Zwaar gestraft, maar waarom?

DE MAN van 52 - tweemaal gehuwd, tweemaal gescheiden, één dochter -, aan wie J.M. Coetzee de hoofdrol heeft gegeven om in zijn meer dan prachtige roman Disgrace ('Schande') een paar fundamentele levensvragen aan de orde te stellen, heeft - voor iemand van zijn leeftijd en onder zijn omstandigheden -...

Op een dag ziet hij zijn betaalde bedgenote in de stad met twee kinderen, háár kinderen beseft hij, en vanaf dat moment is de groeiende affectie - nee, nog geen liefde - die hij voor Soraya begon te voelen, niet meer binnen de perken van de donderdagse afspraak te houden. Hun zakelijke overeenkomst blijkt, althans wat deze David Lurie betreft, niet bestand tegen zijn verlangen naar méér: de hele vrouw, de hele mens, de moeder. Maar als hij met de hulp van een privé-detective haar adres heeft opgespoord, volgt een ijzige afwijzing.

Er zijn grenzen.

Verliefde prof op jaren loopt blauwtje bij hoer. Zo zou je het melodramaatje kunnen samenvatten waarmee Coetzee Disgrace begint. Maar daarmee doe je het verhaal ernstig tekort, want in deze treurige ervaring van David Lurie zit tot op zekere hoogte al de hele roman, of althans de kern ervan, die je zou kunnen omschrijven als een poging om te laten zien hoe grenzen, afspraken en (ongeschreven) wetten een cultuur bijeenhouden, en wat er niet allemaal gebeurt als zo'n 'wereld' door allerlei gebeurtenissen volkomen verandert en het hele afsprakensysteem als het ware wordt herschreven.

In de eerste hoofdstukken geeft Coetzee een aantal voorbeelden van dit proces. Heel aansprekend is de verandering die de professor ervoer, toen 'men' besloot - in zulke 'democratische' sferen is het altijd een anonieme 'men' die beslist - de letteren af te schaffen om er 'communicatieve vaardigheden' voor in de plaats te stellen. De letteren werden 'weggerationaliseerd', een woord dat aan de newspeak van Orwells 1984 doet denken.

Voor Lurie manifesteert zich in deze gang van zaken, bedoeld om het academische bedrijf even doelmatig te maken als een autofabriek, een stuitend onbegrip voor het soort beschaving waaraan de universiteit eeuwenlang haar bijdrage heeft geleverd. Dat de poëzie werd uitgebannen (waarin hij af en toe nog wel facultatief les mag geven), heeft hem persoonlijk zeer gekwetst, al hield hij zich kalm. In zijn ogen is de poëzie (het lied) nota bene de oorsprong van de taal (niks 'communicatie').

Maar David Lurie is geen dweper. Integendeel. Hij is een rustig, nogal rationeel ingesteld man - iemand die zelfs zijn gevoelsleven in dier voege dacht te kunnen reguleren. Des te meer verbaast het daarom dat hij kort na de botsing met Soraya, iets begint met een van zijn studentes, de jonge, en uiteraard verblindend mooie Melanie.

Een nieuw melodrama, want ook in dit geval gaat het fout, maar ernstiger. Wat hij met Soraya uitvrat, was per slot van rekening zijn zaak, maar met deze studente is de universiteit in het geding en daarmee voegt Coetzee een tweede belangrijk element aan zijn vertelling toe, terwijl hij de schaduw van een agressief soort jeugd-geweld over de professor en zijn Lolita-meisje laat vallen. Wat hij toevoegt is de manier waarop Lurie's confraters hem wegens schending van de universitaire regels voor hun vierschaar dagen. Rationeel als hij is, geeft hij zijn 'fout' toe, maar dat is voor zijn rechters niet genoeg. Hij moet door het stof, hij moet biechten, hij moet zijn zondige aard voor hen blootleggen. Het 'rationaliseringsproces' blijkt een sterk religieuze inslag te hebben.

En niet alleen een religieuze. We zijn, laten we dat niet vergeten, in Zuid-Afrika, waarvan we tot nu toe op wat namen en uiterlijkheden na, nog niet zoveel hebben gemerkt. Wat Coetzee vertelt, had mutatis mutandis ook in Amsterdam kunnen gebeuren. Maar we komen volop in het hedendaagse Zuid-Afrika, als Lurie afscheid neemt van de universiteit en naar zijn dochter Lucy aan de Oostkaap trekt, waar zij een boerenbedoeninkje drijft. Met een vriendin, denkt hij, want ze is lesbisch, maar de vriendin is weg.

Met deze verplaatsing van de stad naar het platteland, die - zoals alles in dit adembenemende boek - zo vanzelfsprekend verloopt dat je vergeet te letten op de bedoeling die Coetzee ermee heeft, wordt het de gewezen hoogleraar onmogelijk gemaakt nog langer in abstracties - in de wereld van de geest - te leven.

Hij wordt gedwongen als intellectueel, als Schöngeist, minnaar van de romantische poëzie, zijn zintuigen aan de stank van mest, het geblaf van honden en het afstotende uiterlijk van de bewoners te laten wennen (en zowel met de dieren, als met een erg lelijke vrouw krijgt hij iets).

Alles waaraan hij gehecht is, zowel zijn liefde voor (mooie) vrouwen als zijn neiging tot beschouwen, waarmee hij de verrassingen van het leven - op de grens van het cynisme - in de hand leek te kunnen houden, verliest hier zijn betekenis. Hier is hij niets meer, mag hij op de honden passen. Zelfs zijn dochter, van wie hij zegt zielsveel te houden, dreigt hem in haar boerengestalte te worden ontvreemd.

Lucy heeft geen boodschap aan zijn eruditie. Voor haar telt alleen de dagelijkse routine: de dingen die gedáán moeten worden. Er 'is geen hoger leven'. Haar houding vergroot niet alleen Lurie's machteloosheid, ze maakt hem ook steeds deerniswekkender.

Verplaatst naar de treurige lelijkheid van dit platteland, begint de lezer te beseffen dat Lurie - die ervan droomt zelf een keer een kunstwerk te maken, een opera over Byron - zwaar gestraft wordt, maar door wie, en waarom in godsnaam?

Als op een dag drie zwarte mannen het terrein op komen lopen, begint dat besef ook bij Lurie te dagen. Met één klap wordt dan het betrekkelijk onschuldige spel dat Coetzee met zijn hoofdpersoon speelt, in het volle licht van het Afrikaanse geweld geplaatst. Het heeft geen zin het hier na te vertellen. Het is schokkend, zonder meer, maar de schok zit 'm niet zozeer in wat Coetzee onthult, als wel in de manier waarop Lurie en zijn dochter erop (moeten?) reageren. Laat ik zeggen dat het je nogal aangrijpt.

Vooral de houding van Lucie - die herhaaldelijk is verkracht, en als ze zwanger blijkt te zijn niet alleen het kind wil houden, maar ook daar aan de Oostkaap met een zwarte man wil blijven leven - maakt grote indruk. Ineens is er niet zoveel meer 'herkenbaar' in wat Coetzee vertelt, sta je voor een raadsel, maar geleidelijk aan begin je te beseffen dat je juist daardoor een idee krijgt van wat het betekent om in Zuid-Afrika te leven, wat het betekent om in deze wereld te leven. En weet je: een boek als dit, zo complex, en tegelijkertijd zo beeldend, zo mooi van taal (Frans van der Wiel, die de laatste hand heeft gelegd aan zijn vertaling voor Ambo, zal er een hele dobber aan hebben gehad), is een zeldzaamheid. Een meesterwerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden