boekrecensie

Zo was het, van hier tot aan de einder: polder, zomer, zon ★★★★☆

Koos van Zomeren (75) keert nog eenmaal terug naar zijn geboortedorp, Herwijnen aan de Waal, waar ruilverkaveling en dijkverzwaring het verleden hebben uitgewist. Toch is hij niet nostalgisch.

null Beeld Typex
Beeld Typex

‘Wie iets van mij wilde weten moest van Herwijnen weten’, noteerde Koos van Zomeren meer dan dertig jaar geleden in zijn dagboek. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In Aan de dijk keert de schrijver, nu hij de leeftijd der zeer sterken heeft bereikt, voor de derde maal terug naar Herwijnen, het dorp aan de Waal waar zijn vader in 1919 werd geboren in een dijkhuisje en hijzelf als jongen ging logeren in het huisje verderop aan de dijk bij zijn aangenomen grootouders Atje en Tante. ‘Je schoof de molton deken weg en keek uit het zolderraam dat nauwelijks groter was dan je hoofd. Van hier tot aan de einder: polder, zon, zomer, een veld met graan waarin het kwetterde van de mussen.’

In Een jaar in scherven en Nog in morgens gemeten, dagboeken uit respectievelijk eind jaren tachtig van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, riep Van Zomeren (75) in scherpe, fonkelende fragmenten het beeld op van het leven in ’t Rot, zoals ‘zijn’ stukje Waaldijk werd genoemd, waar de mensen in bittere armoede leefden, af en toe voor de steenfabriek of ‘de boer’ werkten, met trossen kinderen onder de kierende pannen op de vliering sliepen. ‘Rot was het, een ordeloze opeenhoping van varkens-, konijnen-, geiten- en mensenhokken.’

‘Op’ Herwijnen was iedereen familie van elkaar. Atje en Tante, genetisch niet eens familie, vormden het gezin Van Zomeren-Van Zomeren. Hij heette eigenlijk Jan, zij Jantje. ‘Een echte Van Zomeren heet Jan – zo zou ik beginnen als ik een autobiografie schreef. Pas nu ik Koos zo’n tienduizend keer gedrukt heb zien staan, begint het te wennen.’

De namen van de bewoners vormen een woud waarvan de bomen nauwelijks uit elkaar zijn te houden. De uitzonderingen daarop vormen mannen met bijnamen als d’n Frulles, een man met een kort lontje, en stropers en drinkebroers als De Gelsing en Rutje. De laatste zat vol fantastische verhalen. Zo zou Rutje een beslissende rol in de oorlog hebben gespeeld. Via de boom naast zijn totaal vervallen huisje, beweerde hij, waren de Engelse piloten naar Duitsland gevlogen.

In zijn dagboeken heeft Van Zomeren vooral een liefdevol portret geschetst van Atje, zijn aangenomen grootvader. Een droogkomische knorrepot die niet kon lezen en zich tot de jongen richtte in het knoestige dialect van de Betuwe. Tegen zijn medebewoners in het dijkhuisje sprak Atje nauwelijks. Maar als je aan de schrijver zou vragen waar hij vandaan kwam, bij wie hij onvoorwaardelijk hoorde, dan was hij het. ‘Atje was Atje, niet meer, niet minder. Er bestond geen woord voor onze verwantschap, dat maakte het juist zo toverachtig.’

Koos kwam pas kijken op Herwijnen toen de ergste armoede al achter de rug was, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, na de sociale ingrepen van vadertje Drees, en in een tijd dat de dijkhuisjes stromend water kregen, de polder werd herverkaveld. Achteraf realiseerde hij zich nog net deel te hebben uitgemaakt van een voorgoed verloren wereld. ‘Het dorp is er nog, maar er is een wereld verdwenen, en dat verdwijnen dat gaat maar door, dat gaat maar door.’

In Aan de dijk veegt Van Zomeren de ontbrekende scherven van zijn Herwijnse spiegel bij elkaar. Hij doet dat in een tijd dat bijna alle huisjes – ook dat van Atje en Tante – zijn afgebroken en ten prooi zijn gevallen aan de dijkverzwaring. ‘Het huis is er niet meer en dit is de moeilijkste plek van de wereld om vol te houden dat het in je geheugen nog recht overeind staat. De herinnering legt het af tegen je ogen: een kaal stuk dijk, een gat in de lucht. De mensen zijn er ook niet meer. En de konijnen niet. En de varkens en de vliegen en de mussen niet. Alles is weg en wat weg is is er nooit geweest.’

Dat klinkt weemoedig, en dat is het ook. Toch zijn de Herwijnse dagboeken niet nostalgisch. Hun betovering gaat juist schuil in het nuchtere besef dat alles voorbijgaat. Van Zomeren beschouwt schrijven als een vorm van vergeten. Uiteindelijk gaat Aan de dijk over het geheugen zelf, en de manier waarop hij de leegte van het landschap en het verleden met zijn verbeelding vult. Zijn natuurbeschrijvingen bezitten vaak een tintelende schoonheid, maar hij schroomt ook niet om stugge staccato zinnetjes en gedachtenflarden ongepolijst in zijn dagboek te laten te laten staan. Zo komen Herwijnen én Van Zomeren je nabij.

Tot slot is Aan de dijk voorzien van een collectie historische foto’s van de oude dijkhuisjes en hun bewoners, verzameld door Willy Raaijmakers, die woont in het aan de moderne tijd aangepaste geboortehuis van de vader van Koos. Nu krijgen we alsnog met eigen ogen het huisje van Atje en Tante te zien zoals het was. Mannen en vrouwen met verweerde gezichten, die op klompen over de dijk klossen. En een foto van Rutje die geleund zit tegen de boom, waarlangs de Engelse bommenwerpers op Duitsland vlogen.

Koos van Zomeren: Aan de dijk Herwijns dag- en fotoboek. De Arbeiderspers; 170 pagina’s; € 23,50.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden