ReportageAtelier van de cellobouwer

Zo bouw je een cello, het beste troostinstrument dat er is

Saskia Schouten, viool- en cellobouwer, lakt in haar atelier Den Bosch het voorblad van een cello.Beeld Jan Mulders

Geen beter instrument om troost bij te zoeken dan bij de cello. Op de Cello Biënnale doet u dat deze keer helemaal online. De Volkskrant leert in vier stappen wat het instrument zo bijzonder maakt.

1. Het hout

De klank van de cello begint bij twee bomen, de fijnspar en de esdoorn. Al vierhonderd jaar geldt het grotere Alpengebied als goede herkomstgrond voor cellohout. De perfecte bomen staan een beetje op hoogte, door de koude groeien ze niet te snel, zo blijft de stam mooi stevig. Nederlandse bomen groeien veel te snel.

‘In Bosnië heb je goede hellingen’, zegt Saskia Schouten (59) in haar atelier voor viool- en cellobouw in Den Bosch. Ze heeft zestig nieuwgebouwde cello’s op haar naam staan. ‘De oorlog in voormalig Joegoslavië heeft de aanvoer even wat moeilijker gemaakt, door achtergebleven mijnen en omdat er in sommige bomen kogelgaten zaten. Maar mijn hout komt er nog steeds vandaan. In de bodem zitten, denk ik, ook goede mineralen.’

De fijnspar levert hout dat bekendstaat als vuren, sterk en licht hout. Het bovenblad van de cello is ervan gemaakt. ‘Het vurenhout’, zegt Schouten, ‘transporteert de trillingen van de snaar goed.’

Inderdaad, als je op zoek gaat naar het geheim van het bloedmooie timbre van de cello – het strijkinstrument dat jubelend kan zingen in de hoogte, filosofisch mijmeren in het middenregister en sonoor troosten in de diepte – dan zit je binnen de kortste keren in een natuurkundeles over de werking van geluidstrillingen en kettingreacties.

De snaar, in beweging gebracht door een strijkstok, gaat trillen en brengt zo een toon voort. De dunne houten kam, waar de snaren overheen zijn gespannen, geleidt de trilling door naar het bovenblad. Het trillende bovenblad zet de lucht in de klankkast in beweging en dat werkt als een versterker van de toon waar het mee is begonnen. De akoestische eigenschappen van de klankkast bepalen daarom voor een groot deel de klankkleur van de cello – zij versterken een scherpe of juist ronde klank in de hoogte; een droog of ronkende klank in de laagte.

Vurenhout is eeuwen geleden ontdekt als de beste houtsoort voor het bovenblad. Voor de rest van de klankkast is het hardere esdoorn het best: meer bestemd om de trillingen te weerkaatsen dan ze te geleiden. De f-vormige klankgaten geven het geluid de ruimte; laat je de klankkast dicht, dan is het geluid van de cello dof.

Enkele houthandelen zijn gespecialiseerd in het uitkiezen van de juiste bomen voor strijkinstrumenten. In Frankrijk zijn er die de bomen ‘bij bepaalde maanstanden omzagen’, maar daar heeft Saskia Schouten niets mee. Zij gaat één keer paar jaar naar haar vaste adres in Mittenwald, de Duitse vioolstad aan de voet van de Alpen. Houthandel Fuchs heeft daar hout van allerlei herkomst opgestapeld liggen. ‘Het is het leukste wat er is: ik word daar altijd heel hebberig van. Inmiddels heb ik een hele voorraad.’

De boom voor een cello ligt eerst een seizoen lang omgezaagd in het bos om de sappen eruit te laten lopen. Het hart van de stam is niet sterk genoeg voor klankkasthout, dus zagen de handelaren selectief.

Contouren van een cello geschetst op twee planken, die aan elkaar gelijmd de basis vormen van een achterblad.Beeld Jan Mulders

Heel soms is een boom dik genoeg om aan de buitenkant van de stam een plank af te kunnen zagen die de breedte heeft van een boven- of achterblad. Meestal is dat niet zo, dan wordt het blad samengesteld uit twee smallere planken, die ooit naast elkaar in de stam zaten. Zo’n set verder onbewerkt esdoornhout kost zo’n 1.000 euro, en moet in totaal een jaar of tien blijven liggen om te drogen. In de houtopslag in Mittenwald beoordeelt Schouten de planken aan de nerventekening, maar vooral weegt, klopt en wrijft ze – het moet voelen alsof er muziek in zit.

Hout is een grondstof met een eigen wil. Dat zie je niet altijd aan de plank af. Tijdens haar opleiding in Italië werkten ze eens met Canadees vurenhout, maar dat maakte het gereedschap om een of andere reden bot. Zelf zat ze één keer goed mis. ‘Toen ik aan het gutsen was, ontdekte ik dat onder de oppervlakte een wond zat. Ik heb dat rotte stuk eruit gehaald en er nieuw hout ingezet – je kunt alles restaureren. Daardoor was het blad niet meer egaal. Hoewel de klank van de cello goed was, is het achteraf toch mijn minste instrument.’

2. Het model

Sinds de 17de eeuw zien cello’s er hetzelfde uit. Het hout is gelakt in een roodbruine tint. De klankkast heeft de vorm van een 8, en is in omvang net iets groter dan een volwassen bovenlichaam. De hals is langgerekt, met daarop een zwarte ebbenhouten toets. De vier snaren zijn op spanning gebracht met zwarte stemknoppen op de  gekrulde kop.

De magie van het muziekinstrument is dat ze allemaal anders klinken, ook al zien ze er– in ieder geval voor een doorsneeluisteraar – allemaal hetzelfde uit.

Na het atheneum was Saskia Schouten begin jaren tachtig toegelaten tot de vioolopleiding van het conservatorium van Tilburg, maar ze verkoos op het laatste moment het ambachtsatelier boven de concertzaal. Want wat bepaalt de klank nou eigenlijk? 

Die vraag was in haar hoofd blijven hangen sinds haar vader een jaar of twee eerder voor zichzelf een nieuwe viool had gekocht. ‘We bespeelden ’s avonds na elkaar de instrumenten die we thuis hadden en de klankverschillen fascineerden me meteen.’

Saskia Schouten wijst Cremona aan op een schoolkaart van Italië.Beeld Jan Mulders

Het mysterie leidde haar naar Cremona, sinds de 17de eeuw de heilige stad van de vioolbouw. Daar, op de Povlakte, zetten Nicola Amati, Francesco Ruggieri en natuurlijk Antonio Stradivari de standaard voor de kunst van de strijkinstrumentenbouw. ‘Het was er in de winter koud in de huizen en in mijn herinnering hing buiten altijd mist. Cremona was indertijd een vergeten stadje, waar in de kroegen wat alcoholisten hingen onder tl-verlichting. Nu is het een welvarende provinciestad die helaas heel zwaar is getroffen door de coronacrisis.’

Het hoofdstuk cellobouw begon met het namaken van de Piatti van Stradivarius, de cello uit 1720 die later is vernoemd naar de Italiaanse cellist Carlo Alfredo Piatti, die er in de tweede helft van de 19de eeuw internationaal roem mee vergaarde. De maten: een ruglengte van 75,9 cm, afstand tussen de bovenrondingen van 34,6 cm en tussen de onderrondingen zit 43,8 cm. Het is een klassiek, smal model.

Beproefde modellen uit het verleden namaken, daar leer je het vak mee. Het is een aanpak die sommige bouwers later in hun carrière perfectioneren. Van oude instrumenten zijn MRI-scans gemaakt om elke welving zo precies mogelijk na te kunnen maken. Ook bestaan afgietsels van beroemde boven- en achterbladen om de kromming van het blad zo exact mogelijk te kunnen kopiëren.

Voor Schouten is daar geen lol aan. ‘Musici staan met de muziek die ze uitvoeren in de klassieke traditie, daar zitten de bouwers natuurlijk ook in, maar als bouwer kun je variëren binnen de oude modellen. Ik maak de welving van een bovenblad op het oog en laat me leiden door het hout, niet door een centimeter. Waarom zou ik een welving maken waar ik niet achter sta?’

Na het hout is de keuze voor het model het tweede grote beslismoment bij het maken vaan een cello. Voor acht instrumenten heeft Schouten zich laten inspireren door de cello die Francesco Ruggieri in 1697 bouwde en waarop de flamboyante Italiaanse cellist Giovanni Sollima speelt. Het is een breder model, en daarmee het andere uiterste van de Piatti. ‘De A-snaar, de hoogste snaar, klinkt heel helder en de bas is heel breed. Als je dit model bespeelt zit je in het geluid.’

Mallen voor verschillende cello's tegen de muur van het atelier.Beeld Jan Mulders

Niet per se het geluid van de powercello, dat de laatste jaren populair is. ‘Beroepsmusici willen gehoord worden. Cellisten letten het bij zoeken naar een instrument vooral op de focus in de toon – krachtig en recht vooruit, zodat ze overal met hun geluid doorheen komen. Mij gaat het ook om klankkleur.’

In het namaken van oude instrumenten schuilt al snel ook het verlangen de superieur geachte klank van antiek te benaderen. Het is een discussie die Schouten graag voor eens en altijd zou beslechten. Luisteraars en musici zijn gevoelig voor de romantiek van de eeuwenoude exemplaren – de naam Stradivarius heeft al jaren Hollywood-allure. Ooit was Schouten bij een concert waar ze een cellist zo mooi hoorde spelen, dat ze na afloop bij de kleedkamer aanklopte om te vragen of ze zijn instrument mocht bekijken. ‘In het programmaboekje stond dat hij op een oude cello speelde. Maar hij zei: ‘Ik heb een kopie laten maken, want die speelt veel beter.’ Het is typerend is dat hij daar niet publiekelijk voor uitkomt.’

Twaalf jaar geleden op de tweede Cello Biënnale in Amsterdam speelde Giovanni Sollima vanachter een doek op zijn 17de-eeuwse Ruggieri en op de ‘Schouten à la Ruggieri’. Het was een blinde test voor het publiek. ‘De luisteraars kozen uiteindelijk voor mijn cello, maar ze waren ervan overtuigd dat het de oude was. Zelfs zijn vriendin, ook cellist, was ervan overtuigd dat mijn klank uit het oude instrument kwam.’

De binnenkant van een bovenblad van een cello.Beeld Jan Mulders

3. Het handwerk

Haar atelier is ingericht in een nieuwbouwhuis vlak buiten de oude stadswallen van Den Bosch, bij de rivier de Aa. Oud ambacht in moderne behuizing. Het is een toepasselijke plek voor het bouwen van nieuwe cello’s, vindt Saskia Schouten. Haar werkbank met rijen handgereedschap staat voor het raam. Tegen de muur leunen de mallen voor celloklankkasten. Op een plank staan doosjes met kammen en stapels, waar we straks over komen te spreken. Aan de muur hangt een oude schoolkaart van Italië.

De ronde zijwanden van de klankkast lijken op het oog de moeilijkst te maken onderdelen van de cello, maar dat is niet zo, zegt Schouten. Door het hout vochtig te maken en langs een warm buigijzer te leggen, is dat – met beleid natuurlijk - nog behoorlijk rechttoe rechtaan werk. De wanden blijven daarna aan de mal vastzitten en kunnen zo in hun nieuwe vorm drogen. Ondertussen geschiedt het belangrijkste werk: het schaven en gutsen van het boven- en het achterblad.

Eerst lijmt Schouten de twee zusterplanken uit de houtzagerij met beenderlijm tegen elkaar aan, zodat er een brede plank op haar werkbank ligt. Uit dat ruwe hout bevrijdt ze met gutsen, schaven en schraapstaal stap voor stap een gewelfd blad. De kromming in het hout maakt dat het blad steviger bestand is tegen de druk die later erop komt door de snaren. 

De variatie in kromming is eindeloos. Van een heel geleidelijk aflopende welving, of juist een blad dat in het midden lang vlak blijft met een scherper hellinkje aan de randen.

‘Terwijl je het hout bewerkt, leer je het kennen. Ik klop erop en luister ernaar. Je voelt de buigzaamheid. Als het hout ergens wat harder aanvoelt, beïnvloedt dat de welving. Soms heb ik een instrument in elkaar gezet, hoor ik hoe het klinkt en haal het daarna uit elkaar om nog iets te doen. 

‘Het is zoeken naar de juiste balans tussen stijfheid en voldoende beweging om te trillen. Je weet nooit zeker wanneer je die hebt bereikt. Er kan altijd nog een laagje afgeschuurd. Het moeilijkste moment is wanneer je beslist: ik laat het zo.’

Als de romp af is, zijn er nog drie onderdelen waar de cellobouwer de klank mee kan kruiden. De hoek waarmee de hals waarover de snaren lopen op de romp wordt gezet. Hoe scherper die hoek, hoe groter de druk van de snaren op de klankkast. En dan is er de kam, waarvan de grootte, dikte en plaatsing bepaalt hoe de trilling van de snaar naar het bovenblad worden geleid.

Tekst gaat hieronder verder

32 ambachtslieden

De bouw van violen, cello’s en strijkstokken is in Nederland in de 20ste eeuw tot bloei gekomen. Het begon in het fin de siècle met één bouwer in Amsterdam, Karel van der Meer, die zijn plek als violist in het pas opgerichte Concertgebouworkest opgaf om een atelier te beginnen. Tegenwoordig telt de Nederlandse Groep van Viool- en Strijkstokkenmakers 32 leden, en Saskia Schouten is er de voorzitter van. Van de bouwers is bijna een kwart vrouw. 

Saskia Schouten plaatst een stapel tussen het boven- en achterblad van een cello.Beeld Jan Mulders

Tenslotte is er nog de plek van de stapel, het geheimzinnige onderdeel binnen in de klankkast, waar behalve de musici bijna niemand weet van heeft. Het is een houten stokje dat ingeklemd is tussen het boven- en achterblad. Het zorgt ervoor dat de cello niet implodeert en brengt op zijn beurt weer trillingen over naar het achterblad.

Door te variëren met deze drie elementen kan de cellobouwer de klank nog veranderen. Soms, zegt Schouten, blijkt een instrument bijvoorbeeld beter te klinken als je hem lager stemt dan de bedoeling is. De snaren staan dan slapper, de druk op de klankkast vermindert en bij die trillingen spreekt de klankkast beter aan. ‘Als je dat ontdekt, kun je proberen de druk op de kast te verlagen door bijvoorbeeld de halshoek te verkleinen.’

De houtbewerking alleen beslaat voor het maken van een nieuwe cello drie maanden. Daarna volgt nog een paar weken van lakken – wel vijftien tot twintig laagjes. Maar dat is niet meer zo arbeidsintensief. Het is wel een fase waar de geleerden het niet over eens zijn: de lak werkt in op het hout, maar welke lak welk effect heeft, is moeilijk vast te stellen. De eerst laag, grondering genoemd trekt in het hout en is er nooit meer helemaal af te halen, zodat je nooit kunt zien wat een andere laksoort doet – zoals je wel andere snaren op een instrument kan zetten.

‘In Cremona was iedereen bezig met zijn eigen mengseltjes, en deed daar geheimzinnig over. Je bestelt een paar soorten hars en die ga je dan met elkaar mengen. De wildste verhalen doen de ronde: dat je het hout bijvoorbeeld eerst met urine van konijnen moet insmeren. Ik heb jarenlang zelf lak gemaakt, maar nu koop ik het van een vioolbouwer die zich erin heeft gespecialiseerd. De lak aanbrengen is al ingewikkeld genoeg. Ik wil graag dat je de tekening van het hout blijft zien, maar veel cellisten houden juist van een donkere kleur.’

De kam, bespannen met snaren.Beeld Jan Mulders

4. De magie

De cello is pas echt af als die in handen komt van een musicus, en dat is elke keer spannend, zegt Saskia Schouten.

Cellisten die op zoek zijn naar een nieuw instrument – beroeps- en amateurmusici – kunnen in haar atelier een instrument komen uitproberen. Vaak is het dan zo dat Schouten met musici die zich aangetrokken voelen tot de klank van haar instrumenten ook persoonlijk ‘een klik’ voelt.

Met de Australische cellist en componist Kate Moore, die al jaren in Nederland woont, ging dat zo. Ze kreeg de vijftigste cello van Schouten in handen, bijgenaamd Vrede. Het instrument is gemaakt toen terroristen in 2015 een bloedbad aanrichtten onder concertbezoekers van concertzaal Bataclan in Parijs. Om de tientallen doden te gedenken legde Schouten aan de bovenkant van het achterblad het vredesteken in met flinterdunne strookjes ebben- en perenhout. 

De klank van het instrument en de betekenis spraken Moore aan – uit de natuur- en klimaatthema’s van haar compositiewerk spreekt ook steeds een grote verbondenheid met de wereld.

In het raadselachtige verbond tussen bouwer en bespeler schuilt de ware magie van het bouwen van een cello. ‘Hout is zo’n levend materiaal, ik doorgrond het nog steeds niet helemaal. Je kunt bij alle keuzen niet wetenschappelijk afvinken hoe de klank precies uitpakt. Of het instrument is geslaagd, weet je pas in de combinatie met de musicus die erop speelt.’

Cello Biënnale

De Cello Biënnale, het tweejaarlijkse cellofestival in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ, heeft zijn programma deze week rigoureus omgegooid vanwege de gedeeltelijke lockdown. Alle buitenlandse cellisten zijn afgezegd, het publiek moet thuisblijven, maar een keur aan Nederlandse cellisten betreedt wel het podium voor een onlinefestival.

Vanaf vrijdag 23 oktober zijn er acht dagen lang om 14 uur en 20.15 uur live uitzendingen in samenwerking met de NTR via NPO Radio 4 en het digitale kanaal NPO 2 Plus. Het festivalthema ‘Cello takes over’ - oftewel: ander repertoire bewerkt voor de cello - blijft overeind. Zo speelt Pieter Wispelweij speelt werken van Chopin, vertolken de twaalf cellisten van het Concertgebouworkest Wagner, Mahler en Rossini en waagt het Cello Octet Amsterdam zich aan een bewerking van de Beatles-lp Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band

Het volledige programma en uitzendschema wordt maandag bekend op cellobiennale.nl.  

Saskia Schouten probeert haar cello's zelf uit.Beeld Jan Mulders

Hier kun je cello’s van Saskia Schouten horen

Cellist-componist Kate Moore – leerling van onder anderen Louis Andriessen – speelde in 2017 een solo op de ‘Vrede’-cello van Schouten. Het was een onderdeel van haar beeldende kunst installatie Cassini.

Cellist Marien van Staalen, die tot zijn pensioen de cellogroep van het Rotterdams Philharmonisch Orkest aanvoerde, speelt al vijftien jaar op een cello van Schouten. Hij soleerde er in 2013 op, toen hij in De Doelen de première speelde van het Cello Concerto van de Nederlandse componist Robin de Raaf (video hier). Het was speciaal voor zijn afscheid van het orkest geschreven – moderne muziek op een moderne cello. 

Cellist Mayke Rademakers bespeelt een cello van Schouten op de cd-box waarop ze in 2015 de zes cellosuites van Johann Sebastian Bach afwisselt met twintigste eeuwse cellostukken. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden