INTERVIEWmaarten asscher

‘Zodra ik wist wat mijn grootouders hadden beleefd, wilde ik het niet meer weten’

Beeld Marie Wanders

Na de oorlog vertrokken de grootouders van Maarten Asscher plotseling naar Engeland. Voor zijn nieuwe roman zocht de kleinzoon uit waarom. En zodra hij het wist, wilde hij het niet meer weten.

‘Ik word mijn hele leven al vroeg wakker. Dan kan ik niet meer slapen. Meestal kijk ik niet op de klok. Maar vannacht heb ik dat wel gedaan: 3.47. Vroeger stond ik dan op. Zette een kop koffie, stak een pijp op en ging aan het werk.’

Maar de afgelopen twee jaar stond u niet op.

‘Ik zocht in de nachtelijke uren in mijn ­gedachten naar een plaats om te schuilen. Ik dwaalde door het huis waar ik in mijn jeugd elke zomer een aantal weken logeerde: 34 Pensford Avenue in Kew, een voorstadje van Londen. Daar woonden mijn ‘Oa’ en oma Roosje, de ouders van mijn vader. Ik zag, als ik op mijn rug in bed lag, het ­plafond van de grote logeerkamer aan de ­achterkant op de bovenverdieping zo voor me verschijnen. Dat huis in Engeland bleek een krachtig theater voor mijn herinnering.’

Sliep u daar destijds wel?

‘Ja. Ik werd daar, in de weken die ik er in de ­zomer logeerde, als een prinsje verwend. Het was het paradijs van mijn jeugd. Maar er vielen ook schaduwen in het huis en de lommerrijke tuin die ik niet kon duiden. Ze hadden iets met de oorlog te maken. Hoe waren mijn Joodse grootouders de bezetting door­gekomen, met hun drie kinderen, terwijl ze nota bene al naar Westerbork waren af­gevoerd? En waarom waren ze vlak na de ­oorlog plotseling naar Londen vertrokken? Dat vroeg ik mij af. Want er werd niet over ­gesproken – ook niet door mijn vader.’

In Een huis in Engeland komt uw ­grootvader – de ingenieur William B.B. Asscher, werkzaam bij Shell in Londen – over als een behoorlijk sarcastische man.

‘Multatuli heeft gezegd: sarcasme is de hevigste uitdrukking van smart. Als je mijn opa ziet op vakantiefilms voor de oorlog, dan heeft hij zachte gelaatstrekken. Zoals ik hem heb ­gekend – ik was dol op hem, en dat was, geloof ik, wederzijds – was hij hard en verbitterd. Mijn grootmoeder was veel ruimhartiger, ­socialer. Er kwamen vrienden op de thee. Vrienden, die had mijn grootvader niet.’

Wanneer wist u dat u over het verhaal van uw grootouders een roman wilde schrijven?

‘Mijn vader stierf in 2008. Toen erfde ik zijn persoonlijke archief, waarin zich allerlei juridische documenten uit de oorlog bevonden. Mijn vader was begonnen zijn verhaal op ­papier te zetten, maar was daarin vastgelopen. Gestokt. Hij kon het niet opschrijven, maar wilde ook niet ik dat zou doen. Hij ­beschouwde het als zijn verhaal.’

Toch bent u er niet meteen ingedoken.

‘Misschien was ik bang voor wat ik zou ontdekken. Ik had het ook te druk met andere ­dingen. Maar de laatste jaren ging mijn hoofd daar wél naar staan: je vroegste herinneringen komen scherper terug als je ouder wordt. In de roman heb ik geprobeerd het perspectief van de kleinzoon van een jaar of 12 te hand­haven. Tegelijkertijd wilde ik vertellen wat ik als volwassen man tijdens mijn wakende uren aantrof in de papieren van mijn vader. Dat was de uitdaging: om die twee dingen tot één verhaal te smeden.’

Maar dat kon dus pas toen u zich helemaal kon vrijmaken voor het schrijven.

‘Ik heb zeventien boeken ­gepubliceerd, maar die hebben hun status slechts in beperkte kring. Hoeveel mensen zijn echt geïnteresseerd in essays, gedichten, vertalingen of een proefschrift over gevangenisliteratuur?

Wanneer heeft u die vorige zeventien boeken dan geschreven?

‘Zoals Gustav Mahler zijn symfonieën in de vakantie schreef, zo schreef ik mijn boeken in de vakantie. Dat is dus geen excuus, hè. Ook wanneer je iets in de vakantie maakt, kun je triomfen behalen. Maar ik was nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren als ik me volledig op het schrijven zou concentreren, of dat dwingender resultaten zou opleveren.’

Het lag in uw leven niet voor de hand dat u in het boekenvak zou belanden. Uw vader, de gewezen rechtbankpresident mr. B.J. Asscher, had u voor iets anders ­voorbestemd.

‘Vanaf het moment van mijn conceptie heeft mijn vader zich erop verheugd dat ik rechten zou gaan studeren in Leiden. Ik moest advocaat worden. Of rechter. Ik heb een bijzonder leuke tijd in Leiden gehad, maar hoe vaker de mensen tegen mij zeiden: ‘jij gaat vast je vader achterna’, hoe vaster ik ervan overtuigd raakte dat dat niet het geval was. Ironisch genoeg heeft juist een juridische truc ervoor gezorgd dat ik überhaupt besta.’

Uit de stukken die u erfde van uw vader bleek dat de Haagse advocaat mr. IJ.H.M. Nijgh er in de oorlog voor heeft gezorgd dat uw grootvader op papier een niet-Joodse andere vader kreeg, ene William Knight, waardoor het Joodse huwelijk van uw grootouders werd omgezet in ‘een gemengd huwelijk’ – en dat zorgde ervoor dat het gezin uit Westerbork werd vrijgelaten. En aan de wisse dood ontsnapte.

‘Een inventieve en moedige daad van Nijgh. Hij ging aan de slag zonder belofte van succes. Mijn vader heeft hem na de oorlog 500 gulden overgemaakt. ‘Honderd gulden per leven’, staat er in een herdenkingsboek.’

Hoe bent u aan uw voorbestemming tot advocaat ontsnapt?

‘Eerst koos ik tijdens mijn studie het vak auteursrecht, dat was al een stap in de goede richting. Na een bezoek aan de uitgeverij van Johan Polak en mijn eerste baantje bij Theo Sontrop van De Arbeiderspers wist ik: in deze wereld wil ik blijven.’

U werd al jong uitgever bij Meulenhoff. Eentje die zélf las.

‘De truc was: tegendraads lezen en mensen kennen die dat óók doen. Op de Frankfurter Buchmesse had ik bijvoorbeeld elk jaar een ­afspraak met twee buitenlandse uitgevers met wie ik, ondanks het leeftijdsverschil, zeer bevriend was. De ene was Roberto Calasso, schrijver en uitgever van Adelphi Edizioni. De ander was Vladimir Dimitrijevic van het Zwitserse Éditions L’Âge d’Homme. De ontdekkingen en reputaties waarover je dan zit te praten – die helpen meer dan een jaar lang vakbladen spellen of boekpresentaties aflopen.’

U had succes met een hoogwaardig ­internationaal fonds.

‘Dat sprak mij aan, misschien ook wel door mijn Engelse grootouders. Ik denk vaak in het Engels, ben een ongeneeslijke anglofiel. Maar ik houd er ook van om me in de Franse of ­Italiaanse literatuur te verdiepen. Bij Meulenhoff brachten we tussen de veertig en vijftig nieuwe vertalingen per jaar. Er zaten auteurs in het fonds als Gabriel García Márquez, Vargas Llosa, Amos Oz, Primo Levi, Bruno Schulz en Wislawa Szymborska. In The Times Literary Supplement, een blad dat ik al sinds 1980 wekelijks lees, stond één gedicht van haar: ‘The End and the Beginning’. 

‘Ik vond het een fabelachtig gedicht, vertaald door Joseph Brodsky. Szymborska bleek in Polen een enorme reputatie te hebben, maar was verder nauwelijks bekend. Toen ­hebben we haar onder contract genomen, voor een bundel met een keuze uit haar ­poëzie. Te vertalen door Gerard Rasch. Vlak voor het boek zou verschijnen, kreeg ze de ­Nobelprijs voor Literatuur. In twee jaar tijd zijn er 140 duizend exemplaren van die ­bundel verkocht.’

Toch ging u op uw 40ste alweer weg bij Meulenhoff.

‘Ik kon het niet aanzien dat de uitgeverij ­kapotgemaakt zou worden. De nieuwe eige­naren en nieuwe bazen wilden het bedrijf ingrijpend veranderen, niet langer op dezelfde wijze investeren in literatuur. Vanuit puur ­financieel opzicht snap ik dat wel: er is geen enkele garantie dat een literaire uitgeverij structureel veel geld oplevert. We maakten wel degelijk winst, maar kennelijk niet genoeg. Dus ik dacht: dan ga ik op een plek werken waar ik mijn idealen nog kan verwezenlijken. Toen heb ik zes jaar gediend als directeur kunsten op het ministerie van Onderwijs, waar ik ook de wereld van de beeldende kunst, film en het theater goed leerde kennen. En leerde om het woord van mijn principaal te spreken.’

Kon u dat?

‘Laat ik het zo zeggen: ik vond het heerlijk om als directeur van Athenaeum Boekhandel weer leiding te geven aan een onafhankelijk bedrijf. Zonder concernleiding, zonder ­bewindspersoon. Elke morgen, nog voor de boekhandel open was, mijn oog te laten ­dwalen over de volle kasten. Tussen de stapels op de tafels door te lopen, her en der wat ­boeken op te pakken, te wegen in mijn hand, en een stapeltje mee te nemen naar het kantoor boven de winkel.’

Uw liefde voor het boek heeft veel te ­maken met de liefde voor het ding.

‘Ik heb er veel plezier in gehad om in Een huis in Engeland de bèta-techneuterige bibliotheek van mijn grootvader te beschrijven, het chemisch handboek met duimgreep, het Volledig molenboek. En de poëziebundels van mijn grootmoeder van J.C. Bloem, Hélène Swarth, P.C. Boutens. Mijn oma Roosje schreef zelf ook, columns en gedichten.’

U beschrijft een boekenkastje met de Encyclopedia Britannica als een altaar.

‘Kijk, hier staat net zo’n kastje. Heb ik op de kop getikt bij een antiquaar. De boeken passen erin op de millimeter. Ik ben de enige in huis die er iets uit mag en kan krijgen.’

Meer een pronkstuk dan om echt te ­gebruiken, in deze digitale tijd?

‘Ik moest laatst iets opzoeken over de geschiedenis van de psychoanalyse en trof in deze ­encyclopedie een fantastisch lemma aan dat was ondertekend met de initialen ‘S.F.’. De Weense zieleknijper Sigmund Freud zelf heeft het geschreven! Dat prefereer ik toch boven de Wikipedia-pagina.’

‘Dit Stilleven met rozen is geschilderd door Baruch Lopes de Leao Laguna, die getrouwd was met Rose Asscher, de zuster van mijn overgrootvader. Haar naam – mijn oma heette toevallig ook Roosje – wordt weerspiegeld in deze bloemen van verf. Baruch en Rose werden in 1943 in Auschwitz vergast.’Beeld Marie Wanders

Ik heb meteen even opgezocht hoe 34 Pensford Avenue eruitziet op Google Earth. Na twee muisklikken wist ik dat het pand in 2008 voor het laatst werd ­verkocht voor 876 duizend pond.

‘Dat valt me tegen, die prijs. Het mooiste huis ter wereld!’

U had niet in het huis willen gaan wonen, toen uw grootouders waren gestorven?

‘Nee, nee, nee. Zonder hen, zonder die tijd is het huis het huis niet meer. Een aantal jaren geleden ben ik op een ­druilerige dag in januari door de straat gelopen. Ik kon alleen maar stiekem naar het huis ­kijken en deed tegenover mezelf net of er ­regendruppels op mijn wangen vielen.’

Toch hebt u in uw werkkamer een paar dingen om u heen verzameld die u ­terugvoeren naar het huis.

‘Dit schilderijtje is van de hand van mijn grootvader. Gezicht op Feriolo, met mijn oma en hun auto erop afgebeeld, is onmiskenbaar naar een foto geschilderd: heel precies, zonder enige improvisatie, met een minimum aan spontaniteit en een maximum aan perfectionisme.’

Aan de wand bij uw grootouders – uw grootvader kwam uit een familie van kunsthandelaren – hingen museumstukken van Nicolaes Berchem, Willem Maris, Jan Miense Molenaar. Die zijn na de dood van uw grootouders allemaal naar de veiling gebracht. Vond u dat niet verschrikkelijk?

‘Al die geweldige schilderijen kan ik missen omdat ze in mijn geheugen nog aan de wand hangen. Ze verloren hun unieke betekenis op het moment dat ze uit de kamer van mijn grootouders werden verwijderd. De kunst is fraaier dan de werkelijkheid, maar beide ­leggen het af tegen de herinnering.’

Daarom hebt u een roman geschreven, geen pure autobiografie.

‘Dat vond ik verleidelijker. Door louter te ­vertrouwen op mijn geheugen, werd het een spannende zoektocht. De man die in dat bed wakker ligt, zoekt het jongetje dat in hem zit. In zijn verbeelding zoekt hij de waarheid over de grootouders. Dat kan alleen in een roman.’

Als u ’s nachts wakker lag, maakte u dan notities?

‘Nee. De accu werd schijnbaar ongemerkt ­opgeladen. Ik was een zomer met mijn gezin in een huis in Poulfoën aan de Bretonse kust. Ineens roetsjte het er daar uit. Mijn vrouw en dochters houden nogal van uitslapen. Als zij wakker werden, had ik al uren en uren achtereen zitten schrijven.’

In dit notitieblok, dat op uw bureau ligt?

‘Ja. Zoals je ziet, heeft het boek allerlei titels ­gehad: Nachthuis. De gouden drempel. Bijna alle hoofdstukken schrijf ik met de hand uit. Maar op een gegeven moment wordt het onoverzichtelijk, dan ga ik wat ik heb langzaam overtikken op de pc. Dan volgt versie op versie. Tot het klaar is.’

Als u de methode van Gustave Flaubert zou volgen, zou u het manuscript keer op keer met de hand opnieuw ­moeten uitschrijven.

‘Dat zou het mooiste zijn, maar dat breng ik niet op. Ten tijde van de honderdste sterfdag van Flaubert was er een expositie in de Bibliothèque Nationale, waar je alle zeven versies van het manuscript van Madame Bovary in een vitrine bij elkaar kon zien. Het was in 1981, ik was 23. Dat grenzeloze perfectionisme van Flaubert, om dat boek zevenmaal opnieuw uit te schrijven en te zoeken naar het juiste woord op de juiste plaats. Een open­baring. Toen ik dat zag, dacht ik: schrijver zijn, dát is het.’

Wat heeft het schrijven van Een huis in Engeland u geleerd?

‘Om te beginnen heb ik – en dat gaan we hier nu niet verraden – ontdekt wat er vlak na de oorlog is gebeurd, wat ervoor zorgde dat er schaduwen vielen in het huis van mijn grootouders en in hun prachtige tuin. Het is paradoxaal: ik wilde weten wat het was, maar ­zodra ik het wist, wilde ik het eigenlijk niet meer weten. Niet weten biedt de grootste kans op geluk.’

U bent sadder and wiser?

‘Er zijn lessen te trekken uit deze geschiedenis – en ik ben bezig die te trekken. Ik kan nu gemakkelijker praten over de oorlogsgeschiedenis van mijn familie. Ik kan niets veranderen aan wat ik heb ontdekt, maar ik denk wel dat het goed is dat ik het verhaal van mijn leven in alle details, geuren en kleuren heb verteld. Al is het maar voor mezelf. In de verbeelding ben ik op zoek gegaan naar de waarheid – en die heb ik gevonden. Tot slot hoop ik dat de lezer, als hij mijn boek dichtslaat, niet alleen van mijn grootmoeder maar ook van mijn grootvader zal kunnen houden.’

Maarten Asscher: Een huis in Engeland

De Bezige Bij; 256 pagina’s; € 21,99.

Wie is Maarten Asscher?

Maarten Asscher (1957) studeerde rechten in Leiden, was uitgever bij J.M. Meulenhoff, directeur kunsten bij het Ministerie van OCW en directeur van Athenaeum Boekhandel. Hij publiceerde fictie en non-fictie, verhalen, essays, columns, vertalingen en poëzie. In 2015 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op Het uur der waarheid – Over gevangenschap als literaire ervaring. In 2019 ontving hij de J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak. Sinds twee jaar wijdt hij zich fulltime aan het schrijverschap. Een huis in Engeland is zijn tweede roman.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden