Zwaantje Zikken herinnert zich

IN HAAR herinneringen beperkt Aya Zikken (1919) zich tot haar ontmoetingen met collega's in de jaren zestig. Voor het onbesproken laten van de daaropvolgende dertig jaar geeft ze geen verklaring, maar de lezer hoeft niet ongewoon scherpzinnig te zijn om te vermoeden dat de schrijfster aan de verkozen periode de...

J.C. Bloem, Gerard Reve en Hella Haasse, die kennen we nog goed. Victor van Vriesland, Margaretha Ferguson, Annie Salomons, Willy Corsari en Jeanne van Schaik-Willing, die kennen de ouderen onder ons alleen nog. Of zij hen nog lezen, durven we niet eens te vragen. Voor Bertus Aafjes en zelfs Simon Carmiggelt geldt dat ze binnen afzienbare tijd tot diezelfde categorie kunnen worden gerekend.

Dat wil niet zeggen dat de portrettengalerij van Zikken droef stemt. Integendeel, doordat zij zich concentreert op het tijdvak waarin zij kennelijk het gelukkigst was, wordt gisteren even vandaag. De eventuele nostalgie, dan wel de verbazing over de onbarmhartigheid van de vergetelheid, blijft voor rekening van de lezer. In een kort inleidend woord onthult Zikken dat dit boek waarschijnlijk meer autobiografische stof bevat dan ze tot nu toe ooit gebruikte. Dit moge zo zijn, het wil nog niet zeggen dat Voor het vandaag werd een opvallend autobiografisch geschrift is. Zikken is nog van de generatie die niet alle intimiteiten even waardevol vindt om mee te delen.

Wel is ze altijd eerlijk. Haar sterkste typeringen gelden weerbarstige karakters als Beb Vuyk en Clara Eggink, met wie ze het goed kon vinden, zonder dat het met hen altijd even gezellig was. Het zou uit herkenning kunnen zijn - diverse keren wordt er melding gemaakt van de een of andere brouille die Zikken met deze of gene schrijver had -, maar juist die wat minder plooibare auteurs krijgen de warmste pagina's toebedeeld. Clara Eggink is eigenlijk alleen nog bekend van haar boek Leven met J.C. Bloem, maar de beschrijving die Zikken geeft van deze gastvrije en temperamentvolle vrouw is zo beeldend dat je aangedaan raakt door de slotscène waarin Eggink in een Haags verpleeghuis op de dood wacht: bleek, bewegingloos en zwijgend. Ook het sterfbed van de psycholoog en schrijver Henk Smeding (over vergetelheid gesproken) maakt indruk, doordat het hier eveneens iemand betreft met een enigszins gecompliceerd karakter.

Bijna besmuikt geeft Zikken aan dat Smeding homoseksueel moet zijn geweest, maar daar liever niet voor uitkwam: 'Hij was ongeveer twintig jaar ouder dan ik maar dat verschil in leeftijd verhinderde hem niet mij een jozefshuwelijk voor te stellen. Ik was er niet van onder de indruk, want van mijn vriendin Riek had ik gehoord dat hij dat idee ook al eens bij haar had geopperd. Hij was ouderwets en puriteins en de boeken van Gerard Reve choqueerden hem.' Zikken vond het een absurd voorstel en ging er niet op in, maar stond Smeding bij toen hij gedurende lange weken op sterven na dood was.

Wat Zikken zelf van de boeken van Reve vond, laat zij niet los. Enige tijd was Reve haar huisbaas, toen hij haar de eerste etage van het pand Rozendwarsstraat 9 in Amsterdam verhuurde voor de somma van fl 39,25. Zelf woonde hij met Teigetje op de verdieping erboven. Alles, werkelijk alles kon Zikken van haar bovenburen horen, schrijft ze, maar de details houdt ze liever voor zich. Ze heeft het er gezellig gehad, en Reve was een fidele huisbaas, die zelfs nog een goed woordje voor haar is gaan doen bij Herhuisvesting, toen het pand in de Rozendwarsstraat door alle ijverige getimmer en gebeuk spontaan in puin was gevallen - terwijl Reve veilig en wel in Greonterp verbleef.

Prijzenswaard is de zorg waarmee Zikken veelal vergeten schrijvers terugroept. Daarnaast is Voor het vandaag werd ook aangename lectuur vanwege de aardige anekdoten. Met Godfried Bomans zat ze in 1962 in het panel van het televisieprogramma Hou je aan je woord. Hij noemde haar herhaaldelijk Moppie, tot ze hem zei dit niet leuk te vinden. Bomans: 'Natuurlijk niet, dat zou ik ook niet.' Welke repliek Zikken aanzet tot de vaststelling achteraf: 'Bij Godfried wist ik nooit of ik om hem zou lachen of hem niet beter een schop kon geven.' Die schop kwam er natuurlijk nooit, daar was Bomans te leuk voor, en Zikken te decent. En alweer: het is de dubbelzinnigheid die haar in Bomans aantrok.

Fraai is de herinnering aan J.C. Bloem, die zich zijn leven lang ongaarne verplaatste. Geen wonder voor een man wiens verzen, naar inhoud noch vorm, tot de progressieve kunnen worden gerekend. Toen Bloem, Eggink en Zikken in Bergen verbleven, besloten de laatste twee de jonge dichter Lucebert te bezoeken. Ze troffen hem slapend voor zijn kachel aan, stoorden hem niet, en kwamen terug bij Bloem met een verslag van hun korte bezoek. Na enig nadenken sprak toen de oude dichter: Hij ziet daar ook niet zoveel in. Waarin, vroegen Eggink en Zikken. In dat bewegen, zei Jacques op zwaarmoedige toon 'die ons het zinloze van lichamelijk energieverbruik duidelijk moest maken'.

Het zijn voetnoten voor de literatuurgeschiedenis. Geen opzienbarende verhalen, maar wel een handvol nieuwe verhaaltjes die niet zouden misstaan in een nieuwe editie van Zachtjes knetteren de letteren, de anekdotentrommel die Jeroen Brouwers in 1975 publiceerde. Amusant is de zelfspot waarvan Zikken blijk geeft in een bijzin als deze: 'Van mij was alleen een debuutnovelle verschenen en een roman, Als wij groot zijn. . . (. . . dan kiezen wij nooit meer zo'n titel).'

Ook is de volgende omschrijving van Adriaan Roland Holst er eentje om in te lijsten. De ooit vermaarde Prins der Dichters stuurde Bomans naar Zikken met het verzoek of zij met hem wilde dineren. Ontevreden vroeg de schrijfster aan Bomans of Roland Holst haar dat niet zelf kon komen vragen. Nee, dat kon niet. Daarop bedankte zij: 'In die dagen kwam het mij voor, dat de keizer der dichters, hoe mooi ik zijn verzen ook vond, iets weghad van een Nederlandse prijs in de letteren. Als je lang genoeg wachtte en geluk had met de concurrentie, kreeg je hem vanzelf.'

Zikkens eerlijkheid wint het dan toch weer van deze reminiscentie aan haar kordate afwijzing, als zij de petite histoire afrondt met een blijk van berouw: 'Ik had het niet moeten doen. Die maaltijden waren altijd stijlvol. Ik dacht er die avond met spijt aan toen ik het gebruikelijke pakje erwtensoep openmaakte voor mijn avondeten.'

Overigens vond Bloem dat zij een raar pseudoniem had. Het is mijn meisjesnaam, wierp zij daarop tegen. Dat kon niet, volgens hem. Waarop zij toegaf, dat zij zich die naam als kleuter had toebedacht. 'Officieel was de naam Zwaantje.' Dat is al een stuk beter, oordeelde Bloem, die haar vanaf dat moment nooit anders dan Zwaantje noemde.

Wie oog heeft voor zulke charmante details, die niet gewichtiger worden gemaakt dan ze zijn, kan met plezier bladeren door deze modeste memoires.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden