De nachtcorrespondent

Zonder verlichting lopen we in zeven sloten tegelijk. Maar wie bepaalt welk licht waar in de stad brandt?

Mr. Visserplein. Beeld Henk Wildschut
Mr. Visserplein.Beeld Henk Wildschut

We staan er niet dagelijks bij stil maar zouden dat, vooral ’s nachts, wel moeten doen: erop letten hoe straten en grachten, gebouwen en monumenten worden verlicht. Daar komt maar weinig toeval aan te pas. Een legertje verlichtingsmanagers en -ontwerpers doet Amsterdam oplichten in de duisternis.

Stefan Kuiper

In Amsterdam-Noord staat een flat. Welke flat en waar hij precies staat doet er nu even niet toe. Waar het om gaat is dit: de flat kampt met overlast. Hangjongeren. Zij frequenteren de nabijgelegen coffeeshop, en de aangeschafte waar consumeren ze voor het gebouw. Hun stemmen en muziek weerkaatsen tegen de galerijen, wat de buurtbewoners op de zenuwen werkt. Stel, u bent van de gemeente, en u wilt die jongeren daar weg hebben. Wat zou u doen?

Nee, u kunt niet direct de Mobiele Eenheid erop afsturen.

Denkt u vooral verder over uw aanpak. De gemeente zocht de oplossing in elk geval (deels) in straatverlichting. Dynamische straatverlichting, om precies te zijn, manipuleerbaar op afstand. ’s Avonds zet men de temperatuur op 4.000 kelvin, heel koel. Pinguïns voelen zich misschien prettig bij zulk licht. Mensen, echter, hebben er het land aan. Die vinden dat ze er in dat harde schijnsel niet uitzien, wat ze inderdaad niet doen, en laat dat nu precies de bedoeling zijn: het onflatteuze licht moet de lawaaimakers aansporen om af te taaien, met zachte hand. Of het werkt, moet nog blijken. Het is in elk geval een van de onconventionelere lichttoepassingen in de hoofdstad.

Die hoofdstad (en dan vooral het centrum ervan) is ’s nachts een van de lichtste plekken van Nederland. Vergeet Parijs, vergeet voor het gemak ook even Eindhoven – het aan straatlantaarns, feestverlichting, etalageverlichting, sportverlichting, boomverlichting, brugverlichting en noodverlichting rijke Amsterdam maakt evenzeer aanspraak op de titel ‘Lichtstad’. Op al dat licht valt veel af te dingen, en dat gebeurt dan ook regelmatig. Dat het duur, verspillend en ongezond is bijvoorbeeld. Dat het de sterren uit de hemel wegvaagt. Niet geheel onwaar, maar wel het halve verhaal. Het licht brengt ons ook veel.

Avondlijke medemens

Door het licht zien waar we lopen en rijden, dat allereerst. Het stelt ons in staat om onze avondlijke medemens op te merken, en, minstens zo belangrijk, het maakt het mogelijk dat die medemens ons opmerkt. Bovendien is de kunstmatig verlichte stad niet gespeend van schoonheid. Zelfs het ontnuchterende witte ledlicht kent zijn momenten van poëzie. De halo’s rond straatlantaarns op een mistige avond. De weerspiegelende lichtreclames op natgeregend plaveisel. Hoe aantrekkelijk oogt dat alles. Hoe verleidelijk.

Stadhouderskade bij het Rijksmuseum. Beeld Henk Wildschut
Stadhouderskade bij het Rijksmuseum.Beeld Henk Wildschut

Wij beschouwen dergelijke effecten als vanzelfsprekend, maar er was een tijd dat men het zonder moest stellen. Zou ik tijdens een van de avondwandelingen door het centrum die ik vaak maak per abuis worden opgezogen door een wormhole, en via een loop in de tijd terug worden geflitst naar, zeg, het Damrak van 1500, dan zou ik een donkere omgeving treffen. Echt donker, aardedonker. De enige lichtpunten die ik zou zien, zouden de vetkaarsjes zijn die dienden ter verlichting van de nissen met heiligenbeelden die men vond op sommige straathoeken.

De stad bij nacht gold in die tijd als een te mijden plek, en niet alleen vanwege het gevaarlijke volk dat zich in het duister ophield. Ook vanwege het gemak waarmee je in een van de (indertijd nog talrijkere) vaarten en sloten kon vallen en verdrinken. De eerste poging om daar iets tegen te doen had plaats in 1505, toen het Amsterdamse stadsbestuur zijn ingezetenen verplichtte om na 9 uur ’s avonds (na het luiden van de zogeheten boevenklok) op straat een olielantaarntje bij zich te dragen. Een dikke halve eeuw later, in 1577, volgde een tweede maatregel – tappers en herbergiers werden toen gesommeerd om ’s avonds kaarsen of lantaarns in hun voorhuizen te hangen. Maar pas in 1669 ontstond er iets dat lijkt op straatverlichting in de moderne betekenis. In dat jaar nam het stadsbestuur het plan aan van de schilder en uitvinder Jan van der Heijden (1637-1712) om de stad ‘met lichten te voorsien’, teneinde ‘te verhoeden het verongelucken van veele menschen, die bij duysternis in ’t water vallen ende versmoren (…), om huysbracken te weren, ende oock om bij brant alomme licht bij de hand te hebben’ – retroversies van de 1.800 lantaarns die Van der Heijden liet plaatsen staan tegenwoordig onder meer op het Amstelveld.

Openbare verlichting

Het ingenieuze ontwerp van Van der Heijdens lantaarns, schrijft landschapshistoricus Auke van der Woud in Het lege land, was niet eens de uitvinders grootste verdienste. Dat was het kant en klare concept dat hij leverde voor de openbare verlichting: berekeningen van het verband tussen de masten, onderhoudskosten, exploitatielasten, plus een organisatiestructuur voor de bedrijfsvoering: ‘lantaarnopstekers, vullers, blussers, nachtwakers, opzichten en reservepersoneel, inclusief instructies’, the whole shebang. Naar huidige maatstaven gemeten was de kracht van Van der Heijdens rudimentaire lantaarns echter pover. In de praktijk waren het meer oriëntatie- dan verlichtingspunten, kleine boeien van licht in een uitgestrekte zee van duister.

Mr. Visserplein. Beeld Henk Wildschut
Mr. Visserplein.Beeld Henk Wildschut

Van der Heijdens straatverlichting vond begin 19de eeuw een verbeterde versie in de Franse réverbère (een lamp met een centraal reservoir waarboven vier vlammen brandden, waarvan het licht door reflecterende schildjes in alle richtingen werd weerkaatst). Maar het werkelijke koloniseren van de nacht begon toen later in de eeuw de gasverlichting zijn intrede deed. Niet alleen in fabrieken, woningen en cafés kon de dag nu worden verlengd. Ook op pleinen en kaden werd het duister teruggedrongen. Dat proces kwam nog eens in een stroomversnelling toen in 1904 de elektrische verlichting zijn opwachting maakte in het straatbeeld. Gas oogde zwakjes naast de nieuwe metaalgloeidraadlampen, die weer zwak oogden naast natriumlampen et cetera.

Tegenwoordig is Amsterdam de grootste lichtbeheerder van ons land. Zo’n 5 procent van alle lantaarnpalen staat in de hoofdstad, wat in praktijk neerkomt op zo’n 120 duizend palen (‘masten’ heten ze in gemeentelijk jargon), met daarin 150 duizend armaturen, waaronder 10 duizend lampen aan spankabels. Daarnaast regelt de gemeente het aanlichten van kerken, klokken, musea, monumenten, standbeelden, bruggen, woonhuizen en andere objecten die onder het kopje ‘opmerkenswaardig’ vallen – een stuk of 450 zijn dat er in totaal. De energierekening voor al dat licht bedraagt rond de 2 miljoen euro per jaar, oftewel 5.500 euro per nacht. Zo’n veertig gemeenteambtenaren houden zich ermee bezig, bijgestaan door tientallen technici.

Een van die ambtenaren is Gerke ten Have (38). Hij is asset-manager verlichting, en dus verantwoordelijk voor het lichtbeheer. Staan alle lampen in een straat overdag aan, dan moet hij dat verhelpen. Staan ze ’s avonds uit, dan is ook dat zijn probleem. Op deze avond in januari leidt hij me echter door de binnenstad. De hele dag heeft het geregend, en ook nu blijft het met bakken uit de hemel vallen. Waaien doet het ook. Mijn paraplu haalt het einde van de wandeling niet.

Historiezucht

Bijzonder aan het Amsterdamse straatbeeld, zegt Ten Have, is de verscheidenheid aan lantaarns. Verscheiden ís het: in de amper 150 meter die we aflegden van de Dam, waar we hadden afgesproken, naar het Beursplein, waar we nu staan, zijn we zeker vijf typen lichtmasten tegengekomen, waaronder candelabers uit 1840 (een Rijksmonument), kroonlantaarns uit 1867 en door Berlage ontworpen lantaarns uit 1904. Deze diversiteit heeft te maken met historiezucht, maar ook met duurzaamheid. Het hergebruiken van armaturen door middel van een retro-fit oplossing, vertelt ten Have, bespaart geld en materiaal. Soms krijgen die armaturen zelfs een gedeeltelijk nieuwe functie. In de zolder van sommige kroonlantaarns, zoals die voor de Hermitage, vind je bijvoorbeeld een extra lampje dat licht over belendende gevels verstuift.

Mr. Visserplein. Beeld Henk Wildschut
Mr. Visserplein.Beeld Henk Wildschut

De lampen in die armaturen, zegt Ten Have, zijn meestal ledlampen. Zo’n 75 procent van alle gemeentelijke armaturen is uitgerust met deze relatief energiezuinige lamp. Led heeft een lichtwarmtetemperatuur van rond de 2.700 kelvin. Warm wit licht noemen kenners dat.

Straatverlichting moet bijdragen aan veiligheid en beleving, meent Ten Have, en het witte ledlicht doet beiden: ‘Ik kan hier zien waar ik loop. Ik kan zien waar anderen lopen. Ik kan het gezicht van die man aan de overkant zien. Ik kan zelfs zijn gezichtsuitdrukking lezen.’ Door het licht voelt hij zich hier aangenaam, zegt Ten Have. Warmer licht zou de sfeer vergroten, beaamt hij, maar dan lever je in aan kleurechtheid. ‘Nu zie je rood echt als rood. Zou daar verderop een straatroof plaatsvinden, dan zouden we de kleur van de jas van de dader kunnen herkennen.’

Het licht is wel hard, merk ik op. Je zou hier bij wijze van spreken een roman kunnen lezen.

Komt doordat we op het Damrak staan, zegt de gemeenteambtenaar. Op drukke plekken als deze zijn de lampen talrijker en is hun schijnsel harder. Verderop, op het opstootjesgevoelige Rembrandtplein, is het nóg feller: daar tikt het wanneer de kroegen sluiten de 80 lux aan. Maar in de woonwijken en recreatieve zones is er minder verlichting. En in veel parken is het donker.

Maar wat brandt, zeg ik, brandt de hele nacht. Ook als er geen of amper mensen op straat zijn… Ten Have knikt nog voor ik mijn vraag stel. Het idee dat er lampen verwijderd of gedimd zouden kunnen worden, houdt hem bezig – al was het maar omdat hij in de positie verkeert er iets aan te doen. Maar de oplossing is niet zo simpel als de vraag suggereert. Neem dat dimmen. Technisch gezien prima mogelijk, maar qua kosten- en energiebesparing amper de moeite waard. Hij heeft de rekensommen paraat, ja. Stel, hij zou van 12 watt terug gaan naar 6 watt. Hij zou daarmee inderdaad een beetje energie en kosten besparen. Maar hij zou dat ook meteen weer kwijt zijn aan aanschaf, energie en onderhoud van de dimmers. Nee, qua CO2-uitstoot schiet dat niet op…

En qua welzijn? Noopt het feit dat te veel licht schadelijk is voor mens en dier niet tot minderen? Ook dat is een simpele vraag zonder eenvoudig antwoord, zegt Ten Have: Immers, te veel voor wie? Iemand met jonge ogen heeft minder licht nodig dan een senior met slecht zicht.

Bij huis moet licht branden

Zelf houdt hij erg van donker, zegt Ten Have. Maar dat de inwoners van Amsterdam, tot wier dienst hij staat, de stad ook donkerder willen, daarvan is hij nog niet overtuigd. Experimenten, zoals ze een tijdje geleden deden in Buitenveldert, hebben dat ook niet uitgewezen. En bij de meldingen die zijn collega’s krijgen (zo’n 20 duizend per jaar) zitten vaak klachten dat het (door een defect) ergens te donker is, maar klachten over een surplus aan licht horen ze nooit.

Donkerte, meent hij daaruit af te kunnen afleiden, vindt men mooi in een bos, maar dicht bij huis moet het licht branden. De roep om duisternis heeft een hoog not in my backyard-gehalte.

Straatverlichting is overigens niet de enige verlichting waar de gemeente voor zorgt. Men is ook verantwoordelijk voor wat ze op het stadhuis noemen ‘lsd’: Lichtkunst, Stadsilluminatie en Decoratieve verlichting. Daaronder vallen de lampjes die de bogen rond onderdoorgangen van bruggen versieren, en ook de lichtkunstwerken die je op minstens vijftig plekken in de stad vindt. Het gaat óók om de talrijke monumenten en gebouwen die de gemeente laat beschijnen, van het Koninklijk Paleis op de Dam tot het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat tot het beeld van Anton de Kom op het gelijknamige plein in Zuid-Oost.

Ruysdaelkade. Beeld Henk Wildschut
Ruysdaelkade.Beeld Henk Wildschut

De laatste pakweg vijftien jaar heeft het uitlichten van de stad meer prioriteit gekregen, vertelt Hans Akkerman, senior adviseur Lichtkunst, Stadsilluminatie en Decoratieve verlichting, telefonisch. Men werkt hard aan een samenhangend lichtbeeld. Het is niet eenvoudig, weet hij, want dat beeld wordt niet enkel bepaald door de verlichte bankjes en gevels van de gemeente. Verlichte etalages, lichtreclames en feestverlichting drukken er evengoed hun stempel op. Al die vormen van verlichting houden niet per se rekening met elkaar. Ze op elkaar afstemmen, in zoverre mogelijk, vraagt veel gelobby.

Gehavend gebit

Een plek waar dat nu speelt, vertelt Akkerman, is de Dam. Het nationale plein zal in de loop van 2022 opnieuw worden uitgelicht. Geen overbodige luxe, beaamt de adviseur. Het huidige lichtbeeld is op z’n zachtst gezegd eclectisch. Elke eigenaar regelt zijn verlichting naar eigen inzicht, wat in sommige gevallen betekent: amper of niet. Het geheel oogt daardoor als een gehavend gebit, maar dat is straks dus verleden tijd. In de loop van het jaar krijgen alle panden een identieke basisverlichting, een soort ‘onderkleding’. In de daaropvolgende jaren zal daaraan stapsgewijs op maat gesneden illuminatie worden toegevoegd – de verlichting van de Bijenkorf, zegt Akkerman, moet bijvoorbeeld de opkomst in Europa van het luxueuze warenhuis in de 19de eeuw uitstralen. Elk gebouw krijg zijn eigen licht-signatuur, maar door de basisverlichting zullen ze toch een eenheid vormen. Licht moet eraan bijdragen om het plein een coherentere aanblik te geven.

Dat feitelijke uitlichten is de specialiteit van Petra Hulst (44), lichtontwerper bij Signify (voorheen Philips.) Wie weleens in de binnenstad komt, zal vertrouwd zijn met haar werk, al is de kans dat u er lang bij stilstond klein, en de kans dat u weet dat zij ervoor tekende nog kleiner. Hulst ontwierp (of was betrokken bij de renovatie van) de illuminatie van het Scheepvaartmuseum, Koninklijk Theater Carré, de Portugese Synagoge, Hotel De L’Europe, de Stadsschouwburg en talloze andere, prominente gebouwen. Ook werkte ze mee aan lichtplannen voor het Stationsplein en het Rembrandtplein, waarvan het eerste nu wordt uitgevoerd, en het tweede op de plank ligt. Op een koude januari-avond zal ze me een tour geven langs enkele van die panden. Te fiets. Zo direct gaan we rijden, maar nu staan we nog voor Het Concertgebouw. Ook een (gedeeltelijk) ontwerp van haar, ja.

Enthousiast begint ze te vertellen over hoe dat in z’n werk ging. Ze gebruikte wit ledlicht, zoals voorgeschreven door de welstandcommissie, een mix van koele en warmere tinten. De basis van het gebouw kreeg 3.000 kelvin, maar de façade 2.700 kelvin – die laatste oogt daardoor wat gloedvoller. Zo ontstond een ruimtelijk effect, zegt Hulst. Het was echt modelleren met licht. Het leeuwendeel van dat licht, vervolgt ze, is afkomstig uit grondspots. De vazen op de gevel en de lier op het dak, echter, zijn uitgelicht met speciale schijnwerpertjes. Het is belangrijk om zulke details apart aan te lichten, zegt Hulst, maar het is minstens zo belangrijk om niet alleen hen in het licht te zetten. Van een afstand gezien verandert een gebouw dan in een verzameling lichtvlekken.

Ter illustratie wijst ze naar een villa aan de overkant van het Museumplein. Die lijkt inderdaad te zweven als een ufo.

Theatraal

Elke stad, vertelt Hulst wanneer we even later door de Paulus Potterstraat langs het Stedelijk richting het Rijksmuseum rijden, heeft zijn eigen lichtbeeld. Dat van dat Parijs, weet ze, is vrij theatraal: ‘Daar schrikken ze niet terug voor gekleurde spots, licht dat de aandacht op zichzelf vestigt.’ In Amsterdam, daarentegen, staat de gemeentelijke verlichting in dienst van het gebouw. ‘Het doel is om de karakteristieken van het pand in kwestie zo goed mogelijk uit te laten komen.’

Neem de rode bakstenen gevel van het oude Stedelijk daarnet, zegt Hulst. ‘Daar heb ik wat extra rood in het licht gestopt om de warme tint van de bakstenen te benadrukken. Je ziet bijna niet dat het überhaupt is uitgelicht, maar als je de lichtmasten zou uitzetten, zou je het direct merken.’

Fraai aangelichte gebouwen als het Concertgebouw en het Stedelijk, zegt Hulst, zijn belangrijk voor een stad, en niet alleen vanwege het gevoel van veiligheid dat ze creëeren. Plekken met verlichte gevels voelen aangenamer dan straten waarvan enkel de grond is aangelicht, maar ze doen meer. Vaste bewoners voelen zich er meer verbonden door met hun stad. Toeristen helpen ze om zich te oriënteren. Niet alleen toeristen, zeg ik. Ook voor locals bieden ze welkome punten op de horizon. Wanneer je ‘s avonds een verlichte torenspits ziet, dan vergroot dat de lust tot verder lopen, zoals een zonbeschenen stuk gebouw dat overdag doet. De stad bij nacht is een landschap, en de geïllumineerde gebouwen zijn een soort bakens waarop je al wandelend kunt koersen.

De kunst van dat aanlichten evolueert, vertelt Hulst. Steeds vaker wordt gebruik gemaakt van wat in vaktermen heet intelligent light: ledlicht waarvan de kleur, sterkte of temperatuur kan worden aangepast aan het tijdstip of de situatie, al dan niet op basis van een door een lichtontwerper voorgeprogrammeerd scenario. De Eindhovense lichtontwerper Ellen de Vries, pionier op dit gebied, paste het al toe bij pleinen in Hengelo en Rozendaal, en maakt er eveneens gebruik van bij de aanstaande herbelichting van enkele straten in het centrum van Eindhoven.

Petra Hulst zette het in Amsterdam in bij de externe verlichting van het verbouwende Centraal Station. De schijnwerpers op het voorplein zijn toegerust met ledverlichting die met een paar handelingen op een iPad kan worden aangepast. Zij kan worden gebruikt om in de avonduren reizigers in de richting te dirigeren van de hele nacht geopende westelijke ingang, of, indien gewenst, de kleur van de complete gevel aan te passen aan het jaargetijde. Statements maken, zoals Parijs al deed met de Arc de Triomphe en Rotterdam met de Erasmusbrug, kan men straks ook. Handig voor als het weer Pride is. Of wanneer het Nederlands elftal onverwacht wereldkampioen wordt.

De nachtcorrespondent

‘We zijn ons halve leven blind’ observeerde de filosoof Jean-Jacques Rousseau over de nacht. En inderdaad: lang werd de nacht slechts beschouwd als het residu van de dag. Maar de nacht is een volwaardig dagdeel, met zijn eigen bewoners en wetmatigheden, zijn eigen schoonheid en gevoelswaarde. Een plek die kan zorgen voor angst en ongemak, maar ook voor bevrijding en verlichting. De Nachtcorrespondent verkent de nacht in de 21ste eeuw: wie leven er in de nacht? Wat houdt hen wakker? En wat maakt de nacht nog de nacht, nu het donker door kunstlicht steeds verder wordt teruggedrongen? Dit is de tweede aflevering van een onregelmatig verschijnende reeks.

VAN DER HEIJDENS STRAATLANTAARN

In 1682 stonden er 2380 Van der Heijden-lantaarns in Amsterdam. Deze brandden negen maanden van het jaar, van acht augustus tot acht mei. Het tijdstip waarop zij werden aangestoken werd bepaald door de ‘schijngestalten’ van de maan. Van der Heijden maakte een klapper met zijn ontwerp. Ook in Gouda, Den Haag, Groningen, Berlijn, Keulen en op het Japanse eiland Deshima (indertijd een belangrijke Hollandse handelsenclave) verrezen zijn lantaarns.

HOLBEINARMATUUR

Aardig aan het Amsterdamse straatbeeld is de diversiteit aan armaturen. Ouderwetse olie- of gaslantaarns, zoals die van Van der Heijden of de beroemde kroonlantaarn, vonden er een nieuwe toepassing. Daarnaast zie je er modernere ontwerpen, zoals het Holbeinarmatuur (vernoemd naar de straat waar deze armaturen voor het eerst werden geplaatst). Een eerdere versie van deze paal werd bij de introductie in 1924 vergeleken met de onbekende soldaat, ‘gestoken in Feldgrau en bekroond met een helmpje’ (bron: 500 jaar openbare verlichting in Amsterdam).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden