Zwartromantische bloedbroeders

Nederlandse schrijvers krijgen ongenadig onder uit de zak in de brieven die Nanne Tepper schreef in zijn bloeiperiode. Alleen in Geerten Meijsing vond hij een zielsverwant, blijkt uit hun roerende briefwisseling. Hun beider motto: alles voor de kunst.

Beeld Harry Cock

Depressies

De bloeitijd van Nanne Tepper (1962-2012) is maar kort geweest. Als dertiger publiceerde de auteur die zelden zijn huis aan het Noorderplantsoen in Groningen uit kwam de opzienbarende romans De eeuwige jachtvelden (1995, Anton Wachter Prijs) en De vaders van de gedachte (1998, Libris Prijs-nominatie). Achteraf bleken dat de twee hoofdwerken te zijn.

Weliswaar kwamen er deze eeuw nog een paar uitgaven met vaak oudere schetsen en een paar geforceerde columns, maar depressies en andere ongemakken maakten Tepper het werken stilaan onmogelijk. Nadat hij met de meeste van zijn schaarse vrienden het contact had verbroken, maakte hij op 10 november 2012 een einde aan zijn leven. De successtory was in een lijdensverhaal verkeerd.

Geheel onverwacht kwam die wending niet. Als deze schrijver geen gas terugneemt, kon de lezer van zijn twee hoogstandjes denken, dan zou hij wel eens door kunnen draaien. Beide stronteigenwijze romans immers, getuigenissen van een talent dat ijzersterk was in een combinatie van bravoure en foeteren, staan onder hoogspanning. Met boze en flauwe grappen, en verwoede verwijzingen naar geliefde auteurs en componisten wierp Tepper in zijn verhalen een wal op, om een broze kern te beschermen: teder op het pathetische af zijn de passages die hij schreef over een zus en een broer (in De eeuwige jachtvelden) en een vader en een dochter (in De vaders van de gedachte).

Manische trekken

Voor een heremiet is een brief het ideale communicatiemiddel: zonder iemand onder ogen te hoeven komen onderhoud je toch contact, je kunt ononderbroken monologen afsteken en geduldig een latente paranoïa opkweken zonder dat de ongeruste omgeving tijdig kan ingrijpen. De paar vrienden en kennissen van Nanne Tepper kunnen ervan meepraten en hebben dat onderling de afgelopen jaren vast gedaan, zodat ruim drie jaar na zijn stille dood zijn dikste boek het licht ziet: De kunst is mijn slagveld, zevenhonderd pagina's brieven uit de jaren 1993-2001, de bloeiperiode, waarna de schrijver implodeerde en de gekwelde mens nog elf jaar verder leefde.

'Mijn enige metgezel in dit leven is mijn angst overweldigd te worden', schrijft hij in 1995 aan Louis Geertman, theosoof en docent Frans. Die bekentenis onthult veel over dit complexe karakter. Met stilistisch vertoon ontleedt hij zichzelf tegenover naasten, en met schwung en woordgrappen presenteert hij zich in de literaire wereld: 'Aangezien mijn batterijen leeg zijn en ik met de vingers in het stopcontact van mijn muze zit om de boel weer op te laaien lees ik tussen neus en voorhoofdsholten door even De ontdekking van een zemel'.

Natuurlijk deugt er niet veel van het grote boek van Harry Mulisch waar in 1993 heel 'Hamsterdam' ('hele grote bah') over spreekt. Zoals elke schrijver en kunstenaar, ja eigenlijk iederéén die de belangstelling van een groot publiek trekt, in zijn ogen verdacht is.

Donna Tartt, Connie Palmen (eerste druk van De Wetten 100.000 exemplaren, 'Gatverdamme!'), A.F.Th. van der Heijden, Joost Zwagerman, Oek de Jong, Frans Kellendonk, alsmede koekenbakker Vincent van Gogh, plus Ronald én Frank de Boer; allen krijgen ongenadig onder uit de zak, enigszins voorstelbaar bij een beginnend auteur die ruimte voor zichzelf wil scheppen, al vertoont Teppers razernij manische trekken.

Even typerend is de huizenhoge lof die hij dan weer reserveert voor Nabokov, Salinger, Joyce, Gerard Reve, Mark Twain en Scott Fitzgerald, opvallend vaak eenlingen die hun kwetsbaarheden trachtten af te schermen door ironie en kluizenaarschap.

Grollen en uitroeptekens

Gaat Tepper bij uitzondering een avondje uit naar een concert in Groningen, dan valt dat tegen: 'De symfonie van Schubert (eerste of zesde) was te bar voor woorden, maar dat ligt aan Schubert, die er, dat moet gezegd, maar weinig van bakte, van een symfonie. Tjonge, wat een ranzige apekool.'

Zo ken ik Nanne Tepper weer, met wie ik een paar keer te maken heb gehad. Een jaar voordat hij debuteerde, kreeg ik als redactielid van het tijdschrift Optima een verhaal van zijn hand onder ogen, waarvan mijn collega's Michaël Zeeman, Henk Pröpper en ik aanvankelijk dachten dat onze andere mede-redacteur Atte Jongstra de schepper was. Vanwege de vreemde naam, Nanne Tepper, al die grollen en uitroeptekens in zijn tekst, en dan te bedenken dat Jongstra in die dagen ook schuilging achter de gestoorde dichter Arno Breekveld; we wisten eigenlijk tamelijk zeker dat Jongstra de nepper was.

Die hield echter vol dat hij de inzender alleen van brieven kende, en las ons er een paar voor; prachtig. Veel grappiger dan het bijgeleverde verhaal. Kon Jongstra niet aan die Tepper van hem vragen om voortaan verhalen te schrijven in de trant van zijn brieven? Die boodschap zou Jongstra overbrengen.

Een paar jaar later zag ik de echte Nanne Tepper eindelijk, eens en voor al, in mijn hoedanigheid van lid van de Libris-jury die De vaders van de gedachte had genomineerd. Tepper aan de dis in een zaal met onder anderen Nooteboom en Mulisch bleek een dodelijk nerveuze jongen te zijn, weggedoken achter zijn sluike haar, heftig rokend, er kwam geen stom woord uit. Eenmaal thuis, lees ik nu in De kunst is mijn slagveld, had hij weer praatjes.

Het ene moment zie ik mij in deze brieven terug als iemand van wie Tepper 'een hoge pet op heeft', een volgend moment moet ik me ergens voor 'diep schamen', maar lof noch afkeer lijkt over mij te gaan; Teppers universum was piepklein en hij kon zijn tuintje alleen onderhouden door bijna alles wat daar omheen groeide als onkruid te zien.

Beroepsdepressievelingen

Kunst, daar geloofde hij in. De beestenbende van het leven in de grote wereld kan daardoor niet worden teniet gedaan, dat wist hij (brief uit 1994), maar wél weerlegd, en dan volgt deze magnifieke passage: 'want is het beestachtig, als ik in een libelle, trillend en ijl, boven een geurend ven, op een nazomerdag, het beeld van een meisje van lang geleden zie, een waternimfje, dat angst en moed samenbalt in een houding die ze aanneemt op haar allereerste ziekbed, en mijn geheugen de wrede schoonheid van dit tafereel aan de schors nagelt en later fluisterend teruggeeft als ik een bladzijde schrijf?'

Teppers testament had lang niet zo omvangrijk gehoeven. Nu zitten we met overlappingen, herhalingen en veel opmerkingen over marginale figuren als Rob van Erkelens, Huub Beurskens en Marc Reugebrink. Tegelijk is het brievenboek een portret van een markant auteur die we niet vergeten mogen.

Onder de vertrouwelingen die Tepper toeliet in zijn leven, bevond zich Geerten Meijsing, ook een auteur die zijn eigen gang gaat en volbloed zwartromantisch durft te zijn, evenzeer pretentieus en dikwijls vilein, met een vergelijkbaar grondige afkeer van de Amsterdamse dorpspomp - maar vanuit zijn zelfgekozen verte altijd wél tuk op recente roddels uit het verfoeide epicentrum van 'Luiletterland' (Tepper).

De twee beroepsdepressievelingen bewonderden elkaars werk. Bij de bibliofiele Statenhofpers is de bundeling van Meijsings brieven aan 'bloedbroeder' Tepper verschenen, een genot door de openhartigheid waarmee hij kond doet van zijn toentertijd tumultueuze levenswandel. 'Volwassenen parodiëren de erotiek van hun kinderjaren en verliezen zich uit onmacht in excessen', aldus Tepper in De vaders van de gedachte.

Meijsing is daarvan het levende bewijs. Hij schrijft Tepper over opnames op psychiatrische afdelingen, zelfmoordpogingen, ruimborstige callgirls met persoonlijkheidsstoornissen en verslavingen, drank, pillen, muziek, geldgebrek en verschrikkelijke collega's.

Het leven is een straf voor de auteur die niettemin in die periode nog onverminderd productief was, getuige de romans De ongeschreven leer, Tussen mes en keel (met een figurantenrolletje voor Tepper als de schrijversvriend 'Wanja') en Dood meisje.

'Ik ben mezelf weinig van theater bewust', biecht hij Tepper in 1996 op, 'al vind ik wel dat het leven een eenmalige voorstelling is, en dat je je eigen leven tot een kunstwerk zou moeten maken (wat mij in het geheel niet lukt, hoor).' De relativering tussen haakjes is uitzonderlijk voor Meijsing, en zegt veel over de vertrouwensband die hij met zijn twaalf jaar jongere collega had.

Uit beider brieven spreekt een zielsverwantschap en rigoureuze toewijding aan het schrijverschap. Meijsing deinst niet terug voor een mooie proustiaanse Natureingang: 'De avond komt al uit de huizen, maar de hemel is nog klaar en licht, met een maantje als door het raam van de kinderjaren aanschouwd, toen het inslapen door de grenzeloze verwachting voor de volgende morgen werd vertraagd.' Even later is er weer heibel met verkeerde vrouwen en andere eeuwige problemen: 'Een week lang linzensoep gegeten, omdat de gelden maar niet binnen willen komen.'

Deze twee mannen die zich stelselmatig verkeerd begrepen voelen, hebben alles over voor de kunst en willen dat graag weten. Hoe ze elkaar tussen alle nachtmerries door proberen op te beuren, is een roerend schouwspel.

Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden