Zwavel, schmink en absurdisme

Hij werd door de nazi's in Exil gedreven en later door de DDR verketterd als Klassenfeind. Vijftig jaar lang waarde Kurt Weill hooguit als een spookgestalte door zijn geboortestad....

ERIK VAN DEN BERG

HET standbeeld van de componist is niet moeilijk te vinden. Vanuit het bescheiden betonnen treinstation loop je rechtdoor, langs de steigers waarachter een glimmend kantoorcomplex moet verrijzen. Door het bouwzand knerp je de winderige Kurt Weillstrasse in, en bij kapsalon Cut for Cut, op de hoek met de Bertolt Brechtstrasse, kun je hem zien zitten: een bronzen man met een groot kaal hoofd en een strikdas, die met wapperende vingers onhoorbare muziek dirigeert.

Brecht zit een meter of tien verderop, sluw ineengedoken, en zo te zien al evenzeer in zijn eigen zaakjes verdiept. Tussen hen in ligt het symbool van hun gezamenlijke schepping: een massieve kogel, rondom bedekt met de inscriptie Die Dreigroschenoper, herhaald in het Frans, Engels, Russisch en Japans.

Kurt Weill is terug in Dessau. In deze industriestad aan de Elbe werd de componist geboren, op 2 maart 1900, als zoon van de cantor van de plaatselijke synagoge. Maar lange tijd was dat een feit dat de Dessauers maar liever vergaten, en toen er eenmaal genoeg water door de Elbe was gevloeid, leek het alsof ze het ook écht niet meer wisten.

Tussen 1933 en 1990, van Reichstagsbrand tot Wende, doolde Weill hoogstens als spookgestalte in zijn geboortestad rond. Eerst in de gedaante van 'der Jude Weill', die met 'hoerenliederen' de gezonde Germaanse geest bezoedelde en daarom entartet werd verklaard. Zodra de nazi's aan de macht kwamen, had Weill zijn toevlucht in de Verenigde Staten gezocht, maar na 1945 kwam er geen eerherstel. Weill promoveerde tot 'Klassenfeind'; een componist die zich aan Broadway en Hollywood had verkocht, en in de DDR werd beloond met een boycot op de vertolking van vrijwel al zijn werken.

In Dessau waren de schaarse materiële herinneringen aan Weills bestaan spoedig uitgewist. In de pogrom van november 1938 brandde de synagoge waar vader Weill voorzanger was tot de grond toe af, na de oorlog volgde de sloop van het geboortehuis in de Leipzigerstrasse. De componist maakte het zelf niet meer mee: hij overleed in 1950 in New York, een gevierd Amerikaans staatsburger die zelfs thuis met zijn vrouw Lotte Lenya geen Duits meer had willen spreken.

Met de tijd verschrompelde de culturele betekenis van Dessau, dat om zijn bloeiende theater- en operaleven ooit 'het Bayreuth van het Noorden' heette. Wat restte was de faam van het Bauhaus, de kunstacademie die de architect en docent Walter Gropius er in 1925 als een stralend baken van de nieuwe tijd had gevestigd. Ook Gropius was in Exil gevlucht, maar in de DDR-jaren werd zijn in verval geraakte monument tenminste niet helemaal genegeerd. In 1976 onderging het een hoognodige restauratie. Dessau's eer als hoedster van de kunsten was daarmee zo'n beetje gered.

Zo was de situatie, toen Andreas Altenhof kort na de Wende de stad bezocht en tot zijn verrassing ontdekte dat hij rondwandelde in de geboorteplaats van zijn favoriete componist. De toerist uit München concludeerde dat Dessau Weill iets schuldig was, en bedacht een 'project': met een videorecorder trok hij het stadscentrum in en vroeg voorbijgangers of ze wisten wie Kurt Weill was. Nooit van gehoord, luidde onveranderlijk het antwoord. 'Eén voorbijgangster meende dat hij boeken schreef. En twee heren kenden hem van Mack the Knife. Maar dat bleken Mormonen uit Amerika', zegt Altenhof grinnikend.

De voormalige muziekstudent heeft reden te lachen. Altenhof doet zijn verhaal in het van nieuwheid glimmende hoofdkwartier van het Kurt Weill Gesellschaft, dat de afgelopen anderhalve week het zesde Kurt Weill Fest onder zijn artistieke leiding presenteerde. Aan symboliek is geen gebrek: Altenhofer houdt kantoor in het zopas liefdevol gerestaureerde Meisterhaus, een mooi helder ontwerp van Gropius nabij het Bauhaus, waarin in de jaren twintig de schilder en Bauhaus-docent Lyonel Feininger met zijn gezin woonde.

Het is snel gegaan in Dessau. Na de ineenstorting van de boeren- en arbeidersstaat zag het nieuwe stadsbestuur in dat ook het culturele leven in de stad nieuwe inhoud moest krijgen. Altenhofs Weill-project spoorde met die plannen. De Kurt Weill Foundation in New York, die de rechten op Weills composities beheert, mengde zich in het gesprek, en met steun van de deelstaat Sachsen-Anhalt werd in 1993 het eerste, nog bescheiden Kurt Weill Fest gerealiseerd.

'We krijgen van alle kanten hulp', verzekert de jonge artistiek leider, die zich voor de taak geplaatst ziet met 'relatief weinig geld' vrijwel 'vanuit het niets' een Weill-traditie te vestigen. Wat dat betreft is het eigenlijk pech dat Weill uitgerekend in Sachsen-Anhalt is geboren, mijmert hij. De deelstaat ís al zo rijk bedeeld met gewichtige muziekfestivals: 'We hebben Telemann in Magdeburg, Bach in Köthen en in Halle is sinds vele jaren het Händel-festival. Sachsen-Anhalt heeft zich verplicht al die initiatieven te ondersteunen, en dan wringt zich daar opeens Kurt Weill tussen.'

Maar geen nood, want Weill kan een heel nieuw publiek naar de deelstaat lokken. 'Bij een Händel-festival weet je op welk publiek je je richt. Met Weill is dat anders. Zijn muziek past in geen Schublade, en dat weerspiegelt zich in het publiek. Dat zit letterlijk overal, tot in Japan toe. En al gaat het nooit om grote aantallen, het zijn luisteraars die van nature nieuwsgierig zijn. Bij Weill valt nog zo veel te ontdekken.'

ALTENHOF blikt vast vooruit naar 2000; Weills eeuwfeest, dat grootscheeps gevierd moet worden met Weills en Brechts magnum opus Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny, in een verlaten mijnbouwgebied in de buurt van Dessau. Weills 'multimediale' oeuvre biedt volop aanknopingspunten voor dergelijke actuele ensceneringen, vindt Altenhof, ook omdat zijn werk zo volslagen unpathetisch is. 'Weill heeft keer op keer de grote thema's van deze eeuw behandeld, zonder didactisch of belerend te worden. Het gaat bij hem altijd om het individu.'

Voor een belangrijk deel is Weill nog altijd onontgonnen terrein. Amerikanen kennen zijn Duitse jaren slecht, in Europa is zijn Broadway-repertoire zelden of nooit te horen. Intrigerend is ook dat er steeds weer onbekende composities opduiken. Altenhof: 'Er zijn nog minstens twee of drie complete opera's zoek. En in 1995 hadden wij de wereldpremière van de Orkestsuite in E, een compositie uit 1917'

Maar 1998 is in Dessau het jaar van Die Dreigroschenoper - hoe kan het ook anders, bij het eeuwfeest van Bertolt Brecht en de zeventigste verjaardag van de 'driestuiversopera', die op 31 augustus 1928 in Berlijn zijn rumoerige bestaan begon. Het bijtende sarcasme van Die Dreigroschenoper bleek de toon waar het interbellum op had gewacht. Binnen een jaar waren Mackie Messer en Seeräuber-Jenny in vierduizend voorstellingen door heel Europa te zien, hun liedjes verschenen op 78-toerenplaten, en in Berlijn opende een Dreigroschenbar, met dag en nacht Kurt-Weillmuziek. Wie dat nog niet genoeg was, kon thuis de muren bedekken met Dreigroschenbehang. Het was de koortsachtige drang van een nieuw tijdperk, de Grossstadt-idylle van de Weimar-republiek, die al snel zou worden weggevaagd door het nationaal-socialisme.

Heel die beladen geschiedenis echoot onvermijdelijk mee, als vrijdagavond de nieuwe regie van Dreigroschenoper van de Berlijner Kurt Veth in het uitverkochte Anhaltisches Theater in première gaat. En in dat neo-classicistische bakbeest aan de Friedensplatz doemen vanzelf de vragen over Weills actualiteit op, nog voor de voorstelling goed en wel is begonnen. Want dit is een uitgelezen plek voor een sociale satire: een megalomane kunsttempel, waarin Weills commentaar op holle plechtstatigheid al bij voorbaat een extra galm meekrijgt.

Altenhof verschaft opheldering, maar geen opluchting: het theater is een herinnering aan de rol die Dessau was toebedacht als nieuwe Gau-hoofdstad in het Derde Rijk. Met zijn belangrijke chemische industrie (het vernietigingsgas Zyklon B werd in Dessau geproduceerd) en de Junkers-vliegtuigfabrieken zou het stadje moeten uitgroeien tot een metropool van 600.000 inwoners. De door Hitler in 1938 geopende schouwburg raakte door bombardementen zwaar gehavend, maar werd in 1945 meteen herbouwd.

Ook zonder die kennis is de Anhaltische Dreigroschenoper geen plezierige ervaring. Veth, voormalig assistent van Brecht, houdt zich aan de tekst en vergrijpt zich niet aan actualisering van welke aard dan ook. Op dit immens brede en diepe speelvlak weet hij echter geen raad met de rauwe, bewust armoedige kanten van het verhaal, dat ook een sarcastisch commentaar op het traditionele theater is. Veth brengt een Dreigroschenoper die haast een parodie op zichzelf is.

Macheath alias Mackie Messer (gespeeld door Günther Junghans) heeft nog een zekere sinistere dubbelzinnigheid, maar de anderen beperken zich tot 'invoelend' acteren, terwijl het koor op de achtergrond gebaart van ach en wee. Zelfs het slagroomgevecht en de met veel gehoest opgestoken feestsigaar ontbreken niet.

Weill vergaat het niet veel beter. Muzikaal leider Karl-Heinz Zettl houdt zich strikt aan de originele partituur, maar het orkestje zit achteraan op het podium en weet de afstand naar de zaal nauwelijks te overbruggen. Veel te eerbiedig speelt het zijn nootjes - en het is schrikken om te horen dat de vileine Kanonensong zo vrijblijvend kan klinken.

Altenhof verzuchtte eerder die dag al dat het zo moeilijk is geschikte zangers en acteurs voor Weill te vinden. 'Deze merkwaardige Zwichsengattung vraagt mensen die kunnen acteren, zingen én bewegen. Helaas voorzien de reguliere opleidingen daar nauwelijks in. Voor het festival is de zorg voor Nachwuchs daarom van groot belang. We kunnen dat ook aanvatten, omdat Weill zelf veel schoolmuziek heeft geschreven. Sommige stukken rekende hij zelfs tot zijn beste werk.'

De overweldigende belangstelling voor de masterclass van Gisela May, de grande dame van het Brecht- en Weill-repertoire, heeft Altenhof de afgelopen week in zijn overtuiging gesterkt. Hoe moet je Weill zingen? 'Er is een enorme behoefte aan kennisoverdracht.'

In Gropius' Bauhaustheater, waar net als in de jaren twintig weer regelmatig voorstellingen te zien zijn, blijkt zaterdagmiddag dat het wel meevalt met de kennisoverdracht: ook in Japan heeft Weill zijn sporen nagelaten. Het Trunk Theatre Tokyo, een vijfkoppige groep muzikanten en acteurs, brengt een brutale straattheater-Weill, met veel onfunctioneel bloot en onbekommerd absurdisme. Weills muziek klinkt springlevend: de Alabama-Song verandert in een a cappella-fluisterlied, een schattig scheel kijkende zangeres doet een kimonoversie van Ach, Bedenken Sie, Herr Jakob Schmidt, en over de goed getimede autotoeters was Weill vast ook te spreken geweest.

TRADITIONELER is het cabareteske gezelschap dat op het podium van Kulturpalast Bitterfeld een radio-avond uit 1928 reconstrueert, geïnspireerd door Weills enthousiasme voor het nieuwe medium. Er wordt geciteerd uit Weills radiorecensies voor het blad Der Deutsche Rundfunk, er klinken reclame-Schlagers voor margarine en onder de ouderwets degelijke begeleiding van het Filmorchester Babelsberg blijkt opnieuw dat het toch niet zo moeilijk is Weill recht te doen. Spelen wat er staat, zonder kunstpretenties en met een beetje Schwung - dan doen Weills noten de rest. En wat mooi dat de componist juist in deze pretentieloze ambiance van schmink en variété die lichte zwavelgeur verspreidt, waardoor ook zijn simpelste melodieën meteen die valse, verontrustende dubbelzinnigheid krijgen.

Ook in de net gerestaureerde Marienkirche in het centrum laten toneel- en conservatoriumstudenten uit Berlijn horen dat Altenhof niet hoeft te somberen. Happy End, het weinig gespeelde vervolg op Die Dreigroschenoper uit 1929, krijgt dankzij de vindingrijke regie van Angelica Domröse een plezierig tempo, dat de zwakke plekken in deze didactische komedie handig maskeert.

Happy End laat op Brechtiaanse wijze zien hoe gangsters en Leger des Heils-soldaten in de kapitalistische maatschappij vergelijkbare rollen spelen. Er wordt smeuïg, zonder aplomb gezongen en geacteerd en ook het orkestje doet wat Weill bedoelt: het bijt, spot en verleidt, op z'n best in de drie romantisch-wrange songs waardoor de geflopte komedie toch niet is vergeten: Bilbao Song, Surabaya-Johnny en Matrosen Song.

En opnieuw dringt Dessau's verleden zich op. Wie tijdens Happy End in de Marienkirche omhoog kijkt, ziet de grote roetplekken die herinneren aan de geallieerde brandbommen die de binnenstad op de avond van 7 maart 1945 - drie weken na Dresden - in een rokende puinhoop veranderden. Zaterdag beginnen om 21.49 uur in heel Dessau de kerkklokken te luiden, ter herinnering aan die vuurzee van 53 jaar geleden - een bitter maar nauwelijks misplaatst contrapunt in de slotavond van het zesde Kurt Weill Fest.

Altenhof: 'Onze boodschap is: als je iets anders en avontuurlijks wilt horen, moet je naar Dessau.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden