Zucht naar zingenot

De Algerijnse Assia Djebar (1936) schrijft graag over taal, blijkt ook weer uit haar nieuwste roman Het verloren woord. Dat is niet verwonderlijk voor wie haar verleden kent: ze ging naar de middelbare school in Algiers, studeerde in Parijs, publiceerde vanuit Marokko interviews met Algerijnse vluchtelingen in een aan de onafhankelijkheidsbeweging F.L.N. gelieerde krant, begon in de jaren zeventig klassiek Arabisch te studeren en films te maken om ook met beeldtaal te werken, en heeft nu een leerstoel Frans aan de universiteit van New York.

Als geen ander zal zij zich hebben gerealiseerd dat taal, of dat nu een officiële taal is zoals het Frans of een gesproken dialect van het Arabisch, verbonden is met een wereld. Iemand die na jaren zijn moedertaal weer kan spreken, zal terugkomen in die wereld, zal zich kleine details herinneren waarvan hij dacht dat hij ze allang was vergeten.

Dat is wat Berkane overkomt, de hoofdpersoon van Djebars boek. Hij is een man van tegen de vijftig, die na twintig jaar in een Parijse banlieue te hebben gewoond, terugkeert naar zijn dorp aan de Algerijnse kust. Van die twintig jaar in Parijs komen we bijna niets te weten. Behalve dat hij er werkte op een kantoor en een Franse vriendin had, Marise. Een actrice die met hem brak. Het einde van die relatie was voor hem de aanleiding om terug te gaan. Met een vaag plan in zijn hoofd voor een roman.

Daar, in een oud houten huis met uitzicht op die kalme Middelandse Zee, weet hij niet goed wat hij moet beginnen. Helemaal niet meer nadat hij heeft gezien hoe de binnenstad van Algiers, de Kashba waar hij is opgegroeid, is veranderd van een bruisende buurt in een vervallen, troosteloze en smerige puinzooi.

Berkane voelt zich plaatsloos. Vraagt zich af wat hij daar eigenlijk moet. En mist zijn vroegere geliefde. Hij schrijft haar brieven die hij niet verstuurt. Hij mist haar lichaam, dat hij niet alleen met z’n handen liefkoosde, maar ook met woorden. Gefluisterde woorden in zijn eigen taal. Nu hij terug is, spreekt hij alleen nog maar dat dialect: ‘met daarbij het opwindende weer een soort verbale dans te pakken hebben gekregen, met gebruikmaking van talloze vergeten gewaande woorden, weer tot leven gekomen beelden, een eigen spreektrant...’

De vertaling loopt hier, en ook op andere plekken, wat stroef, en is naast het origineel wat plechtiger dan Djebar lijkt te hebben bedoeld. Dat is des te spijtiger omdat het juist gaat om de taal van Berkane. Hoe meer hij het Frans loslaat, –de originele titel luidt ook: ‘het verdwijnen van de Franse taal’– hoe beter hij zonder zijn Marise kan.

Het moment waarop hij ophoudt haar te missen, is wanneer hij een Algerijnse vrouw ontmoet: met haar de liefde bedrijven is tegelijkertijd ondergedompeld worden in het Arabisch. Zijn minnares Nadjia praat in haar eigen dialect tijdens en na de liefde, ze draagt gedichten voor. Berkane wordt na de eerste nacht met haar een ‘slaaf van haar lichaam en haar stem’. Drie nachten hebben ze samen voordat Nadjia weer weggaat. Ze is op doorreis voor haar werk.

Het is de ontmoeting met Nadjia die Berkane aanzet tot schrijven. Hij schrijft om haar niet te vergeten, om haar bij zich te houden, om haar opnieuw te horen in de stilte van de ‘kamer waarin vannacht luid haar gehijg weerklonk’. Hoewel hij zelf ook denkt dat het Arabisch geschikter zou zijn, schrijft Berkane zijn herinneringen aan die vrouw in het Frans, ‘de enge poort om de zucht naar zingenot te laten voortbestaan’.

Dit doet denken aan Djebars eigen ervaring met haar tweetaligheid: haar is wel verweten dat ze na de onafhankelijkheid van Algerije in het Frans bleef schrijven, de taal van de onderdrukker. Maar het Frans waarin zij haar romans schrijft heeft ze op een zeer eigen en bijzondere wijze ontwikkeld. Zonder schroom gebruikt ze tussenzinnetjes zonder werkwoord, losse woorden, lange kronkelende zinnen ‘als arabesken’, met alliteraties, herhalingen, onverwachte beeldspraken. Het is een andere wereld waarin je verzonken raakt.

De wereld van Berkane is na de ontmoeting met Nadjia veranderd: hij schrijft, over haar, over vroeger, zijn herinneringen aan de opstand in Algerije die uitbrak toen hij een tiener was. Het is of hij nu pas echt is thuisgekomen. In deze roman betekent schrijven je thuis voelen. De stroom herinneringen die Berkane tot een verhaal vormt, omvat het derde en voorlaatste deel van Het verloren woord.

In het laatste deel is Berkane verdwenen. Zijn auto wordt leeg gevonden, in een greppel. Het verhaal gaat nog een klein stukje verder vanuit de gezichtspunten van respectievelijk zijn broer Driss, zijn ex-geliefde Marise en Nadjia. Dan houdt het op.

Dit einde is ongelooflijk onbevredigend. Het boek nog een keer lezen helpt niet: het rotgevoel van ergens niet bij kunnen, van een te vroeg afgebroken verhaal, blijft.

Berkane was op weg om inlichtingen in te winnen over het kamp waar hij gevangen heeft gezeten toen hij nog een jongen was. Misschien is hij het slachtoffer geworden van een beroving. Misschien is hij vermoord door fundamentalistische terrorristen die hem aanzagen voor zijn broer, een journalist die dreigbrieven heeft ontvangen. Misschien wordt hij ergens gevangen gehouden en gemarteld.

De onzekerheid waarin familieleden en vrienden verkeren die een verdwijning zoals die van Berkane meemaken, is natuurlijk veel afgrijselijker dan het gevoel waar de lezer mee blijft zitten na Het verloren woord.

Toch is het of Djebar iets van die onzekerheid, die onrust, die ontevredenheid aan haar lezers heeft willen meegeven. En dat doet ze voortreffelijk. Haar prachtig geschreven verhaal heeft een onverwacht verontrustend einde. Van Berkane rest niets anders dan wat hij heeft geschreven, de maanden die hij aan zee doorbracht: dagboeken, wat brieven, zijn stanza’s voor Nadjia en een onvoltooide roman.

Assia Djebar: Het verloren woord. Vertaald uit het Frans door Jan Versteeg. De Geus; 189 pagina’s; ¿ 18,90. ISBN 90 4450 564 5

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.