Zoen voor een kinderlijkje

De schrijver is de historicus Luuc Kooymans, van onder andere Vriendschap en kunst en de kunst van het overleven in de 17de en 18de eeuw, en zijn nieuwe boek dat hij in opdracht schreef van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam heet De doodskunstenaar.

Intrigerende titel natuurlijk, maar dat maakt deel uit van de 'verslaving' die Kooymans teweeg weet te brengen. Een man die als apotheker begint, gefascineerd is door de geheimen van het menselijk lichaam, en zich allengs niet alleen toelegt op het conserveren en ordenen van een unieke verzameling geprepareerde armen, benen, organen en skeletten, maar ze bovendien arrangeert tot zoiets als een permanente huisexpositie van conceptual art - bij zo iemand mogen kunst en de dood in één adem worden genoemd.

Ruysch leefde in een tijd waarin het verschil tussen een arts en een kwakzalver nog even onbestemd was als de scheiding tussen een chirurgijn en een groot geleerde. De 'Republiek der Letteren' bood plaats aan iedereen die zich op creativiteit kon laten voorstaan, om het even of hij het koopmanschap of de cultuur diende.

Peter de Grote die als jonge, 25-jarige tsaar z'n Moskovitische rijk wilde vernieuwen, en zowel hulp als ideeën in het Westen zocht, was een welkom aspirant-lid van die 'geletterde' gemeenschap. Dus kwam hij tijdens z'n maandenlange verblijf in Nederland (1696-'97) als vanzelfsprekend in contact met verlichte geesten als Nicolaas Witsen, Boerhaave, Leeuwenhoek en Ruysch.

Op de Bloemgracht, waar Ruysch woonde, en waar hij zijn fabuleuze 'cabinetten' tentoon had gesteld, bleek Peter niet bij al die soms bizarre preparaten weg te slaan, en bij een van de kinderlijkjes - zo schitterend gebalsemd dat het jongetje leek te slapen: dat was het 'handelsmerk' van Ruysch - was de tsaar ontroerd blijven stilstaan om het kadavertje in de armen te sluiten en te zoenen. Of zoals de Nederlander het op z'n tachtigste nog eens zou memoreren: 'Ik heb 't aangesigt van een jonge zo fraaij toebereit dat een zeker groot monarch in Europa 't zelve omhelst en gezoent heeft.'

In de dagen en weken die volgden bezocht Peter ook een aantal al dan niet anatomische lessen die Ruysch in de Waag gaf voor ieder die er entreegeld voor overhad - en dat waren er altijd veel: het vakkundig snijden in stoffelijke overschotten werd in die dagen immers 'opgevoerd' als een theaterstuk voor een altijd dankbaar, deels sensatiebelust publiek. Na een aantal keren was het voor de door hele menigten aangestaarde tsaar te veel.

'Als hij', schrijft Kooijmans, 'vanuit het herenlogement naar het daarnaast gelegen Sint-Pietersgasthuis wilde lopen moest hij zich een weg banen tussen drommen nieuwsgierigen, die op straat stonden te wachten tot hij zich zou vertonen.'

En dat voor een hoogwaardigheidsbekleder die zijn werkbezoek liefst incognito had willen afleggen, en die nogal naïef hoopte dat een pseudoniem (hij reisde als de officier Peter Michajlov) hem zou 'beschermen'.

Kooijmans heeft alle aandacht voor de jonge Peter, die later voor dertigduizend gulden eigenaar zou worden van de Ruys-collectie. Maar het ging de historicus niet alleen om de wonderlijke geschiedenis van de beroemde verzameling, maar vooral ook om cultuurhistorische ontwikkelingen waaraan iemand als Ruysch met zijn scherpe, empirische nieuwsgierigheid zoveel heeft bijgedragen.

Op het terrein van medische en anatomische inzichten natuurlijk het meest. In een tijd waarin het statische aristotelische wereldbeeld nog dominant is, en de geneeskundige inzichten van Claudius Galenus (2de eeuw na Christus) nog zoiets als geopenbaarde waarheid vormen, moet je van goeden huize komen om, zoals het bij Kooijmans heet, alleen je eigen ogen te geloven.

Ruysch was natuurlijk niet alleen: op het terrein van de als het ware pas ontdekte fysiologie (waarvan de studie om veel lijken vroeg; een detail dat als honderden andere even efficiënt als terloops door Kooijmans wordt aangestipt) waren er veel beunhazen en grasduiners, maar ook serieuze rivalen, dus veel schele ogen en veel pogingen om mekaars vondsten te kleineren, te loo chenen of zelfs te 'stelen'.

Maar Ruysch was uniek voorzover hij zijn klinische taakopvattingen tot op hoge leeftijd bleek te willen en te kunnen verenigen met de behoefte om zijn werkresultaten als het ware te stileren in de museale schatkamers van zijn grote, Amsterdamse grachtenpand. En misschien omdat hij op zo'n krasse manier oud werd, en tot op hoge leeftijd dóórwerkte en zijn ogen dóór bleef geloven, tot hij via de ontleding van de baarmoeder van een vlak voor haar dood nog bevruchte vrouw bijna ook het raadsel van de voortplanting had opgelost. Maar dan had hij vóór hij er zelf bij neerviel, over net nog wat meer jonge bevruchte baarmoeders moeten kunnen beschikken.

Hij werd 92. Al twintig jaar eerder had Peter de Grote, andermaal in Nederland op bezoek, voor zijn gloednieuwe Kunstkamera in het gloednieuwe St.-Petersburg de hele collectie van Ruysch gekocht. Er hebben sindsdien veel indianenverhalen de ronde gedaan over de teloorgang van de kostbare verzameling (Sovjet-soldaten en matrozen zouden tijdens het beleg van Leningrad in de Tweede Wereldoorlog onder andere de voor de conversering onmisbare alcohol uit de flessen hebben opgedronken) - maar na de val van de Sovjet-Unie en de 'opening' van Rusland bleek het nog mee te vallen.

Je kunt je ten slotte nog afvragen waarom de collectie niet gewoon in Nederland heeft kunnen blijven. Gebrek aan belangstelling zal de hoofdverklaring zijn. Ruysch raakte in eigen land tamelijk snel vergeten, en los daarvan: in de loop van de 18de en 19de eeuw zijn nog wel kostbaarder bewijzen van inheemse kunst en cultuur van de hand gedaan of domweg als oud vuil vernield. Bovendien hadden wij anno 1712, toen Peter de Grote er met de buit vandoor ging, geen hof. Zelfs dat in Leeuwarden was in de war, want hun stadhouder Jan Willem Friso was zojuist in het Hollands Diep verdronken.

Maar niemand durft er z'n hand natuurlijk voor in het vuur te steken dat een eerdere of latere Oranje wél meteen de grootheid van Ruysch had ingezien.

Luuc Kooijmans: De doodskunstenaar - De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Bert Bakker; 517 pagina's; ¿ 25,-. ISBN 90 351 2673 4.

Tot 21 januari is nog de kleine expositie Geloof alleen je eigen ogen met preparaten van Frederik Ruysch te zien in de tentoonstellingszaal van de Universiteitsbibliotheek aan het Singel in Amsterdam; elke werkdag 13-17 uur; toegang gratis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden