Artikel Boeken

Zo schrijf je zelf een thriller

Beeld Aisha Zeijpveld

Het wordt zomer (officieel dan, officieus was het al zover) én de weken van het spannende boek komen eraan, oftewel: het zijn weer tijden om thrillers te lezen. Op zoek naar de gouden formule voor spannende boeken stuitte Julien Althuisius op de Tien Geboden van thrillergodfather John Grisham, die ze weer van Brian Garfield had. Hij legde ze voor aan misdaadauteurs Tomas Ross, Simone van der Vlugt, Saskia Noort, Gauke Andriesse en Charles den Tex.

Buiten adem stond hij voor de deur van zijn appartement. Zijn bevende handen vonden de sleutel in zijn binnenzak. Na een paar keer mis te hebben gestoken verdween de sleutel in het slot. De deur vloog open, hij gooide zichzelf naar binnen en smeet ’m dicht. Hijgend liet hij zich tegen de deur aan vallen. Even bleef hij zo staan, in het donker, terwijl de angst en adrenaline langzaam zijn lijf verlieten. Toen zijn hartslag en ademhaling weer rustig waren geworden, tastte hij met zijn hand langs de muur totdat hij de lichtschakelaar had gevonden en deed hij het licht aan. Ze stond vlak voor hem, en grijnsde.

Dit zou het begin van een thriller kunnen zijn. Tenminste, als je je aan de eerste regel van de ‘10 rules for suspense fiction’ zou houden. Schrijver Brian Garfield, bekend van onder andere de succesvolle thriller Death Wish, stelde in 1973 voor het tijdschrift Writer’s Digest een lijst van tien geboden op waaraan volgens hem elke thriller zou moeten voldoen. Nu zijn er wel vaker van dat soort lijstjes gemaakt, maar dat van Garfield zou de basis worden voor het succes van thriller-godfather John Grisham. Grisham zou onder andere The Firm en The Pelican Brief op de regels van Garfield hebben gebaseerd. ‘In Writer’s Digest vond hij een artikel over de regels van suspense’, schreef Newsweek in 1994 over het vroege succes van Grisham, ‘hij zocht iets heel snels, heel onderhoudend, episodisch en zeer visueel, met veel dialoog en weinig symboliek: een thriller.’

Staan deze tien geboden 45 jaar na dato nog overeind? Vijf vooraanstaande Nederlandse thrillerschrijvers geven commentaar: Tomas Ross, Simone van der Vlugt, Saskia Noort, Gauke Andriesse en Charles den Tex.

1: Begin met actie, leg het later uit

Dit ligt in het verlengde van Raymond Chandlers beroemde uitspraak: als het tempo een beetje inzakt, introduceer een man met een pistool. Om de lezer aan te moedigen om naar de tweede bladzijde om te slaan, geef je hem iets op pagina 1: conflict, problemen, angst, geweld.

Saskia Noort (1967), bekend van onder andere De Eetclub. Verkocht internationaal 2,7 miljoen boeken. Haar nieuwste boek, Stromboli, verscheen onlangs bij Lebowski: ‘Dit doe ik zeker! En ik leg ook niet te veel uit.’

Tomas Ross (Willem Hoogendoorn, 1944), bekend van onder andere De Zesde Mei en Koerier voor Sarajevo. Kreeg driemaal de Gouden Strop toegekend, de prijs voor het beste spannende boek: ‘Natuurlijk, je wilt de lezer meteen het verhaal binnensleuren maar het komt vaak neer op geforceerd effectbejag. Pang, pang of een onthoofd lijk in de Bloemgracht. Beter is het broeierig te beginnen, suggestief, intrigerend – lees wijlen Philip Kerrs De Vrouw van Zagreb, hoofdstukken lang gebeurt er nauwelijks iets, maar de doem en de dreiging zijn dodelijker dan de man die met het pistool binnenkomt.’

Tomas Ross. Beeld ANP

Spannende Boeken Weken

Op 6 juni wordt de BookSpot Gouden Strop 2018 (voorheen De Gouden Strop) uitgereikt, een initiatief van het in 1986 door Tomas Ross opgerichte Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs. Uit 73 inzendingen zijn vijf thrillers voor de prijs genomineerd: Akte van berouw van Chris Houtman (Karakter), Bling Bling 2 – De Zaventemmers van Jan Van der Cruysse (Manteau), Broertje van Michael Berg (The House of Books), Enter – Rebound 1 van Willem Asman (Ambo Anthos) en Over het spoor van Eva Keuris (Prometheus).

6 juni beginnen ook de Spannende Boeken Weken, die tot en met 24 juni duren. Boris O. Dittrich schreef het geschenkboek Barst.

Gauke Andriesse (1959), kreeg twee keer de Gouden Strop, waarvan een keer vorig jaar onder het pseudoniem Felix Weber: ‘Helemaal mee eens. Overigens streef ik er in mijn boeken naar om een afwisseling te hebben van actie en dan weer rust; hoog tempo, lager tempo. Tijdens die rust kan er iets heel anders gebeuren zolang dat maar een doel dient: verdieping van het karakter van de hoofdpersoon bijvoorbeeld. Met cliffhangers pas ik wel enigszins op, want je loopt al snel het risico dat je het er te dik bovenop legt.’

Simone van der Vlugt (1966), verkocht meer dan twee miljoen thrillers. Haar debuutthriller De reünie werd genomineerd voor de NS Publieksprijs: ‘Wat je als schrijver wilt, is je lezer ertoe verleiden je verhaal te lezen, en dat verleidingsspel begint bij de eerste zin. Natuurlijk heb je geduldige lezers die bereid zijn zich te verdiepen in ellenlange beschrijvingen over iemands manier van ontwaken en de weersomstandigheden daarbij – de regen tikt tegen de ruiten of de zon gluurt door de gordijnen –, maar de ongeduldige lezer is daar na één pagina wel klaar mee.

2. Maak het je protagonist niet makkelijk

Geef hem een waardige antagonist en laat de zaken er hopeloos voor hem uitzien. Werp geen makkelijke oplossingen in zijn schoot. Hoe moeilijker de tegenstander is, hoe slechter het er voor de protagonist uitziet; des te beter.

Saskia Noort: ‘Klopt, doe ik ook.’

Tomas Ross: ‘Protagonisten en antagonisten: het is klassiek goed versus slecht. En het werkt vast nog wel. Het kenmerkt veel Hollandse thrillers, met name policiers in navolging van Appie Baantjer. Maar sinds de Ripley-serie van Patricia Highsmith dat onderscheid al in de jaren vijftig deed vervagen, weten we dat het, ondanks James Bond en zijn navolgers, geloofwaardiger en spannender is om je held ‘vlekjes’ te geven: een bedenkelijk verleden, een onverwerkt trauma. En de tegenstander op zijn beurt een motief waarvan je thuis denkt: ‘Verdomd, wel sympathiek.’’

Gauke Andriesse: ‘Ook mee eens. En vaak moet hij eerst onderuit gaan, in de touwen hangen, vernederd worden, om dan alsnog op te staan en terug te slaan.’

Simone van der Vlugt: ‘Mits het geloofwaardig blijft, mag je alle mogelijke ellende over je hoofdpersoon uitstorten. Bedenk wel dat je ook voor de oplossing moet zorgen, en dat die ook geloofwaardig moet zijn. Niets zo teleurstellend als razend spannende complicaties die op een te makkelijke manier opgelost worden.’

3. Zaai het vroeg, oogst het later

Kom niet met nieuwe personages of feiten aan het eind om het probleem van de protagonist op te lossen. Hij moet zijn eigen oplossing vinden op basis van het conflict dat vroeg in het verhaal uiteengezet is. ‘No cavalry to the rescue.’

Noort: ‘Lijkt me logisch, de protagonist moet het zelf oplossen, geen deus ex machina.’

Andriesse: ‘Niets slechter dan een gezochte oplossing die onverwachts losse eindjes aan elkaar moet knopen. Alles wat aan het einde verschijnt, moet al in het boek besloten liggen.’

Charles den Tex Beeld ANP

Van der Vlugt: ‘Als lezer denk je graag mee. Je kent de familie en vrienden van de hoofdpersoon, weet iets van zijn verleden en voelt je betrokken bij zijn problemen. Wanneer je informatie onthouden wordt, is het alsof een goede vriend je niet alles heeft verteld. Het siert de schrijver ook niet om op het laatste moment met nieuwe feiten of personages aan te komen. Zoiets voelt als een legpuzzel kopen waarvan de fabrikant willens en wetens de belangrijkste stukjes heeft achtergehouden.’

4. Geef de protagonist het initiatief

Alle goede drama draait om conflict: intern (alcoholisme) of extern (een gevaarlijke vijand, een buitenaardse geheime politiemacht). De beste verhalen zijn die waarin de protagonist actieve stappen zet om iets te bereiken, of waarin hij de tegenstander ervan weerhoudt hem en zijn geliefden te overwinnen. De protagonist mag beginnen met een reactie op iets, maar aan het eind moet hij uit eigen initiatief handelen.

Andriesse: ‘Ook mee eens. Mijn hoofdpersonen worstelen met interne en externe conflicten.’

Schrijfster Simone van der Vlugt op de rode loper voorafgaand aan de premiere van De Reunie in het Pathe Tuschinski Theater. De film is gebaseerd op haar gelijknamige bestseller. Beeld ANP

Van der Vlugt: ‘Het is altijd leuk om te lezen over mensen die het initiatief nemen, niet op hun mondje zijn gevallen en op het gevaar afstappen. Dat houdt de vaart er lekker in. Toch kan het ook spannend zijn om een passieve hoofdpersoon te kiezen: iemand die van alles overkomt. Een antiheld kan veel sympathie opwekken, want de lezer is misschien zelf ook niet zo ondernemend. Hij maakt zich dan zorgen over de arme hoofdpersoon: kan hij de situatie wel aan? Als je voor een antiheld kiest, is er één maar: de hoofdpersoon moet een ontwikkeling doormaken waarna hij uiteindelijk wél het initiatief neemt, want anders bloedt het verhaal dood.’

Ross: ‘Maak van je protagonist een corrupte politieman of -vrouw die je desondanks als lezer aardig vindt en met wie je je kunt identificeren, net als met de frauduleuze politicus die hij of zij bestrijdt. Lees Philip Kerr met zijn held Bernie Günther. Je vat zowaar sympathie op voor Joseph Goebbels, en dat is niet alleen tegen de regels maar ook razend knap gedaan.’

5. Geef de protagonist een persoonlijk belang

Het is niet langer voldoende voor de held om een mysterie te ontrafelen alleen omdat het een interessante puzzel is. Hoe intiemer zijn betrokkenheid bij het belangrijkste conflict van het verhaal, hoe beter. Zijn eigen leven of dat van zijn geliefden moet in gevaar zijn, of zijn beste vriend is vermoord, of hij is het soort personage wiens waarden en principes niet toelaten dat de mensen om hem heen onrecht aangedaan wordt. Wat het conflict ook is: als hij verliest, moet hij daar verschrikkelijk voor boeten. Dat is de essentie.

Andriesse: ‘Ook mee eens (het wordt saai). In mijn boeken draait het bij de hoofdpersoon vrijwel altijd om rechtvaardigheid. Iemand is onrecht aangedaan en de hoofdpersoon wil dat recht zetten.’

Van der Vlugt: ‘Het lijkt een open deur dat de hoofdpersoon emotioneel bij het conflict betrokken moet zijn, en over het algemeen gaat dat tijdens het schrijven ook vanzelf. Het is lastig inleven in een personage dat zich niet geroepen voelt om een aanslag te voorkomen, een ontvoerd kind op te sporen of de wereld te redden. Ook als de held alleen maar een puzzel hoeft op te lossen, zal hij zijn redenen hebben om dat te doen: iemand zal sterven, of de wereld komt in gevaar. Als een onbekende het slachtoffer dreigt te worden, roept dat minder spanning op dan wanneer het een bekende van de hoofdpersoon is. Je hebt zijn emoties nodig voor de spanning.’

Beeld Aisha Zeijpveld

6. Geef de protagonist weinig tijd – en verkort die dan

Dit werkt niet altijd omdat de logica van veel verhalen dat verhindert: gebruik het niet tenzij je het geloofwaardig in je verhaal kunt verwerken. Maar als tijd een factor is en als de tijd waarin de held het probleem moet oplossen ook nog eens verkort wordt, doe je de spanning van het verhaal veel goed.

Andriesse: ‘Daar doe ik weinig mee. Ik heb voor zover ik weet nog nooit met iets van een deadline gewerkt. De hoofdpersoon gaat gewoon stug door.’

7. Kies je personage op basis van je eigen capaciteiten, net als die van hem

Als je protagonist een vermaard spion is, moet je bereid zijn er research en grondwerk voor te doen om zo’n personage geloofwaardig neer te zetten. Beter blijf je bij wat je bekend is.

Noort: ‘Dit doe ik ook. Mijn heldinnen zijn vaak hetzelfde als ik, dat scheelt research.’

Andriesse: ‘Mijn hoofdpersonen zijn mannen die moeite hebben met het leven. Gevoelens van eenzaamheid, zin van het bestaan, melancholie, moeilijk contact makend, einzelgängers. Dat zijn zaken waarmee ik ook worstel. Ik geloof sterk dat je dat soort zaken alleen maar overtuigend kunt opschrijven als je ze zelf kent.’

Van der Vlugt: ‘Als schrijvers alleen maar schreven over eigen ervaringen en kennis zouden er niet veel boeken verschijnen. Het is onzin om te denken dat je evenveel moet kunnen en weten als je hoofdpersoon om hem geloofwaardig neer te zetten. Je moet natuurlijk de nodige research doen, en soms is die even diepgravend als het schrijven op zichzelf. Maar aangezien een roman fictie is, hoeft niet per se alles te kloppen.’

8. Weet wat je bestemming is voordat je vertrekt

De zwakte van veel thrillers is een onlogische en teleurstellende anticlimax op het eind. Het is niet genoeg om alleen intrigerende conflicten op te zetten en alle andere regels te volgen als je geen einde hebt dat de belofte van de eerdere hoofdstukken inlost. Je hoeft niet alle eindjes aan elkaar te binden, maar de climax moet wel op een of andere manier het initiële conflict oplossen.

Noort: ‘Je hoeft niet de hele puzzel op te lossen, maar wel de who/whydunnit en zeker ook het interne conflict van de protagonist. Zij moet een ontwikkeling doormaken.’

Ross: ‘Prima. Veel thrillers en misdaadromans eindigen teleurstellend, ofwel omdat zich plotseling nieuwe feiten en/of personages aandienen, zie regel 3, of omdat simpelweg de auteur er niet goed over heeft nagedacht en het maar gooit op een ‘shoot out’, een nooit eerder genoemde identieke tweelingbroer opvoert of een tot leven gewekte dode. Zelfs het beroemde schrijversechtpaar Sjöwall & Wahlöö bezondigde zich eraan door hun fraai geschetste protagonist Martin Beck vast te laten zitten tot de kindermoordenaar last van zijn geweten krijgt en zichzelf aangeeft. En ik vind wel dat je alle losse eindjes aan elkaar moet knopen, of ze anders niet moet opvoeren. De lezer wil bedrogen worden. Misleiding, daar gaat het om.’

Andriesse: ‘Deels mee eens. Ik ben niet iemand die eerst helemaal tot in details schema’s maakt, en een opbouw per hoofdstuk, maar ik werk wel met een globaal schema én ik weet hoe het einde er grofweg uitziet. Schrijven zou voor mij saai worden als alles al vooraf is uitgewerkt, ik wil nog wel verrast kunnen worden, zoals Haruki Murakami ook zegt. Verder hanteer ik een voor mij belangrijk principe: een boek moet zo goed eindigen dat de lezer er nog over na wil denken als het uit is. Echt not done is alles aan het eind nog eens gaan uitleggen. Liever een open einde. En ik ben ook niet zo van een happy end. Iedereen kan maar beter doodgaan.’

Gauke Andriesse heeft met zijn boek De Handen van Kalman Teller De Gouden Strop 2011 gewonnen. Beeld ANP

Van der Vlugt: ‘Ik begin pas met schrijven als ik het einde van mijn verhaal ken. Het middenstuk mag enigszins vaag zijn, dat vul ik tegen die tijd wel in, als ik maar weet waar het naartoe gaat. Hoe kun je een thriller schrijven als je zelf het plot niet kent? Hoe kun je dan rookgordijnen voor de lezer leggen, vermoedens wekken, verwarring stichten?’

9. Leer van de meesters

Kijk niet alleen naar wat de pro’s doen, maar ook naar wat ze juist niet doen. De beste schrijvers springen niet op de zegekar, ze bouwen een nieuwe. De pro schrijft geen boek over ’s werelds grootste overval tenzij hij er van overtuigd is dat hij een ander verhaal met een unieke en belangrijke wending kan schrijven.

Van der Vlugt: ‘Leren van de meesters klinkt goed, maar is niet zo gemakkelijk als het lijkt. Veel keuzes die een auteur heeft gemaakt, blijven immers verborgen voor de lezer. ‘Your easy reading is my hard writing’, zei Ernest Hemingway ooit, en dat klopt. Een eenvoudig ogend verhaal kan het resultaat zijn van veel ingewikkelde en weggooide versies.’

Andriesse: ‘Ik lees te weinig thrillers om te kunnen beoordelen of er sprake is van vernieuwing in het genre. Er komt vooral ontzettend veel rommel op de markt. En een van de laatste boeken van John le Carré, toch ooit een belangrijke vernieuwer, heb ik niet eens uitgelezen.’

10. Schrijf niets dat je zelf niet zou willen lezen

Sommige schrijvers denken dat ze moeten beginnen met een bepaald genre, ook al houden ze er niet van, omdat bepaalde genres eenvoudig na te doen zijn. Onzin. Als je van westerns houdt, schrijf dan een western. Maar ga niet aan een genre beginnen waar je eigenlijk je neus voor ophaalt.

Noort: ‘Dat lijkt me evident. Schrijvers die besluiten een thriller te schrijven omdat het zo lekker verkoopt, maar die eigenlijk op het genre neerkijken, falen meestal.’

Andriesse: ‘Ik schrijf omdat ik vind dat ik een verhaal heb te vertellen. Dat is de belangrijkste motivatie. Schrijven is deels een creatief proces, maar vooral toch veel uren maken, nadenken, schaven. Héél veel uren en dat zonder dat je er noemenswaardig mee verdient: dat kan alleen als je een sterke innerlijke drive hebt.’

Van der Vlugt: ‘Wie geïnteresseerd is in geschiedenis zal het geen enkele moeite vinden om zich dagenlang te verdiepen in het dagelijks leven in de zeventiende eeuw, en wie van thrillers houdt zal alles willen weten over recherchewerk, wapens of over psychologie. Interesseert dat alles je niet en begin je toch aan zo’n onderwerp, dan eindig je met een vlak, voorspelbaar verhaaltje. Het zijn de details die het ’m doen.’

Saskia Noort. Beeld Sanne De Wilde

*Bonusregel: fuck de regels

‘Ik betwijfel of je je iets van dit soort regels aan moet trekken’, zegt Tomas Ross. ‘Regel 9 zegt het al: ‘De beste schrijvers springen niet op de zegekar, ze bouwen een nieuwe.’ Oftewel, vermijd bestaande regels zo veel mogelijk wil je origineel zijn. Zoals de eerder aangehaalde Raymond Chandler eens zei: ‘Als iemand zegt dat ik geen drie zinnen achter elkaar met het woordje ‘ik’ mag beginnen, schrijf ik er tien.’ De meeste van de andere negen zijn tamelijk obligaat en gaan op voor elk ander literair genre. Conflict, persoonlijk belang, initiatief nemen, geloofwaardige personages, verlies en boete, oplossingen zoeken, ze liggen voor de hand en zónder krijg je pulp, wát je ook schrijft.’

Charles den Tex, auteur van de succesvolle thrillers Cell en De macht van meneer Miller en drievoudig winnaar van De Gouden Strop, sluit zich bij Ross aan: ‘Regels zijn er om te breken. Tijdens het schrijven denk ik niet aan regels, welke regels dan ook. Mijn verhalen ontstaan meestal vanuit een plot en van daaruit in losse scènes. Op die manier tast ik het verhaal af, alsof ik me in een donkere ruimte bevind en met een zaklamp steeds nieuwe delen van de kamer en later het hele huis ontdek. In die fase gelden geen regels, behalve misschien de laatste van de Writer’s Digest – schrijf wat je zelf zou willen lezen – maar die geldt volgens mij altijd. Sommige regels kunnen je helpen, andere niet. Wie meer talent heeft, wie goed genoeg is, kan de regels breken en dat is waar we allemaal naar streven. Er zijn mensen die het weer zo mooi en zo aangrijpend kunnen beschrijven dat je er niet genoeg van kunt krijgen, maar dat zijn er niet veel. Uiteindelijk blijft er maar één regel over, de uitspraak van Gustave Flaubert: Faire et se taire. Kop dicht en werken. Die geldt altijd.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden