Recensie Film

Zoals in Jeannette, l’enfance de Jeanne d’Arc werd de oorlogsstrijder nog nooit geportretteerd


Al headbangend, zo zagen we Jeanne d’Arc nog nooit. En heiligen? Dat zijn bij regisseur Bruno Dumont gogo-dansers. De film eist van de kijker een onvoorwaardelijk geloof in zijn eigen regels. 

Foto x

Headbangen wordt iets heiligs, in Bruno Dumonts Jeannette. Zijn protagonist, de piepjonge Jeanne d’Arc, belijdt haar liefde voor God en vaderland vooral in al dan niet gezongen woorden. Zodra die woorden tekortschieten begint ze te dansen; brandt haar ziel zich aan het vuur van haar geloof, dan is ook dansen niet meer genoeg. Zwiepen en slaan zal ze, met haar lange, donkere haar, terwijl op de soundtrack de gitaren razen en de drums bulderen.

Jeanne d’Arc, de door God geroepen vrouw die tijdens de Honderdjarige Oorlog  ten strijde trok tegen de Engelse bezetters, was al vaker een filmheld. Maar zoals  in Jeannette, l’enfance de Jeanne d'Arc werd ze nog nooit geportretteerd. Terwijl herder Jeannette (als kind vertolkt door Lise Leplat Prudhomme, als adolescent door Jeanne Voisin) zich rond 1425 op haar goddelijke taak voorbereidt, speelt de film zich vrijwel volledig af in een paradijselijk duinlandschap aan de Noord-Franse kust. Aldaar bouwt Dumont (Hors Satan, Camille Claudel 1915) een uniek universum, ergens halverwege avant-gardistisch minimalisme en basisschoolvoorstelling.

Musical

Jeannette, l’enfance de Jeanne d'Arc

Regie Bruno Dumont

Met Lise Leplat Prudhomme, Jeanne Voisin, Lucile Gauthier, Victoria Lefebvre, Aline Charles, Elise Charles, Nicolas Leclaire.

105 min., in 8 zalen.

Dumont, die zichzelf na een rits ascetische drama’s opnieuw uitvond met absurde producties als Ma loute (2016), propt zijn eerste musical vol met de meest uiteenlopende invloeden. In de choreografie van Philippe Decouflé versmelt flamenco met jazzdance en heksachtige mime; Igorrrs robuust knetterende electro-speedmetal knalt vaak frontaal op de breekbare melodielijnen, die live op de set zijn ingezongen door een cast van voornamelijk minderjarige amateur-acteurs. Zo wordt Jeannes oom vertolkt door een hiphoppende slungel, en een bezorgde non door burlesk rondhossende, maar bloedserieus kijkende tweelingzussen. Aan Jeanne verschijnende heiligen ontpoppen zich dan weer tot gortdroge gogo-dansers. Alsof je kijkt naar vrome portretschilderijen die eindelijk een beetje loskomen, na eeuwenlang stijf voor zich uit te hebben gestaard.

De tekst, door Dumont geput uit een zelden uitgevoerd theaterstuk van Charles Péguy (1873-1914), laat eigenlijk geen ruimte voor zulke kwinkslagen en ironie. Bovendien legt Péguy Jeannette plechtstatige woorden in de mond (‘Waarlijk, dit verderf doet mij lijden’) die Lise Leplat Prudhomme (tijdens de opnamen was ze 8) onmogelijk overtuigend kan overbrengen. En zelfs wanneer ze dat gebrek aan diepgang compenseert met haar indrukwekkend intense oogopslag, is er in het zinnelijk gefotografeerde duindecor altijd wel ergens een schaap dat de ernst aan gort blaat.

Om dit allemaal met elkaar gerijmd te krijgen, moet je als toeschouwer flink aan de slag. En dat terwijl het trage verteltempo en de minimalistische aanpak soms behoorlijk afmattend zijn. In feite liggen film en hoofdpersonage in elkaars verlengde: de film vereist een onvoorwaardelijk geloof in zijn eigen regels, zoals je in Jeannes missie moet geloven om haar niet als godsdienstwaanzinnige fundamentalist te zien.

Toegewijd kijken en luisteren dus, opdat Jeannette méér wordt dan quasi-heiligschennende malligheid. Opdat je in het langs Jeannes hoofd glinsterende zonlicht een aureool ontwaart, en je uiteindelijk ook zelf in je bioscoopstoel zit te headbangen.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.