Zoete gal

In de biografie over de gloriejaren van W.F. Hermans die deze week verschijnt, moeten en zullen we de grote schrijver treurig vinden. Biograaf Willem Otterspeer heeft er te weinig oog voor dat Hermans' schroeiende pen hem juist geluk bracht.

Rancune, ressentiment, wraak en wrok: Willem Frederik Hermans (1921-1995) was een schrijver met een plaatstalen wereldbeeld, zo somber en gesloten dat er geen zonnestraal bij kon komen. Vrijheid bestaat niet, chaos heerst, moedwil en misverstand zijn niet uit elkaar te houden, de mens is een nietig en chemisch proces, en achterdocht is immer geboden, hoewel die niet kan voorkomen dat je bedrogen wordt. Al is het maar door je eigen illusies.

Met een pagina's lange beginselverklaring van deze snit vangt Willem Otterspeer het tweede deel aan van zijn Hermans-biografie, dat het leven van de grote schrijver en geduchte polemist tussen 1953 en 1995 behandelt. De jaren van glorie dus. Het succes dat Hermans kreeg met de klassiekers De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), de verhuizing in 1973 van het Groningse Haren naar een peperduur appartement in Parijs, de vele mooie essays die hij daar schreef en de verrassende oogst van de oude dag in de vorm van inventieve romans als Een heilige van de horlogerie (1987), Au pair (1989) en een aantal novellen en korte verhalen waarin hij zijn jeugdliefde voor het surrealisme hervond, de tijd die hij had om zich over te geven aan serieus beleden liefhebberijen als fotograferen en het verzamelen van schrijfmachines, waar hij mee door ging tot in zijn laatste levensjaren die hij in Brussel doorbracht; niets van dat al bracht zijn zwarte kijk op het bestaan aan het wankelen. De titel van de biografie is De zanger van de wrok, om aan te geven dat Hermans altijd wrijving nodig had om te kunnen scheppen, en bedoelt niet dat hij 'er muziek bij maakte', zoals zijn collega Gerard Reve placht te zeggen. Otterspeer, die door medewerking van de erven als eerste en waarschijnlijk enige toegang kreeg tot de persoonlijkste documenten zoals dagboeken, is er meteen duidelijk over: 'om Hermans en zijn werk valt uiteindelijk niet te lachen'.

Beeld Martyn F. Overweel

Humor

Zo'n pontificale stelling werkt als een geheven vinger. Ze zorgde er in mijn geval voor dat ik op vele momenten betrapt zat te grinniken, zoals ik ook kan terugdenken aan al die artikelen en romans van Hermans die me hebben ontroerd, aangegrepen en óók vermaakt. Uit talloos veel miljoenen (1981), dat op mij indruk maakte als een schrijnende tragikomedie, heet hier zomaar een 'misbaksel'. Satire keurt Otterspeer af. Humor is aan de biograaf niet zo besteed, reden wellicht waarom hij een leutige Hermans (en ook die hebben we vaak te zien gekregen) beschouwt als de man die zijn verdriet verborg. We moeten en zullen hem treurig vinden.

Ook bijvoorbeeld om de ontnuchterende vooruitblik op zijn promotie in 1955: 'Na op zijn achtste jaar van plan te zijn geweest Edison en Einstein te verbeteren, zit men op zijn drieëndertigste met de gebakken peren. Geen Edison, geen Einstein: drie kwartier formaliteiten en transpiratie in een rokkostuum.' Dit is zo ongeveer dé definitie van alle promoties die ik in mijn leven heb bijgewoond. Hier valt heel goed, en ook uiteindelijk, om te lachen.

In zijn Overgebleven gedichten (1968) nam Hermans ook een aantal vertalingen op, onder andere van het erotische gedicht 'De heilige Maria Juana' van de tot dan toe totaal onbekende Luís Cimatarra. Hermans, in een brief aan een lezeres die met recht onraad rook: 'De oorspronkelijke versie van 'La Sagrada Maria Juana' is verschenen in het tijdschrift Broma Sosa, omstreeks 1934. Het is u natuurlijk bekend dat Luís Cimatarra op 8 juli 1949 bij een straatgevecht in Managua om het leven is gekomen.' Toen Hermans in 1986 weer eens bij de NRC een hoger bedrag bedong voor zijn bijdragen aan de krant, die al buitensporig gehonoreerd werden, en hij daarop een zuinig voorstel retour kreeg, begon hij zijn boze brief aan chef K.L. Poll met: 'Bert, geen beste, er zijn betere Berten voorstelbaar.' Vlak nadat Hermans en zijn vrouw op 5 december 1988 in hun appartement door de verwarde Nederlander Daniel Bonne waren overvallen met een bijl en beiden bewerkt met een mes, had hij de luchtigheid om de pers te zeggen dat de titel van zijn meest recente boek toepasselijk was (Door gevaarlijke gekken omringd). En in een brief, doelend op de datum van de aanslag en op de achternaam van de dader: 'Ik denk dat ze hem z'n hele leven al Sinterklaasje Bonne Bonne Bonne hebben genoemd en dat hij daarvan gek geworden is.'

Eenzaamheid

Natúúrlijk probeerde Hermans zich daar groot te houden en was hij hevig geschrokken. Natuurlijk, geen misverstand daarover, moet hij zich vaak eenzaam hebben gevoeld. In een brief uit 1959, toen hij nog in Groningen woonde: 'Ook heb ik nu een diaprojector om voorstellingen te geven voor goede vrienden die ik hier niet heb.'

Allemaal waar: in zijn Parijse jaren kreeg hij nog minder bezoek, en slaagde hij er in de selecte sekte van bewonderaars die zich zijn vrienden waagden te noemen (en van wie de boekhistoricus Frans A. Janssen een echte was) nog van zich te vervreemden. Hij eindigde op zijn 73ste zonder het gevoel te hebben dat het leven geweldig was geweest, maar integendeel moedeloos, kapotgerookt en leeggeschreven.

Desalniettemin vraag ik me af of de biograaf zich niet te zeer heeft laten leiden door wat Hermans in zijn dagboek noteerde. Alle ergernissen en grauwen daarin waren voor hem ook brandstof. In de meesterlijke typering die Willem Brakman van Hermans gaf: 'Onverzadigbaar was zijn honger naar miskenning, en de strijd die hij voerde om datgene op te roepen wat hij zou afwijzen, is heroïsch te noemen.'

Als zijn woede eenmaal duchtig was opgepookt (aanleidingen te over), dan smeet hij een vertelling op papier die bijna altijd verrast. Niet in de eerste plaats door de teneur of de visie, maar door de kale en eigenaardige gebeurtenissen (tot in zijn laatste roman Ruisend gruis, die postuum werd gepubliceerd: een professor wil thuis een barometer ophangen en boort een gaatje in de muur, waar een straal poeder door naar buiten stroomt die niet meer ophoudt), door de stijl met origineel-wrange vergelijkingen (uit de Donkere Kamer: 'Haar grinniken leek op het piepen dat een zeemleren lap teweegbrengt op een nat raam'), en door het merkbare plezier waarmee hij allerhande debacles en deconfitures schildert. Als vijftiger en zestiger leefde Hermans in welstand in Parijs, en werkte daar hard en goed in zelfgezochte eenzaamheid. Er is weinig reden om achteraf medelijden met hem te hebben, ook niet nu zijn biograaf daar maar op zinspeelt.

Erkenning

De aandrijving van de schrijversmotor kwam uit zijn binnenste, en moet van een kolossale en aanhoudende kracht geweest zijn, net zo onstuitbaar als het geheimzinnige poeder dat in Ruisend gruis uit de muur spuit. Want wie zich wel eens afvraagt hoe het komt dat Willem Frederik Hermans in brisante polemieken tientallen jaren om zich heen sloeg, terwijl de jonge schrijvers vandaag de dag op literaire avonden liefst gezellig bij elkaar op schoot kruipen, die zal versteld staan van de langdurige tegenwerking en de gereserveerde ontvangst die de later beroemde auteur heeft ondervonden.

Niks herdrukken en avondjes optreden met collega's, tv-optredens en interviews in alle kranten en weekbladen. Het geklaag van de oudere Hermans dat de brede erkenning heel lang uitbleef, was geen inbeelding. In de eerste decennia van zijn carrière verkocht hij matig, zijn boek met scheldstukken Mandarijnen op zwavelzuur (1955) moest in eigen beheer verschijnen omdat geen grote uitgever er aan durfde. Het literaire tijdschrift Maatstaf stelde een nummer tégen hem samen, toen hij 50 werd bracht het weekblad Haagse Post een special met 'vriend en vijand over Willem Frederik Hermans' en liet vooral vijanden aan het woord, en de invloedrijke criticus Kees Fens gewaagde in zijn Hermans-besprekingen door de jaren heen van 'geschikt voor een beperkte lezerskring', 'vroeger werd je op je bek geslagen, nu ben je literator' (over de novelle Het grote medelijden, waarin Hermans afrekende met de door menigeen bewierookte vooroorlogse essayist Menno ter Braak), en 'hij neemt voor alles de tijd en de nijd' (over Onder professoren).

Hermans leek vaak lichtgeraakt terwijl hij anderen agressief de maat kon nemen, maar zijn grote gevoeligheid was niet overdreven. Hem werden processen aangedaan, hij schreef een filmscenario en niemand wilde het lezen, de receptie bleef lange tijd onbegrijpelijk lauw. Het was niet zo'n particuliere poëtica, dat Hermans de schrijver een ontmaskeraar noemde 'die zijn bewegingsvrijheid verdient door zijn belagers onophoudelijk ervan te overtuigen dat zij geen recht hebben hem iets te verwijten'.

Toen hij eenmaal een gelauwerd auteur was, bleef hij wantrouwend. Ook niet vreemd, want zijn hele karakter was in de anonieme jeugdjaren reeds gevormd. En al maakte hij later talloze reisjes met zijn vrouw (van Syrië tot Argentinië), een volbloed levensgenieter zou hij nooit worden. Het kón ook niet; als dat was gebeurd, zou hij zijn overtuigingen verloochenen. Wat niet wil zeggen dat Hermans niet heeft geweten wat genieten is.

Oog voor verval

De geluksmomenten vond Hermans, die vermoedelijk slechts met zijn schrijverschap solidair was, onder het werken; met een sigaret in de ene, en een schroeiende pen in de andere hand. Tegen Frans Janssen: 'Het adagium van elke schrijver: de lezer meenemen in een boot en aan het eind van de reis hem een klap op z'n hoofd geven.'

Dat bootje komt aan het eind van Hermans' leven terug, als hij in Brussel met de gedweeë Janssen de rommelmarkt op het Vossenplein afstruint, en zijn schaduw wijst op een niet voltooid karkas van een houten bootje: 'Och, daar is een jongetje aan begonnen, toen ging het dood en nu ligt het bootje daar. In de hemel heeft hij er niks aan, want daar is geen water.' Je ziet Hermans grijnzen, met een mengeling van wreedheid en medeleven.

Daarom had hij zo'n oog voor verval en mismaaktheid: die onthullen iets over de mens. In Parijs zag hij eens een blinde muzikant, en schreef: 'Ik denk dat blinden hun hoofd ten hemel heffen waar niets is te zien, om geen spijt meer te hebben dat ze ook niets zien op plaatsen waar wel wat te zien is. 't Lijkt of ze, zodoende, toch de eer aan zichzelf houden.'

Hermans heeft zich met name in de Parijse jaren kunnen uitleven in tal van verhalen en artikelen die getuigen van nieuwsgierigheid en enthousiasme. Gezelschap had hij niet zo nodig. Die indruk maak je op uit dit leven - ondanks de drukkende visie van de biograaf dat Hermans meer leed dan genoot.

Vermoeiende structuur

Dat Otterspeer niet overtuigt, betekent nog geen diskwalificatie van zijn onderneming. Dubieuzer aan De zanger van de wrok is de vermoeiende structuur ervan: Otterspeer behandelt telkens een stukje leven, vertelt oeverloos een Hermans-boek na en loopt ten slotte de belangrijkste recensies door. Soms onderbreekt hij deze opzet door een ingelast hoofdstukje over een Hermans-hobby (katten, auto's) of levenslange ergernis (Harry Mulisch).

Langzamerhand gaat de biografie in een documentaire over, die soms uit zulke duffe opsommingen bestaat (waar Hermans een lezing gaf, wat het honorarium was, waarom hij weer niet tevreden was) dat het lezen corvee wordt. Het is bijna knap van de biograaf om van zo'n levendig leven een saai boek te maken.

Vermoedelijk heeft Otterspeer er na voltooiing van deel 1 (De mislukkingskunstenaar, over de beginjaren 1921-1953, gepubliceerd in 2013) in korte tijd de tweede helft doorheen willen jagen. Hier valt ook voor hem minder eer aan te behalen, want de laatste veertig jaar van Hermans' leven hebben zich voor een deel in de openbaarheid afgespeeld. Een flink deel van zijn trouwe lezers heeft die periode zelf meegemaakt.

Wat de oorzaak ook zij, De zanger van de wrok is allesbehalve groots, zoals Otterspeers eerdere biografieën over de filosoof Bolland (uit 1995) en de historicus Huizinga (2006), of zijn boeken over de geschiedenis van de Leidse universiteit (2000-2005) dat wel waren. Als hij de aanslag van Bonne gaat behandelen, wordt hij zelfs vreemd zweverig. Hermans was kort tevoren op een zwarte lijst gezet, en een lezing was onderbroken vanwege een bommelding. Otterspeer: 'Je vraagt je af of het daarmee te maken had, met dat concentraat van negatieve energie. In ieder geval vond er iets plaats wat nooit had mogen plaatsvinden. Was het een voorbode van wat later wel het verlies van onze nationale onschuld is gaan heten? Was het de aankondiging van een veel bruter tijdperk waarin dit soort zaken leek te passen? Het laat zich moeilijk onder algemene termen rubriceren. Maar toen, op 5 december 1988, pakjesdag in Nederland, vond in Parijs de eerste moordaanslag sinds mensenheugenis plaats op een van 's lands grootste schrijvers.'

Die gratuite, ondoordachte vragen maken een potsierlijke indruk, als van een snelle aantekening ('later nog even uitwerken'). Dat gaat ook op voor verbazend dilettantische zinnen als 'Een roman waarin toeval en noodlot, kunst en werkelijkheid een herkenbaar verband aangaan' (over Au pair). 'De opzet is helemaal Hermans', alsof het anders had gekund. Het personage Paulina is een 'echte Hermans-creatie'. Dit is proza Otterspeer onwaardig.

Kinderachtig

De biograaf staat niet boven zijn materiaal. Zie de kinderachtige manier waarop Otterspeer met de Hermans-adepten omgaat met wie hij het zelf de laatste jaren aan de stok heeft gekregen. Nietzsche-kenner Raymond Benders schreef Hermans brieven 'in barokke vormelijkheid en met elitaire terzijdes', schrijft Otterspeer, maar aan Frans Janssen liet Hermans een keer weten dat hij Benders zo hoog niet had zitten, een zinnetje dat met gretigheid wordt geciteerd.

Als het kort moet gaan over de scribent Bob Polak, die in het Hermans- magazine al jaren Hermansiaans speurt naar andermans foutjes (onder meer die van professor 'Etterspoor', een Hermansiaans flauwe naamgrap), maar die anderzijds in 2010 samen met Dirk Baartse het heerlijke Grote Willem Frederik Hermans Boek samenstelde, laat Otterspeer zich kennen door te gewagen van 'een zekere Bob Polak, werkzaam als ambtenaar Ruimtelijke Ordening bij de gemeente Amsterdam en in zijn vrije tijd journalist'.

Misschien dat je een historicus geen boek moet laten schrijven over een tijd die nog geen geschiedenis is geworden, en al helemaal niet in het bijzonder over een slechts twintig jaar geleden gestorven schrijver wiens oorspronkelijkheid niet in zijn statische wereldbeeld zat, maar in de vele onnavolgbare manieren waarop hij dat uitbeeldde, zowel in fictie als in gevechten met de altoos bedreigende buitenwereld.

De soevereine biografie die zich richt op wat W.F. Hermans uniek maakte, zijn scheppende kracht, moet nog geschreven worden.

In elkce cynicus zit een teleurgestelde idealist

Willem Frederik Hermans was de ongekroonde koning van het cynisme, aanvoerder van een hele generatie die inmiddels vrijwel is verdwenen. Maar wie was die homo cynicus?

'Ze weten wat ze doen, en ze doen het toch', schreef de Duitse filosoof Peter Sloterdijk over hen in zijn Kritiek van de cynische rede (1983). Ze geloven, zegt Sloterdijk, niet in hun eigen levenshouding, ze hebben de stuurhut van hun leven verlaten, daarbij verwijzend naar 'de smalle marges van de democratie', genetische determinatie en andere bepalingen. Nu wachten ze cynisch af tot de wal het schip keert.

'Wij zijn niets anders dan de strandvonders van ons eigen leven', schrijft Hermans in Paranoia, 'brokstukken verzamelend langs de zee der vergetelheid. In onze hand lopen wij met de verroeste spijkers van een groot, gezonken schip - en wij denken dat dit oudroest een horloge is.'

Cynici nemen geen verantwoording voor het eigen leven, omdat de 'harde feiten' nu eenmaal zijn dat de wereld zus of zo in elkaar steekt en de mens dus een speelbal is van hogere krachten. Deze inzichten ontleent de cynicus aan de evolutietheorie - ons gedrag is biologisch bepaald - en aan de neurologie, die leert dat we onze gedachten, die meestal latent agressief zijn, niet onder controle hebben. Het is je autonoom werkende brein dat denkt, en niet jij zelf.

Wie dit soort 'harde feiten' naast zich neerlegt, is in de ogen van de cynicus naïef dan wel schijnheilig. De bijtende felheid waarmee idealistische plannen worden afgeserveerd, getuigt van een persoonlijke deceptie. In elke cynicus zit een teleurgestelde idealist: de cynici groeiden op in de tijd van love and peace, maar werden in de decennia daarna 'realistisch', geholpen door het rapport van de Club van Rome, de Koude Oorlog met zijn permanente dreiging van totale vernietiging en met de economische crisis van de jaren tachtig als druppel.

Een hele generatie nam afstand van de politiek, van de kerk, van de coöperatie, van de utopie en van alle andere idealistische initiatieven om zich terug te trekken in een bijtend kritische resignatie. Wie niet wilde verzuren, trok een mooi pak aan, werd yuppie en pakte wat er te pakken viel. Cynisch geworden schrijvers besloten om de werkelijkheid voortaan zo somber voor te stellen dat deze in de praktijk alleen nog maar kon meevallen.

Peter Sloterdijk probeerde het tij der moedeloosheid te keren door tegenover de 'harde feiten' van cynicus het 'zachte feit' van de idealist te plaatsen: we kunnen op zijn minst proberen ons leven te veranderen; we kunnen op zijn minst een poging doen om het 'verlammende ressentiment' van de cynici te verruilen voor een 'humoristische zelfverzekerdheid zoals alleen soevereine geesten die kennen', schreef hij in zijn Kritiek van de cynische rede.

Op 9 november 1989 duwden tienduizenden soevereine geesten de Berlijnse Muur omver. Sindsdien zien we nieuwe collectieven opduiken die zich richten op ecologische landbouw, op alternatieve energiebronnen, op kennisverzameling. Er heerst nog steeds somberheid over de toekomst, maar het wantrouwen van weleer heeft plaatsgemaakt voor een voorzichtig vertrouwen in het eigen kunnen. Je wilt niet naïef genoemd worden, maar kil cynisme lijkt simpelweg geen optie meer.

Erno Eskens is programmadirecteur van de Internationale School voor Wijsbegeerte.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.