Zwarte schapen en intriganten

Dinsdag wordt in Londen de winnaar van de 41ste Man Booker Prize bekendgemaakt. J. M. Coetzee kan voor de derde maal winnen....

In de loop van zijn veertigjarige geschiedenis heeft de Man Booker Prize zich gestaag ontwikkeld van een volbloed Engelse literaire prijs – incidenteel ruimhartig toegekend aan een Ier of genaturaliseerde Indiër – tot wat je zowat een bekroning voor postkoloniale fictie zou kunnen noemen. Al tijden vormen Engelse auteurs een minderheid op de shortlists en de laatste twaalf jaar werd de prijs welgeteld éénmaal aan een Engelsman toegekend, te weten Alan Hollingurst, die in 2004 won met The Line of Beauty.

De jury die ’s werelds invloedrijkste literaire prijs dit jaar mag uitreiken, heeft radicaal met deze traditie gebroken. Vijf van de zes genomineerden zijn ‘echte’ Engelsen: oud-winnares A.S. Byatt, tweevoudig shortlist-nominee Sarah Waters, éénmalig longlist-nominee Hilary Mantel en outsiders Adam Foulds en Simon Mawer. Slechts de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee werd goed genoeg bevonden zich bij hen te voegen.

Behalve door Englishness wordt de shortlist van 2009 bovendien gekenmerkt door een sterke betrokkenheid op het verleden. Met enige goede wil kunnen alle genomineerde boeken worden getypeerd als historische romans.

In Britse literaire kringen heeft deze opmerkelijke keuze voor de nodige discussie gezorgd. Reflecteert zij de huidige state of the nation? Trekt Engeland zich in economisch moeilijke tijden terug in het eigen rijke verleden, zoals zovele Engelse vakantiegangers dit jaar het dure buitenland links lieten liggen en veilig in eigen land bleven?

Of zijn Engelse schrijvers tot de conclusie gekomen dat het gemakkelijker is een plot te construeren wanneer de personages elkaar niet met hun mobiele telefoons kunnen bellen, zoals een columniste ironisch suggereerde?

Hoe dan ook, de shortlist van dit jaar bestrijkt een periode van de Tudor-dynastie (1485-1603) tot de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het verst terug gaat Hilary Mantel, die in Wolf Hall haar visie geeft op de geschiedenis van Engeland tussen 1527 en 1535 (Fourth Estate; euro 16,95).

Mantel doet dit aan de hand van een hoofdpersoon die door de eeuwen heen de rol van het zwarte schaap heeft gespeeld: Thomas Cromwell, de adviseur van koning Hendrik VIII. Het was Cromwell die Hendrik de breuk met Rome voorstelde teneinde te kunnen scheiden en vervolgens over de ontmanteling (lees: plundering) van de Britse kloosters presideerde.

Mantels Cromwell is een gecompliceerde figuur: een intrigant en manipulator, maar ook een verschoppeling. Haar vermogen om aan de hand van deze figuur een nieuw licht te werpen op een wel érg intensief beschreven en verfilmd tijdperk, getuigt van moed en vakmanschap.

The Quickening Maze van Adam Foulds (Jonathan Cape, euro 19,95) speelt in de jaren 1840 in de iets buiten Londen gevestigde privé-inrichting High Beach. Een van de patiënten is de dichter John Clare, een van de geregelde bezoekers Alfred Tennyson, de latere poet laureate, wiens broer eveneens in de kliniek is opgenomen. De roman is opgebouwd rond een reeks ontmoetingen tussen beide dichters.

Foulds valt niet voor de romantische notie dat waanzin – bij kunstenaars – juist een staat van verlichting is, en schetst Clare’s toestand in al zijn onaangename details. Waar Clare een volkomen ontspoorde geest is, gaat Tennyson vooral gebukt onder geldzorgen en een deprimerend gevoel van miskenning.

Een van de centrale personages in A.S. Byatts uitbundige, in de periode 1895-1918 gesitueerde roman The Children’s Book (Chatto & Windus, euro 18,95), is de kinderboekenschrijfster Olive Wellwood. Met haar bij de Bank of England werkzame echtgenoot Humphrey en hun vijf kinderen vormt ze een bohémien huishouden waar vrijdenkers, kunstenaars, socialisten en andere progressieve geesten in en uit lopen.

Byatts boek voert de lezer van Kent naar Parijs en van München naar de loopgraven van Noord-Frankrijk, en kan zich in verhalende rijkdom en intellectuele diepgang meten met Possession, waarmee ze in 1990 de Booker Prize won.

De hoofdpersoon van The Glass Room van Simon Mawer (Little, Brown, euro 21,95) is niet zozeer een mens als wel een gebouw. In 1929 geeft het Tsjechische paar Victor en Liesel Landauer een briljant architect opdracht een huis voor hen te bouwen. Het wordt een revolutionair ontwerp, strak en functionalistisch, uit glas en staal.

Als Duitsland Tsjechoslowakije inlijft moeten de Landauers vluchten en valt de villa in nazihanden. Na de oorlog wordt het een communistische fysiotherapieruimte en vervolgens een museum. Pas in 1990 komt het tot een hernieuwde confrontatie tussen het huis en zijn voormalige bewoners. The Glass Room is doordrenkt met liefde voor Tsjechoslowakije, en de verwikkelingen rond het huis vormen weinig minder dan een metafoor voor de 20ste-eeuwse geschiedenis van het land.

The Little Stranger (De kleine vreemdeling) van Sarah Waters, dat hier enkele weken geleden werd besproken, is een (spook)verhaal over een familie in verval en een maatschappij in verandering (Little, Brown, euro 20,99/ Nijgh & Van Ditmar; euro 19,90). De roman schetst een fascinerend beeld van het verarmde en gedesillusioneerde Engeland van vlak na de Tweede Wereldoorlog, moeizaam op zoek naar een nieuwe identiteit.

Summertime (Zomertijd) is het derde deel van J.M. Coetzee’s gefictionaliseerde memoires (Harvill Secker, euro 27,95/ Cossee, euro 22,90). Coetzee is in dit boek inmiddels overleden. De Engelse biograaf Vincent heeft de hand weten te leggen op zijn notitieboeken en interviewt daarnaast een vijftal personen die belangrijk zijn geweest in de begintijd van Coetzee’s schrijverschap in de jaren zeventig.

Summertime is een intrigerende combinatie van feit en fictie, waarin Coetzee zowel een spel speelt met de mogelijkheden van literatuur als met de al te vaak door biografische nieuwsgierigheid gedreven lezer.

Wie van deze zes auteurs zal aanstaande dinsdag het prijsgeld van 50.000 pond en de bijna-zekerheid van royaal toenemende verkoopcijfers mogen begroeten? Twee dagen nadat in augustus van dit jaar de longlist bekend werk gemaakt, schoot de naam van Hilary Mantel van outsider naar absolute favoriet en dat is sindsdien zo gebleven. Sterker: er is in de hele geschiedenis van de Booker Prize nog nooit zo’n duidelijke favoriet geweest.

De meeste critici zijn het eens dat de tweevoudige winnaar J.M. Coetzee met het nogal kokette Summertime niet zijn beste werk leverde. Ook Mawer en Foulds blijven achter bij de formidabele boeken die de drie vrouwelijke kanshebbers afleverden.

Sarah Waters wordt als Mantels grootste concurrent beschouwd, en na tweemaal achter het net te hebben gevist zou ze met The Little Stranger absoluut een bekroning verdienen. Maar zo eens in de tien jaar gaat de gedoodverfde favoriet ook inderdaad met de prijs strijken, en de laatste keer dat dat gebeurde was in 2000 (Margaret Atwood met The Blind Assasin).

Het lijkt onvermijdelijk: the odds are on Hilary Mantel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden