

Wilt u ook naar Canada? Het wemelt van de sites waarin de nadelen worden besproken – belastingen en sneeuwlagen zijn er te hoog, wintermaanden en afstanden te lang, uitdagingen en ontplooiingsmogelijkheden te gering. Zelfs grappen over Canada komen uit de VS, zeggen ze. Van een Amerikaanse site plukte ik de zin: ‘Canada, je bent zo ontzettend saai, word eens wat gevaarlijker.’ 

Wie gevaar aan den lijve ondervond, kan daar anders over denken. In een XXL-winkelcentrum bij Vancouver zijn een stuk of dertig wereldkeukens actief, van de Filipijnse en de Kaukasische tot de Poolse en de Koreaanse. De dienbladen worden leeggekieperd door Aaden uit Somalië, die dat land omschrijft als ‘niet vrij en niet veilig’. Europa was voor hem dichterbij, maar daar was hij niet zo welkom. In de avonduren zit Aaden in Canadese schoolbanken om zijn Somalische apothekersdipoma te ‘upgraden’.

Bewoner van Vancouver, die niet in het verhaal voorkomt, in zijn Camero. Foto Joel Stevenett

Als mijn vader in plaats van zijn beste studievriend Jos Hulshof in 1969 had gereageerd op een Canadese personeelsadvertentie, was ook ik al lang Canadees geweest en had ik een voorsprong gehad op al die nieuwkomers. Dan was ik opgegroeid in een brede straat met een nummer in plaats van een naam. Dan had ik de geur van beren van een afstand herkend en geweten hoe je antiberenspray gebruikt. Dan had ik drie uur rijden ‘vlakbij’ gevonden en nu een pick-up bestuurd of zo’n hoge 4×4 die ze hier eufemistisch ‘een minivan’ noemen.

Mijn reis door het aardse paradijs begint bij de Canadees die in mijn jeugd acte de présence gaf bij ons thuis. Wij hingen aan de lippen van de man in wiens Nederlands zowel Engels als Achterhoeks doorklonk en die in zijn nieuwe land geen Jos meer heette maar Josh of Jimmy.

Om tien uur ’s avonds sommeerde mijn moeder mijn vader en de Canadese gast het werk van Wagner zachter te zetten. Een jaar of veertig later zie ik dat deze man zijn muziek beluistert op een plek waar je ’s nachts op veertig pauken tegelijk kunt slaan zonder de buren te storen.

‘Vlak bij Toronto’ blijkt nog geen drie uur rijden door een grotendeels leeg landschap. Zoals Owen Sound aan de Georgian Bay in Ontario zal ik in Canada nog méér plaatsen zien. Hier vind je brede symmetrische straten met weinig voetgangers maar des te meer pick-ups. Om hier te mogen wonen verliet Hulshof met zijn echtgenote een halve eeuw geleden een van ’s werelds bevoorrechte landen. Destijds wilden ze avontuur. Op een existentiëler niveau was het waarschijnlijk een pure behoefte aan ruimte.

De goede en de slechte twitteraar

Weinig wereldleiders zijn in anderhalf jaar meer door de president van de VS beschimpt dan de premier van Canada. Trump bestempelde Justin Trudeau, onder meer, als ‘een aanfluiting’, ‘een ezel’ en ‘de slechtste Canadese president (sic) tot nu toe’. Het dieptepunt werd bereikt in juni, toen The Donald zijn Canadese gastheer na de mislukte G7-top wegtwitterde als ‘very dishonest and weak’. Hoe rouwig Trudeau om die tweets is, valt te bezien, afgaande op de gevolgen voor hem in Canadese polls. In de woorden van een Canadese oud-ambassadeur in de VS: ‘Alle Canadezen steunen de premier in zijn strijd tegen deze bullebak.’ De behendige Trudeau lijkt zijn eigen tweets zelfs vaak af te stemmen op die van Trump. Toen de president van de VS na zijn aantreden zijn inreisverbod voor een reeks moslimlanden afkondigde, verstuurde Trudeau een ‘Disney-tweet’, waarin hij ’s werelds vervolgden welkom heette ongeacht hun geloof. ‘Verscheidenheid is onze kracht. #WelcomeToCanada.’ 

Zeg gerust dat de overgang van het Nijmeegse studentenleven naar de plek met volop ruimte niet makkelijk was. Toen ze in Owen Sound om de wijnkaart vroegen zei de kelner: ‘Pepsi of Coca-Cola’. Dit bleek een drooggelegde stad. Destijds waren de meeste inwoners van Ierse en Schotse komaf. Op Schotse feesten van weleer namen niet-Schotten papieren zakdoeken mee om zich onopvallend van rauwe Schotse lekkernijen te kunnen ontdoen. Vijftig jaar later zit de hele wereld in Owen Sound. Dit stadje had al een Jamaicaanse burgemeester. Hier zie je ook Aziaten pick-ups en minivans besturen. Uit de late jaren zeventig dateert de gemeenschap van voormalige Vietnamese bootvluchtelingen. De jongste gemeenschap vormen de Syriërs. ‘Die Syriër op de markt kan nu al hele zinnen in het Engels’, zegt  Hulshof, ‘zo knap van die man, stel je voor dat ik Arabisch moest leren.’

Dit is de eerste maar niet de laatste keer dat ik in Canada zinnetjes opvang waar in Europa zelfs xenofiele GroenLinksers zich niet meer aan wagen. Over de op Jesse Klaver lijkende Canadese premier zegt Hulshof: ‘Justin Trudeau geeft mensen het gevoel dat ze hier welkom zijn. Dat is ontzettend belangrijk, weet ik uit ervaring. Toen wij hier kwamen was Justins vader Pierre Trudeau premier. Als je hem hoorde, wist je dat je er goed aan had gedaan naar Canada te komen. Stel dat je nieuw bent en naar Trump moet luisteren.’

Als een multi-etnisch, multicultureel, multireligieus paradijs een regering heeft, dan oogt die als de regering van de jonge Trudeau, de premier met het uiterlijk van een Disneyprins. Er zit een Somaliër in de regering en een Afghaan. Meerdere Trudeau-ministers dragen tulbanden. ‘Een regering die eruit ziet als Canada zelf’, zei Trudeau.

Dat is een feit, net als dat niet alle Canadezen daarvan gecharmeerd zijn. Toch was ik niet eerder in een land waarin onvrede zich lastiger liet optekenen. Een testcase vormde voor mij Calgary in Alberta. Twee Hulshofzonen zijn daarnaartoe verhuisd. Die wonen nu slechts 3.500 kilometer ten westen van het ouderlijk huis, op amper vier uur vliegen. Als Toronto het New York van Canada is, dan is Alberta Texas, een conservatief oord waar geld wordt verdiend met olie en gas. Wat nu interessant is: in Calgary is een Pakistaanse moslim aan zijn derde termijn als gekozen burgemeester bezig.

Hoe kan dat? Een van de antwoorden op die vraag krijg ik tijdens een allerhartelijkst samenzijn in het royaal geproportioneerde huis van oudste zoon Bart Hulshof, die ook op deze burgemeester stemt. ‘Die Europese islamdiscussie speelt een beetje in de oude Canadese steden in het oosten, maar nauwelijks in de jonge steden in het westen.’

In een vak waarin je grote oortjes moet hebben is het handig dat veel Canadezen net zo hard praten als hun zuiderburen. Aan de Highway 1 tussen Calgary en Vancouver zit ik in een Budget Inn aan het ontbijt, waar een kerel met fors postuur op royaal volume los gaat tegen ‘stinkende Indiërs’, ‘robot-Chinezen’ en ‘Justin Turdo’. Daar heb ik mijn boze witte Canadees, die ga ik een steunbetuiging aan Trump ontlokken, denk ik. Mooi niet: ‘We’re not fucking Americans!’ Na afloop komt de echtgenote van de forse kerel zich bij de koffiemachine verontschuldigen. ‘U hoort hem alleen nu, ik hoor hem al veertig jaar.’

Jongen op Kingsway Road, Vancouver. Foto Joel Stevenett

Behalve dat het huwelijk een oefening is in verdragen, bedenk ik ook dat de huidige Amerikaanse president heimelijk een cadeau is voor de Canadese identiteit. Wat is een Canadees? Vele antwoorden die ik op die vraag kreeg vat ik samen als: een Noord-Amerikaan die immuun is voor het Trump-virus. In juni gedroeg The Donald zich op de mislukte G7-top in Canada zo onbeschoft tegen de jonge Trudeau dat de populariteit van de goede premier naar recordhoogte steeg. Vóór Trump zat Obama in het Witte Huis en werd Canada niet geleid door een Disneyprins. In Toronto zetelde de überpopulistische burgemeester Rob Ford van wie Trump maniertjes afkeek. Uit de VS komt de grap dat een Canadees zoiets is als een eenhoorn: een fictief wezen.

Canadese rugzakkers naaien al heel wat jaartjes het fraaie rode esdoornblad van hun landsvlag op hun bagage om in Europa en Azië niet voor Amerikanen te worden aangezien. Veel van hun soortgenoten uit de VS nemen óók hun toevlucht tot de vlag van het goede land van Noord-Amerika: het maakt reizen in een wereld vol anti-Amerikaanse landen stukken makkelijker.

Sinds de verkiezing van Trump is de verkoop van Canadese emblemen in de VS fors gestegen. De dag na Trumps zege liep de Canadese immigratiewebsite vast wegens overbelasting. Sindsdien zijn weinig Amerikanen écht naar paradijs Canada verkast. Dat rode esdoornblad mag symbool staan voor een betere vorm van Noord-Amerikaan zijn – achter dat blad gaan ook mythen schuil.

Het City Centre Motel in Vancouver. Foto Joel Stevenett

Dat dit goede land kampt met oud separatisme in Quebec, dat de olie- en gasindustrie in Alberta alles doet wat in een ecologisch paradijs niet mag en dat Canada met wapenleveranties aan Saoedi-Arabië andere beginselen belijdt dan in zijn schitterende mensenrechtenmuseum in Winnipeg – dat laten we hier buiten beschouwing.

Een belangrijke mythe waarop paradijszoekers hun tanden stuk bijten, is dat de Canadese hemelpoort open staat. Ahmed Hussen, de uit Somalië gevluchte Canadese minister van Immigratie, maakte vorig jaar bekend dat Canada tot 2020 een miljoen nieuwe migranten zal verwelkomen. Sindsdien heeft Hussen al veel en vaak gezegd dat Canada ‘helaas niet iedereen’ kan opvangen en dat geïnteresseerden een flinke selectieprocedure wacht.

Ten tijde van de Vietnamoorlog waren duizenden Amerikaanse jongens die de dienstplicht ontvluchtten veilig zodra ze Canada bereikten. Of duizenden Haïtianen en Latino’s zonder Amerikaanse identiteitspapieren die de afgelopen maanden vanwege Trump de grens overstaken óók veilig zullen zijn in Canada, dat is nog lang niet zeker. Zelfs de regering Trudeau wil niet dat nieuwkomers een kostenpost worden; ook het goede Noord-Amerikaanse land worstelt in 2018 met problemen als fors toenemende armoede en ongelijkheid.

Anti-Amerikanisme

American woman, stay away from me/ I don't need your war machines/ I don't need your ghetto scenes. In 1969 werden de bandleden van de Canadese formatie The Guess Who klemgereden door de Amerikaanse politie. Die zag hen aan voor dienstplichtigen die naar Canada vluchtten om aan uitzending naar Vietnam te ontkomen. Het anti-Amerikaanse nummer dat uit het incident voortvloeide, American Woman, bereikte in 1970 zowel de eerste plaats in Canada als in de VS. Canadese muzikanten trapten vaker naar hun zuiderburen. Neil Young hekelde de mentaliteit van de Southern Man. In haar illustere dystopische roman The Handmaid’s Tale zet de Canadese auteur Margaret Atwood de VS neer als een religieus-conservatieve dictatuur waarin vrouwen slaven worden. De recente verfilming werd in de Volkskrant uitgeroepen tot serie van het jaar 2017 vanwege ‘de krachtige en visueel verbluffende manier waarop de duistere onderstroom in het nieuws van vandaag wordt verbeeld’. Atwood verklaarde zelf haar boek in 1984 te hebben geschreven als waarschuwing, en geschokt te zijn over de parallellen met de actualiteit.

Twee Jehovah getuiges in Vancouver. Foto Joel Stevenett

Dat je in het openbaar vervoer kennismaakt met armlastigen, heeft Canada gemeen met zijn zuiderbuur. Er is óók een opvallend verschil: in de VS zijn buspassagiers vaak zwart, in Canada zijn de meesten wit. In de bus tref je ook Canadezen die tot naties behoren die hier al heel lang wonen, indiaanse naties.

Hoe dat komt, wordt me op een zonovergoten terras in Vancouver uitgelegd door Alison Olney, werkzaam voor het Canadese ministerie van first nations en zelf half-indiaanse. Canada, zegt zij, is in vergelijking met de VS een jonge immigrantenmaatschappij. Vers gearriveerde immigranten zitten doorgaans vol energie en ambitie: ze hebben de kracht gehad ‘een slechte plek’ te verlaten, ze hebben ook de kracht op ‘een goede plek’ een nieuw leven te beginnen. De mensen die tussen wal en schip vallen, zijn al te vaak mensen die níét nieuw zijn: achterkleinkinderen van Europese immigranten en first nation-Canadezen.

Olneys stad Vancouver kwam in onderzoeken uit de bus als ’s werelds beste plek om te wonen. Hier heb je én een mild klimaat én voortreffelijke faciliteiten én zee én bergen. Hier kun je ’s ochtends surfen en ’s middags skiën. Niet iedereen: Vancouver heeft óók Canada’s meeste daklozen. Die arriveren hier omdat dit Canada’s enige metropool is waar je ’s winters op straat niet bevriest. Nagenoeg alle daklozen die ik aan de Grote Oceaan zag, waren wit. Van Aziatische origine zag ik er niet een. Dat is opvallend in een stad waarin je je vaak ‘ergens in Oost-Azië’ waant. Ik reed Vancouver binnen via de voorstad Burnaby. Het duurde een minuut of twintig voor ik in het straatbeeld iemand ontwaarde die er niet Chinees uitzag.

Eigenaar Frank van het hostel in een 19de-eeuws victoriaans huis heeft niet eerder gasten uit Europa gehad. Frank heet eigenlijk Fang en had ‘grote politieke problemen’ vóór hij de Volksrepubliek China verliet: ‘Je kunt daar niets ondernemen zonder honderd vrienden in de Partij smeergeld te betalen.’

Ik heb Fangs hostel online gevonden. Zo krijg ik wat van Canada’s grootste Chinese gemeenschap te zien, dacht ik. Dat blijkt achteraf niet zo moeilijk. In menige voorstad van Vancouver zijn Chinezen al een meerderheid. Op metrostations daar zie je alleen reclames in het Chinees. Je hebt hier ook omvangrijke Koreaanse, Filipijnse en Vietnamese gemeenschappen, en véél sikhs uit Punjab. Omdat er zo veel ellende is in het Midden-Oosten, zijn ook Vancouvers Arabische gemeenschappen snel groeiende.

Man in Granville Street, Vancouver. Foto Joel Stevenett

In Vancouver zie je ‘Azië zoals het had moeten zijn’, zegt Nikita Dac Bang, hotelreceptionist in voorstad Westminster. Ik reis al een jaar of dertig, maar alleen in Westminster, Vancouver, heb ik drie uur aan een hotelbalie geconverseerd. Nikita Dac Bang studeerde ooit filosofie en werkt op rustige momenten achter de balie aan een op ware gebeurtenissen gebaseerde roman. Zijn vader was een Vietcongstrijder die zijn zoon vernoemde naar Chroesjtsjov, de Sovjet-leider die het Vietnamese verzet tegen het Franse koloniale regime ‘sponsorde’. Toen de Amerikanen de bestrijding van de Vietcong van de Fransen overnamen, was Nikita’s vader al verbannen naar de beruchte strafkolonie van Frans-Guyana. De wereld kent die uit de illustere verfilmde roman Papillon. Papillon ontsnapt, Nikita’s vader ontsnapte niet. Na jaren dwangarbeid kwam hij via Suriname in Brits-Guyana terecht, waar hij Nikita’s zwarte moeder huwde en een zoon kreeg. Geld, werk en een toekomst had hij daar niet. Waar kon dit jonge gezin heen? Emigratie naar de VS kon een oud-Vietcongstrijder vergeten.

Nikita zegt het zo: ‘Iemand met mijn familiegeschiedenis kun je alleen in Canada treffen. En zoals mijn familie zijn er veel: allemaal mensen die een normaal leven wilden.’

Een normaal leven, dat is waarschijnlijk hetzelfde als wat criticasters van Canada ‘zo ongelooflijk saai’ noemen. Ik vertel Nikita Dac Bang dat ik hier ben voor een serie over paradijzen. Hij zegt: ‘Hoe mooi het hiernamaals is weet ik nog niet, maar op aarde is Canada een goede plek.’ Jawel, in Europa liggen landen waar gewone mensen nog beter leven, maar dat zijn tegenwoordig ‘gebarricadeerde landen’, overal hangen daar onzichtbare bordjes ‘gereserveerd voor lokale bewoners’. Van een paradijs mag je verwachten dat niet alle plekken op voorhand zijn weggegeven, daar mag je het ook proberen als je van een plek komt die niet-vrij-en-niet-veilig is.

De ziel van Canada, vindt Dac Bang, zie je zelfs terug als je wijlen überpopulist Rob Ford van Toronto vergelijkt met Donald Trump. Tussen die twee zat één verschil: nationalisme. Trumps electoraat was wit, dat van Ford bestond uit Indiase, Arabische en Chinese middenstanders.

Alison Olney, nazaat van Canada’s oorspronkelijke bewoners, zegt het in Vancouver zo: ‘Je kunt in Canada geen verkiezingen winnen door één etnische groep tegen een andere op te zetten. Je sluit te veel kiezers buiten. Dat is het verschil met Amerika. Geen enkele groep is hier groot genoeg en zit hier lang genoeg om te zeggen: dit is mijn land. De hele wereld zit hier en je kunt nooit de hele wereld buitensluiten. Als je zegt ‘Canada is van mij’, dan zeg je eigenlijk: de wereld is van mij.’ Olney is de enige uit dit stuk die in Canada is geboren.

Vrouw in Davie Street, Vancouver. Foto Joel Stevenett

13 paradijzen

Canada is aflevering 13 in Olaf Tempelmans serie ‘Het aardse paradijs’. Lees de eerdere afleveringen hier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.