Recensie Varia

Bindervoet en Henkes weten in James Joyce’s Varia eruditie te paren aan lichtvoetigheid (vier sterren)

Met de uitgave van Varia hebben Robert-Jan Henkes en Erik Bindervoet hun megaproject – alles van James Joyce vertalen – afgerond. Opnieuw met prachtige vertaalvondsten.

Beeld Max Kisman

Vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, al zo’n dertig jaar samen, deden zichzelf een titanenklus aan: de vertaling van het complete oeuvre van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) – geliefd en berucht om zijn schier onvertaalbare proza. Met achtereenvolgens Finnegans Wake, Ulixes, Zelfportret van de kunstenaar als jonge man en Dublinezen oogstte het duo zoveel lof dat hun namen inmiddels op de boekomslagen staan. Een terechte, maar helaas zelden verleende eer.

Onlangs voltooiden ze hun project met de uitgave van Varia. Het bevat Joyce’ verspreide ‘kleine’ werken: voordrachten, essays, artikelen, reportages, recensies, gedichten. Ruim de helft van het boek gaat op aan het intrigerende Ballingen uit 1914-1915, het enige ‘losse’ toneelstuk van hem dat is overgeleverd en dat ook hier diverse opvoeringen beleefde.

En warempel. Ook in deze bundel kiert het Engels er nergens doorheen en zijn de vertaalvondsten prachtig. Bovendien blijken zelfs de onontbeerlijke ‘Nawoorden en aantekeningen’ – ze beslaan liefst 125 pagina’s – een feest om te lezen. Op een of andere wijze weten Bindervoet en Henkes eruditie te paren aan lichtvoetigheid, waardoor hun commentaar werkelijk iets toevoegt.

Meteen al in Joyce’ eerste daadwerkelijke publicatie uit 1900, een beschouwing over Als wij doden ontwaken van Hendrik Ibsen, zie je de even pedante als briljante schrijver doorschemeren die hij later zou worden. Ik ken althans weinig 18-jarigen die zinnetjes schrijven als: ‘Op zichzelf valt hier niets op aan te merken; maar evenmin valt er iets aan op te merken.’ Van het honorarium, leert het commentaar, ging de jonge auteur ‘een week of wat’ boemelen met zijn vader in Londen. Ibsen zelf was ingenomen met het stuk, en bedankte Joyce via zijn vertaler voor diens ‘welwillendheid’. Joyce op zijn beurt leerde Noors om Ibsen in diens moedertaal te kunnen terugschrijven.

James Joyce: Varia – Lezingen, essays, artikelen, gedichten, toneel.

Uit het Engels vertaald en toegelicht door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes.

Athenaeum-Polak & Van Gennep; 516 pagina’s; € 24,99.

Hilarisch is het interview met een Franse autocoureur dat Joyce drie jaar later maakte voor de Irish Times, een poging om geld te verdienen. Er ontpopt zich een dialoog die niet had misstaan in Jiskefet. ‘Ik neem aan dat u de wegen waar u overheen rijdt gezien hebt?’ ‘Nee.’ ‘Nee? Dus u kent de route niet?’ ‘Ik ken hem een beetje. Dat wil zeggen, ik ken hem van de tekeningen die in de Parijse kranten stonden.’ Later zou Joyce een van de verhalen uit Dublinezen baseren op dit interview .

Het is de schrijver ten voeten uit. Onvermoeibaar laten de vertalers zien hoe bij Joyce alles met alles samenhangt. Zo bevat het (matige) poëziedebuut Kamermuziek uit 1907 al de thema’s – ‘liefde, verraad, isolement, de knellende banden van de maatschappij, de rol van de dichter, muziek en water’ – die in zijn latere werk zo’n grote rol zouden spelen. Ook in de recensies vinden ze ‘schetsen en voorafschaduwingen van latere frases en formuleringen’. En bij een stuk voor een Italiaanse krant over de Ierse kustplaats Galway (je wilt onmiddellijk afreizen) wijzen ze op de ‘loepzuivere’ epifanie waarmee hij eindigt, een vorm die in zijn literaire proza veelvuldig voorkomt. Ze noemen het ‘een van de mooie dingen’ van zijn werk: ‘Het groeit als een boom, elke keer groeit er een nieuwe ring om de oude heen. De kern van het eerdere werk blijft altijd aanwezig, al moet je bijvoorbeeld Finnegans Wake wel eerst even omhakken om dit te kunnen zien.’

Aan het slot van Varia wacht een aangename verrassing: het dunne dichtbundeltje Verze piperstuk uit 1927, volgens Bindervoet en Henkes ‘een ultragecondenseerde mini-autobiografie in een hazelnotendop’. Bij het liefdesgedicht ‘Gebed’ nemen ze ter illustratie (en met merkbaar genoegen) negen adembenemende brieven op van Joyce aan zijn ‘lieve schatteboutje’ annex ‘wipkipje’ Nora Barnacle uit december 1909. Hij is dan even terug in Dublin, zij zit in Triëst waar ze sinds een paar jaar wonen. ‘Neuk me naakt met alleen je hoed op en je kousen aan plat op de vloer met een karmozijnrode bloem in je hol, berijd me als een man met je dijen tussen de mijne en je reet heel erg dik. Neuk me in je ochtendjas (ik hoop dat je die leuke hebt) met niks eronder, sla hem plotseling open en laat je buik en dijen en rug zien en trek me bovenop je op de keukentafel.’

De brieven komen uit de rijke verzameling die Joyce heeft nagelaten en die tot nog toe nauwelijks in het Nederlands is vertaald. Nu maar hopen dat het duo de smaak te pakken heeft gekregen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.