Zingen over de Bende van Wouw

Ate Doornbosch (82) trok 37 jaar lang voor het radioprogramma Onder de Groene Linde door Nederland, op zoek naar vrijwel vergeten liederen....

‘Daar gaat nu mijn Cloris, God zal hem bewaren’, zong Tannetje Polderman-Nagelkerke hem na toen hij voor het laatst bij haar aan huis in Rilland-Bath was geweest met zijn spoelenrecorder en zijn notitieboek.

37 Jaar doorkruiste Ate Doornbosch het land om, zoals dat plechtig wordt genoemd, ‘het einde van een eeuwenlange traditie van mondelinge overlevering’ vast te leggen. Hij zocht de mensen op in Arnemuiden, Volendam, Hilvarenbeek, Emmer-Compascuum of Westkapelle. Aan de tafel met het Perzische tapijt kreeg hij koffie met een koekje, en dan stelde hij zijn vragen: ‘De ruiter en het meisje, kent u misschien dat lied?’ ‘Weet u misschien of het meisje doodgaat, of dat zij toch verder leeft?’ Dan streek Trijntje, Hendrikje, Bontje, Fennechien, Tannetje, Everdina, Tjitte of Eppo zich bedachtzaam over de kin, en begon met tastende stem te zingen.

Doornbosch is misschien wel de grootste verzamelaar van het Nederlandse lied. Elke week presenteerde hij een radioprogramma van een kwartier: Onder de Groene Linde. Toen Doornbosch ermee begon, in 1957, verwachtte hij zo’n tien uitzendingen te kunnen maken; daarmee zou de bron wel leeg zijn. Het liep anders: bij de laatste uitzending in 1994 was Onder de Groene Linde het langstlopende programma uit de radiogeschiedenis.

Het programma was interactief voordat het woord bestond; luisteraars die liedjes of fragmenten hoorden, herinnerden zich zelf een variant of hadden een oudoom die allemachtig veel liedjes kende. Dat meldden ze dan in een brief aan Doornbosch die vervolgens uitrukte, met zijn recorder. Toen het programma nog bij de VARA zat, kwamen de reacties vooral uit het noorden. Na de verhuizing naar de NRU, in 1968, werd ook het katholieke zuiden aangeboord.

De opnamen gingen uiteindelijk naar het Meertens Instituut, waar Doornbosch vanaf 1966 hoofd van het volkslied-archief was. J.J. Voskuil vereeuwigde hem in zijn romanreeks Het Bureau als Jaring Elshout, de man die steeds weer andere omaatjes aan het zingen kreeg.

Het instituut vatte – samen met platenmaatschappij Music & Words, die daarmee zijn 25-jarig bestaan viert – het plan op een royale bloemlezing uit de veldopnamen te publiceren. Onder de Groene Linde is nu de naam van een box met negen cd’s, een boekwerk en een dvd met tv-documentaires over het programma. Het is voor het eerst dat het Nederlandse gezongen erfgoed op deze manier toegankelijk wordt gemaakt.

In een eerdere uitgave over zijn werk (Blues en Balladen van Louis Peter Grijp en Herman Roodenburg) wordt Doornbosch de Nederlandse Alan Lomax genoemd. Lomax, de grote Amerikaanse ontdekkingsreiziger in de wereld van de muziek, die veel blues, jazz, gospel en mountain songs vastlegde, maar ook in Europa uitgebreid veldwerk deed, was daarnaast muziektheoreticus. Hij had de aanvechting alle muziek te willen onderbrengen in een wereldomvattend systeem. Een eerste aanzet daartoe was de Global Jukebox, opgesteld in een oud universiteitsgebouw op Manhattan. Hoe rijk die collectie ook is, hij bevat van Nederland niet meer dan een flintertje. Door de ruis heen hoor je iets als ‘Ik en de gek en een goed stuk spek.’

Lomax vond zijn bronnen in gevangenissen, op plantages en in whiskybars waar zelden een blanke een voet zette. Het einde van het lied, een tv-documentaire uit 1964, laat zien hoe Doornbosch te werk gaat: hij kuiert langs de landerijen – als een onderwijzer op weg naar de dorpsschool.

‘Het is een ontdekkingsreis door een wereld die weldra voorbij zal zijn’, zegt de voice-over. Inderdaad is dat de verdienste van pioniers als Doornbosch, en al die anderen die in de voetsporen van Lomax traden. Ze zagen hoe door toedoen van radio en later televisie een traditie bezig was te verdampen. En ze hadden de tegenwoordigheid van geest om uit te rukken. Het aardige is dat Doornbosch daarbij precies het apparaat inzet dat zo’n vernietigende invloed op de mondelinge overlevering had. Zonder zijn radioprogramma zou hij nooit zijn informanten hebben bereikt.

Wie hoopt nog onbekende varianten van de nederblues, Zeeuwse spirituals of ragtime uit de Achterhoek te zullen horen, wacht een teleurstelling. Vrijwel alle 163 opnamen in deze box zijn balladen, vaak met bevende stem en zonder begeleiding gezongen door veteranen die soms moeten zoeken naar woorden of melodie. Daarmee is wellicht meteen de ondervertegenwoordiging van Nederland in Lomax’ Global Jukebox verklaard. Ritme, dansbaarheid of dynamiek spelen geen rol. Niet een van de zangers van Doornbosch heeft het tot nationale roem gebracht zoals Woody Guthrie, Leadbelly of Muddy Waters, van wie Lomax opnamen maakte.

De wereld die weldra voorbij zal zijn was er een van zingen tijdens het spinnen, het garnalen pellen en het turfsteken, tijdens de lange marsen van de dagloners die vanuit het Friese Zwaagwesteinde naar Groningen trokken, om werk te zoeken. Gezongen werd er ook op de bok van de Keulse kar, die de postkoetsdienst tussen Breda en Keulen onderhield, en op het Peeltraject moest uitkijken voor hongerende bezembinders.

Na het verdwijnen van die handarbeid hebben die liederen het nog een of twee generaties volgehouden. Op het moment dat Doornbosch met zijn microfoon verscheen waren de laatste erfgenamen doorgaans al in de zeventig.

Doornbosch zocht verhalende liederen. Hij wilde woorden vangen, woorden die teruggingen tot de Middeleeuwen, die in het Antwerps liedboek hadden gestaan en daarna elders waren verfomfaaid, aangevuld, verbasterd. Woorden die hadden gereisd van de Peel naar het Drentse veen en terug, en zo bewezen dat er uitwisseling had bestaan tussen de turfstekers. Wat hij zocht was een orale traditie. Zang en melodie waren van minder belang.

Zoals overal ter wereld gaan ook Nederlandse volksliederen vaak over de liefde. Soms verheven, soms wanhopig, maar niet zelden ook lijfelijk en direct, als een backdoor man in de blues. Dat drommelse laken dat was gescheurd. Daar stak de majoor zijn sabel deur, zingt Gerritje van Loohuizen-Wijkamp uit Epe met hoorbare knipoog. Klaas Tuip en Trijntje Steur-Tuip uit Volendam kennen er ook zo een: ‘En wat mag toch ons dochtertje maken? Ik hoorde de beddenplank kraken. En d’r moet er een bij haar zijn.’

Indrukwekkend is ook de cd met misdaadliederen, zoals die over de viervoudige moord in Lucaswolde, over de drie moorden in Kockange en over de laffe moordenaars van Etten. Antonia Bekers-Van Halteren en haar zuster Johanna uit Princenhage schromen niet de Bende van Wouw met naam en toenaam te kijk te zetten. ‘In ’t Brabants gastvrij land/ in ’t vriendelijk dorpje Etten/ is deze schandedaad/ Vol afschuw waar geschied/ Den Bals en Geert van Peer/ Van Zetten en Jan Verstijlen/ Staan nu heel Nederland door/ Als moordenaars te boek.’

Dankzij Ate Doornbosch kent Nederland zijn love songs en zijn murder ballads. De dood van boer Naalden zal nooit vergeten worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden