Zwelgen in andermans leed

WIE ER nog romantische ideeën over het zeemansbestaan op nahield, is na het lezen van Lisette Lewins verhalenbundel Verliezers op zee voorgoed genezen....

En de verliezers uit de titel zijn niet alleen op zee te vinden. De hele wereld is ermee bevolkt, voor wie het maar wil zien. En Lisette Lewin wil het zien. Ze is behept met een blik die in alles en iedereen het lelijke en het mislukte ontdekt.

'De tragiek lag op straat, waar je ook was', meent Sophie en die houding kenmerkt alle personages bij Lewin. Ze hebben allemaal een onstuitbare nieuwsgierigheid naar andermans leed. Gretig luisteren deze dames naar geschiedenissen over verloren zoons, hervonden ouders, misgelopen kapitalen en vergeefse reizen. 'Voor een ongelukkige liefde kun je me altijd wakker maken', verklaart een van hen enthousiast.

Die belangstelling voor droevige levensverhalen is niet het enige dat de hoofdpersonen in deze acht verhalen gemeen hebben. Het gaat steeds om vrouwen van in de veertig, teleurgesteld in de liefde en kinderloos. Ze werken op nogal stoffige plekken, archieven of universiteiten, en hebben problemen met hun collega's. Een lange reis wordt ondernomen om daarvan bij te komen. Net als Lewin zelf (van wie alle personages alter ego's lijken te zijn) zijn ze joods, maar hebben ze geen helderheid over wat dat precies voor hen betekent.

Zoals Pauline uit het lange verhaal 'Een episode met Sint-Petrusvis'. Die wist niet eens dat ze joods was, totdat er een kale Amerikaan uit Detroit opduikt die beweert dat hij haar broer is. Pauline blijkt te zijn opgevoed door pleegouders, nadat haar eigen ouders niet waren teruggekeerd uit het concentratiekamp. Na deze onverwachte onthulling gaat Pauline, op aanraden van haar psychiater, een tijdje naar Israël, om in een kibboets te wonen en haar wortels te vinden.

Jood onder joden zijn blijkt echter geen garantie tegen eenzaamheid. Pauline ontdekt dat jodendom niet betekent dat je ergens bijhoort, maar alleen maar dat je 'vroeg of laat met je eigen ellendige achtergrond wordt geconfronteerd'. Haar enige vriend in de kibboets is de Nieuw-Zeelandse Jerome, die zijn hart aan alle vrouwen verliest, maar helaas nooit aan haar. Ze is ontroostbaar wanneer hij vertrekt. Gelukkig vindt niemand het raar als je in Israël loopt te huilen op straat of in de bus. 'In een land met zoveel verdriet was dat niet erg. Iemand die tegenover haar zat, wiens blik op haar viel, kreeg het zelf te kwaad'.

Dat wil echter nog niet zeggen dat iemand naar haar verhaal wil luisteren. In Pauline's ogen zijn de Israëlische joden ongeïnteresseerde, egocentrische en monomane types. Ze wisselen geroutineerd hun gruwelijke oorlogservaringen uit, maar zijn door al het verdriet zo gehard dat ze niet meer naar elkaar luisteren. Als Pauline wil vertellen over haar geliefde Jerome, vallen ze haar in de rede: 'Weet u wát interessante mensen zijn? De joodse kolonisten op de Westoever, in Hebron. Dát zijn de ware helden.'

Niet alleen de mensen in Israël zijn kortzichtig, van het land zelf deugt ook niet veel, als je Lewins verhaal mag geloven. Het kosjere eten is 'melig en bloedeloos', langs de stranden valt er niet te ontsnappen aan een discodreun. En als je al een rustig strandje kunt vinden, zit dat vol zweverige toeristen die met dolfijnen willen zwemmen en aan rebirthing doen. Een ander probleem is dat er op de sabbat geen bussen rijden, zodat je uren door de hitte naar huis moet lopen.

Hetzelfde gemopper horen we in het verhaal 'Tatjana's eerste man', over een reis naar Moskou. Russen, zo blijkt, zijn inhalig, berekenend en leugenachtig. Over Moskou komt de lezer alleen aan de weet dat het er regent en dat je voor alles in de rij moet staan.

Waarschijnlijk zijn deze rampzalige reiservaringen op de werkelijkheid gebaseerd. In eerdere boeken deed Lewin al verslag van reizen naar Rusland en Israël, en in haar laatste boek Herfstreis naar Dantzig beschreef ze hoe ze met haar vader zijn geboorteplaats in Polen bezocht. Net als die vorige boeken bestaat deze bundel grotendeels uit een mengsel van autobiografie en reportage.

Blijkbaar is Lewin teruggekomen op haar voornemen 'voortaan alleen nog maar fictie' te schrijven, zoals ze een paar jaar geleden in een interview zei. Want van fictie is in Verliezers op zee weinig sprake. Niet alleen omdat Lewin een stijve, nauwelijks literaire stijl hanteert en haar dialogen als interviews klinken, maar ook omdat de hoofdpersonen allemaal hetzelfde praten en hetzelfde denken. Ze gaan als afstandelijke en stuurse verslaggevers door het leven.

Tegelijk maakt juist hun chagrijn deze vrouwen innemend. Hoewel ze op hun eenzame expedities snakken naar wat aanspraak, houden ze met hun kribbige uitvallen iedereen op afstand. Daarmee hebben ze allemaal de houding die Pauline het meeste stoorde aan de joden: 'Generaties lang hebben ze zich gehard. Ze snauwen om hun pantser in stand te houden.'

Lewins personages zijn joodser dan ze zelf willen weten. Zonder zich van de ironie bewust te zijn, beschuldigt Pauline de joden van het feit dat ze elkaar altijd ergens van beschuldigen. Zo onthullen de personages het meest van zichzelf op de momenten dat ze zich achter hun kritiek verschuilen.

Die spanning verdwijnt op slag wanneer Lewin zichzelf helemaal blootgeeft en over haar gevoelens gaat vertellen. Doodsaai zijn bijvoorbeeld de verhalen over de familie waar Lewin als peuter ondergedoken zat. Helaas vertelt zij hier niet, zoals in haar eerste roman, Voor bijna alles bang geweest (1989), over de jeugdervaringen zelf, maar alleen over het overlijden van de laatste oude 'ooms en tantes' uit de onderduikfamilie.

Lewin weet niet uit te stijgen boven de voor de hand liggende beschrijving van een klagende dikke tante met haar eeuwige koffie Hag en ongebruikt gebleven Maja-zeepjes in de kast. Zelfs een parallel met Tsjechov in het verhaal 'Mijn kersentuin' vermag het niet tot literatuur te doen worden.

Waar Lewin het vooral van moet hebben, is van de onafzienbare stroom portretten die ze bijeen heeft gebracht; van de verpleegster van haar tante, van een eerste stuurman uit Letland of van een fanatiek godsdienstige vrouw die blijkbaar 'een ferme klap van Jezus Christus heeft gekregen'. Zo krijgt Verliezers op zee wel iets van een persoonlijk en ongeordend archief.

Als je het onaardig zegt, heeft Lewin in haar verhalen de restjes ondergebracht die ze elders niet kwijt kon. Zo bezien vormt deze bundel de rafelige franje van haar oeuvre, dat op zichzelf al een wat rommelig mengsel van fictie, autobiografie en journalistiek is.

Wie het vriendelijker wil zeggen, kan erop wijzen dat deze verhalen de drempels tussen Lewins vorige boeken vormen. Niet de hoofdpersonen, maar de tussenfiguren komen hier aan het woord; de krankzinnigen, de zeelieden en de stervenden. En niet te vergeten de knorrige gids zelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden