Interview

'Zonder muziek kan ik niet schrijven'

Nir Baram bracht de afgelopen weken door in Amsterdam. Hij doet verslag van zijn pogingen om weer tot schrijven te komen.

Nir Baram. Beeld Jolijn Snijders

Het toeval wil dat ik nu al voor een tweede keer in Amsterdam ben tijdens een periode dat schrijven me niet lukt, waarbij ik hoop dat deze stad me uit de crisis zal helpen. De eerste keer was eind 2012, toen Goede mensen in Nederland uitkwam. Ik arriveerde alleen in het appartement aan het Spui, terwijl het al een paar maanden niet lukte om Wereldschaduw, mijn nieuwe roman, tot een goed einde te brengen.

Eerst dacht ik dat ik geen flauw idee had hoe ik de roman moest afronden, hoe ik alle over verschillende werelddelen verspreide en door de afgelopen veertig jaar kronkelende verhaallijnen in een laatste bedrijf met elkaar moest verbinden. Maar toen begon het tot me door te dringen dat ik niet wílde afronden. Als je schrijft, creëer je een wereld, een plek. En iedere schrijver vindt dat die plek zijn thuis is, hij heeft hem met zijn eigen magie gewrocht en voegt er iedere dag een steen aan toe. Constant koestert de schrijver die plek, want schrijven gebeurt ook wanneer je niet achter je computer zinnen zit te tikken. Soms ontwikkelde het zich juist in mijn hoofd als ik een film keek of iets met vrienden dronk: de plot gaat een bepaalde kant op en ineens voegde ik een nieuwe ervaring toe aan het verleden van een personage. Het zijn allemaal schrijfmomenten. Weliswaar niet in letterlijke zin, het is nog niet op de computer ingetikt, maar toch is er iets geschreven, de verbeelding schrijft.

En als het einde van een boek nadert? Je beseft dat je binnenkort weg moet, dat je de plek waaraan je gewerkt hebt en die je in de afgelopen jaren verbeterd hebt, in feite moet slopen. Hoe geweldiger de plek is die je gecreëerd hebt en hoe meer moeite het kostte die te maken - des te groter het verdriet. Als mensen beseffen dat ze iets (een geliefde of een huis) gaan verliezen, proberen ze meestal uit zelfbescherming afstand te scheppen, als geestelijke voorbereiding op het afscheid. Als je aan het schrijven bent, kun je dat niet doen; je kunt jezelf niet onttrekken aan het schrijven terwijl je er nog mee bezig bent, je kunt niet schrijven en er tegelijkertijd afstand van nemen. Daarom komt het einde altijd plotsklaps. Ineens gooit die plek die het middelpunt van je leven was, die jou in steden en dromen vergezelde, je eruit. Je kunt soms nog naar die plek kijken, maar niet van binnenuit, het is meer een wegwijzer naar compleetheid die niet langer is, als het bezoek aan het graf van iemand die je lief was.

Beeld Jolijn Snijders

Wachten

In 2012 deed ik de eerste paar weken weinig. Ik kende niemand in de stad, ik ging zelden het huis uit, soms speelde ik 's avonds Texas Hold'em in het casino (ik speel bij vlagen en ben een wispelturig en daardoor een middelmatig speler) en een enkele keer ging ik naar clubs om naar muziek te luisteren. De meeste tijd was ik aan het wachten, ik had het gevoel dat er binnen in mij iets aan het ontstaan was en zolang ik maar niet in de buurt van de computer kwam, zou het me opvullen totdat het er met kracht uit moest komen. En zowaar: terwijl ik een tennisbal tegen een muur aan het gooien was, hoorde ik muziek en drong het tot me door: zonder muziek kan ik niet schrijven. Plots zag ik het slot van de roman voor mijn geestesoog verschijnen, hoorde ik de toon van het einde, besefte ik dat ik al die tijd niet had geweten hoe ik moest schrijven vanuit een bevroren gebied in de ziel, hoe ik de dood van een personage moest beschrijven terwijl dat personage nog in leven was.

Maar goed, als ik dacht dat dit vorige bezoek ingewikkeld was geweest: langzaam begon ik te ontdekken dat 2012 kinderspel was geweest in vergelijking met nu. Toen ik in Amsterdam aankwam en in de zo vertrouwde woonkamer van het appartement stond, herinnerde ik me iets wat ik in de krochten van mijn bewustzijn had geprobeerd weg te stoppen: ik had al heel lang, een jaar of twee, geen fictie meer geschreven. Langer eigenlijk. En misschien wist ik waarom.

Een dag of vier na mijn aankomst pleegde schrijver Joost Zwagerman zelfmoord. Ik kende hem niet, maar had bij mijn vorige bezoek al het een en ander over hem gehoord van een Nederlandse vriendin die met hem bevriend was. In feite had ze voordat ik hierheen kwam tegen me gezegd dat ik hem dit keer zou ontmoeten en dat ik hem zou mogen en fascinerend zou vinden. 'Hij is ruimhartig', zei ze, 'niet zoals de meeste schrijvers.' Ik moest lachen en vertelde haar dat Stefan Zweig eens geschreven had: 'De waarlijk groten waren altijd ruimhartig.' De ochtend na zijn dood zat ik rillend van de kou tegenover haar in Café Luxembourg en besefte ik dat ik de laatste was die haar kon troosten.

Beeld Jolijn Snijders

Writer in Residence

Nir Baram (1976) brak internationaal door met Anasjiem toviem (Goede mensen), zijn derde roman die inmiddels in veertien talen, waaronder het Nederlands, is vertaald. Hij geldt als een van de getalenteerdste Israëlische schrijvers van zijn generatie. Onlangs verscheen Wereldschaduw.

Baram debuteerde op 19-jarige leeftijd, meteen na zijn driejarige dienstplicht.

Sinds 4 september tot vandaag was Baram Writer in Residence in Amsterdam, op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds. Ook in 2012 was hij hier op uitnodiging van het Fonds.

'Verlies' en 'troost'

Ik had tenslotte anderhalf jaar geleden in haar positie gezeten. Mensen hadden tegen me gepraat en woorden gebruikt als 'verlies' en 'troost', hadden gerept over de dood en het leven en het had ongeveer even begrijpelijk geklonken als wanneer ze Japans hadden gepraat. Op 24 mei 2014 benam mijn beste vriend Oeri Basson zich op 38-jarige leeftijd het leven. Ik kende hem sinds 1984, vanaf groep drie, en we waren meer dan dertig jaar bevriend. Jarenlang was hij degene geweest met wie ik de hechtste band had, hechter dan met mijn ouders en zeker hechter dan met mijn broers, met wie ik niet bijzonder close ben. Het grootste deel van zijn leven was hij de meest opgewekte persoon, degene van wie iedereen vrolijk werd; 'de man van de maskers', noemde ik hem soms gekscherend, die niet wist hoe het was om níet geliefd te zijn. Drie jaar geleden gleed hij in een plotselinge, afschuwelijke depressie en uiteindelijk pleegde hij zelfmoord.

In de maanden na zijn dood deed ik elke ochtend mijn ogen open en was hij al wat ik zag. In mijn slaapkamer in Tel Aviv, in hotelkamers in Mexico-Stad, Bogotá, Madrid waren er nachten dat ik uren sliep en nachten dat ik met zonsopgang eventjes indommelde, elk ontwaken was een herhaling van dat van de dag ervoor. Maandenlang werd ik overrompeld door onze tijd samen als ik mijn ogen opendeed. Mijn hoofd was gevuld met beelden van al die jaren, er was geen ontkomen aan en misschien wilde ik dat ook niet. Soms joeg de overvloed me angst aan, raakte ik verloren in het mengsel van kleuren, straten, steden, beelden en jaren. Ik heb altijd beweerd dat je, als je aan het schrijven bent, je demonen in een verhaal verandert, dat je van alle kabaal in je bewustzijn - flarden van beelden, visioenen, herinneringen, dromen - een min of meer ordelijke vertelling maakt. Maar ineens lukte dat niet, het tumult in mijn bewustzijn was te groot, het besloeg een te lange periode, ik kon er niets uit destilleren.

Een jaar later werd mijn zoon Daniël geboren, die al mijn aandacht opeiste en me weer terugbracht op aarde. En al die tijd was er niets verder buiten mijn bereik geweest dan schrijven.

Met mijn kersverse gezin arriveerde ik in Amsterdam: met baby Daniël, nu zes maanden, en met mijn partner Tamar. Daniël werd niet blij van het appartement aan het Spui: 's nachts werd hij elk uur wakker en bleef maar huilen. 'Sinds hij geboren is', zei ik tegen Tamar, 'heeft hij alleen maar de oogverblindend helderblauwe hemel boven Tel Aviv gezien en hij wordt depressief van de grijze luchten hier.'

'Jij moet gaan schrijven', zei ze, 'je draait door.'

'Hou toch op me aan het schrijven te zetten', snauwde ik, 'om Prediker te parafraseren: er is een tijd van schrijven en een tijd van leven. En nu leven we.'

Omdat ik niet gekomen was in de illusie dat het schrijven zou lukken, voelde ik geen tijdsdruk, zat ik niet de hele dag thuis en leerde ik ineens mensen, ook schrijvers en schrijfsters kennen. Ik moet toegeven dat ik in Israël de afgelopen tijd niet bijzonder spraakzaam was geweest; ik had het gevoel dat alles al uitgesproken was tussen mij en mijn vrienden, ook Israëlische schrijvers; dezelfde verhalen, dezelfde ideeën, hetzelfde geweeklaag over de politieke situatie, dezelfde aversies, liefdes en problemen. 'I need a new crowd', zei ik tegen Isabel, mijn Spaanse vertaalster van Wereldschaduw, die in Amsterdam bleek te wonen en met een Nederlandse man in het huwelijk treedt op de dag dat wij weer vertrekken.

Beeld Jolijn Snijders

Een heleboel praten

Op het boekenfestival in Antwerpen had ik een eetafspraak met twee in Nederland woonachtige schrijvers. We kenden elkaar niet, we waren gekoppeld door een recensente van Israëlische literatuur. Bij dit soort afspraken ben ik meestal meer luisteraar dan prater, maar dit keer, blijkbaar verstikt door de lange tijd dat ik niet veel gesproken had, zei ik juist een heleboel. Ik vertelde hun over de schrijfcrisis, over Oeri's zelfmoord en over het gevoel dat ik met een deel van mijn vrienden in Tel Aviv geen dynamisch, zich ontwikkelend heden heb, dat alles wat ons bindt een versteend verleden is. Mijn tafelgenoten begrepen het niet alleen, af en toe kreeg ik zelfs het gevoel dat veel dingen onuitgesproken konden blijven, dat we het niet nodig hadden alles uit te spellen maar dat we diep op de dingen ingingen, zonder oordeel, zonder onzuivere motieven, zonder angst om dingen openlijk te zeggen. Soms besef je pas hoe waar een idee in je hoofd is, op het moment dat je het je eigen stem hoort uitspreken omdat je te moe bent om het nog langer te ontkennen.

Aan het eind van de avond voelde ik me gesterkt, ik had opnieuw dat moment meegemaakt - dat altijd uniek is - waarbij je een nieuw persoon ontmoet die iets bij je losmaakt, de drang in je wakker maakt om te vertellen, om te fantaseren. Die je een betere versie van jezelf maakt.

We hadden het gehad over het verschil tussen Nederlandse en Israëlische schrijvers: van Israëlische wordt, vooral in Europa, geëist dat ze het 'Israëlische verhaal' vertellen, het verhaal van dat stukje land waar Israëli's en Palestijnen elkaar bevechten, waar je naast woestijn en kamelen ook Tel Aviv als wilde uitgaansstad hebt. Die combinatie vinden westerlingen exotisch en de Israëlische auteur wordt geacht dat exotisme te beschrijven. In Europa is me honderden keren gevraagd waarom Goede mensen en Wereldschaduw zich niet alleen in Israël afspelen en of de romans metaforen zijn voor de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. 'Als je iets over Israël te weten wilt komen, moet je de krant lezen', heb ik tegen hen gezegd toen ik er nijdig van werd. Ook in Israël heb ik altijd beweerd dat we onze verbeelding niet moeten laten begrenzen door het Westen. Een Nederlandse of Duitse schrijver hoeft zich ook niet te beperken tot maar één verhaal.

Een paar weken later sprak ik op een avond in Café De Zwart een andere Nederlandse schrijver. We zaten aan het bier, hij drinkt schielijk, en hij zei me dat goede schrijvers uit landen die te doorsnee worden gevonden en geen imperium zijn - Nederland bijvoorbeeld - in de wereld niet gelezen worden, omdat ze geen 'bijzonder verhaal' te vertellen hebben. Dus we hebben de keus tussen exotisch of verveling? grapten we. We discussieerden over de wereldroman versus de lokale roman, en hij had het over de kritiek dat de wereldroman afstand lijkt te doen van de intimiteit van één plaats, en ik had het over de eis dat schrijvers uit exotische oorden juist extreem lokaal geacht worden te zijn. Mijn gesprekspartner schrijft momenteel een biografie en vertelde me over de moeilijkheden waar hij tegenaan loopt. Daarna spraken we over schrijven en ik zei dat ik geen enkele beweging voelde op de plek waar in mij het schrijven opwelt. Hoe weten we eigenlijk uit welke verborgen bronnen in de ziel het schrijven komt? En wat als die verstopt zitten? Hij is ouder dan ik en heeft in zijn leven vaker angstige schrijvers gezien, en ik vermoed dat hij ook ietwat aangeschoten was (ik was dat in elk geval wel). Het is een ironisch type, en zijn ironie was niet kwaadaardig, maar realistisch. Wat mij bij deze ontmoeting trof, was het gevoel dat we heel eventjes de wereld op dezelfde manier bekeken en dat ieder de angst van de ander zag. Meteen na deze afspraak sprak ik tegen Tamar uit wat ik tot dan toe niet had durven zeggen, wat ik misschien nog niet eerder zo helder had gezien: ik kan niet over Oeri schrijven en ook nergens anders over.

Beeld Jolijn Snijders

Ergernis

Op zaterdag 3 oktober had ik een optreden in De Balie met de schrijver Abdelkader Benali. Bij een eerdere ontmoeting had ik gemerkt dat we makkelijk konden praten, op elkaar aansluitende citaten over literatuur konden uitwisselen, maar hij had ook iets waaraan ik me ergerde: hij was ongeveer een maand daarvoor vader geworden van een dochtertje en verscheen vrolijk glimlachend op elke afspraak. Ik daarentegen had er de eerste maand na Daniëls geboorte uit gezien als een wielrenner die zonder doping de Tour de France had gewonnen (zouden die bestaan?). 'Werken kun je altijd', zei Abdelkader, 'ik ben nu ook aldoor aan het werk.'

Dat woord 'werk' deed me aan iets denken. 's Nachts, na het evenement, herlas ik iets wat Jesjajahoe Leibowitz, een van de grootste Joodse filosofen uit de twintigste eeuw, heeft geschreven. Op de vraag waarom hij zich aan de geboden hield, geloofde hij dat God bestond?, antwoordde Leibowitz dat het bestaan van God niet te bewijzen was en dat de zin 'Ik geloof in God' in de wetenschappelijke wereld betekenisloos was. In de Joodse godsdienst bestaat geloven uit het dienen van God, meer niet, en de beslissing God te dienen valt onder de vrije wil. 'Ik geloof in God' betekent zoveel als 'Ik besluit om God te dienen. En de rituelen te houden.'

Op 4 oktober pakte ik, nadat ik de ochtend met Daniël had doorgebracht en hem eindelijk in slaap had gekregen, mijn laptop, sigaretten en witte headset en liep naar Spui 189, naar café Schuim. Het klopt dat schrijvers de plek waar het schrijven in de ziel ontstaat niet kunnen waarnemen - borrelt het daar of is het bevroren? - maar ze kunnen wel werken, de rituelen houden, misschien móeten ze dat zelfs. Zeven dagen lang zat ik van 11 uur 's ochtends tot 6 uur 's avonds achter mijn laptop en er gebeurde niets. Op de achtste dag zag ik twee jongens een geul graven in een wadi in Noord-Jeruzalem, en als ze straks klaar zijn, zal niets meer zijn zoals het was.

Beeld Jolijn Snijders

Goede mensen

Nir Baram werd bekend met Goede mensen. In die roman leren we de Duitse Thomas Heiselberg en de Russische Sasja Vajsberg kennen. Hij ziet een functie onder het nazibewind als een carrièrekans. Zij komt uit een intellectueel Joods nest. 'Mijn boek gáát niet over de Tweede Wereldoorlog', zei Baram in een interview met de Volkskrant in 2013. 'Ik wilde de oorlog gebruiken om vragen te stellen over het menselijk bewustzijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden